Verbintenissenrecht

Luchtvaart; Vertraging. Buitengewone omstandigheden worden niet betwist door de passagiers. Echter heeft de…

Rechtbank Noord-Holland, 28 januari 2026

Zaakgegevens

Op 28 januari 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
28 januari 2026
Datum publicatie
22 juni 2026
Zaaknummer
11388185
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:7423
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Luchtvaart; Vertraging. Buitengewone omstandigheden worden niet betwist door de passagiers. Echter heeft de vervoerder niet alle redelijke maatregelen getroffen. Het betoog van de vervoerder slaagt niet. De vordering wordt toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 11388185 \ CV EXPL 24-7778

Uitspraakdatum: 28 januari 2026

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

1 [eiser 1],

2. [eiser 2],

beiden wonende te [plaats 1]

3. [eiser 3]wonende te [plaats 2]

eisers

hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers

gemachtigde: mr. R.A.C. Telkamp (EUclaim B.V.)

tegen

De buitenlandse vennootschap

Austrian Airlines AG

gevestigd te Wenen (Oostenrijk)

gedaagde

hierna te noemen: de vervoerder

gemachtigde: mr. J. Nooij (Russell advocaten)

De zaak in het kort

De passagiers hebben van de vervoerder compensatie gevraagd voor een meer dan 3 uur vertraagde vlucht. De vervoerder voert aan dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden. Dit wordt niet betwist door de passagiers. Echter heeft de vervoerder niet alle redelijke maatregelen getroffen. Het betoog van de vervoerder slaagt niet. De vordering wordt toegewezen.

1 Het procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding:

- de conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 29 september 2022 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport, via Vienna International Airport, Wenen (Oostenrijk), naar Zvartnots International Airport (Armenië) met vluchtnummers OS376 en OS641.

2.2.

De vervoerder heeft vlucht OS376 van Amsterdam naar Wenen (hierna: de vlucht) vertraagd uitgevoerd. De vervoerder heeft de passagiers omgeboekt naar een alternatieve vlucht. Hierdoor zijn zij met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemming.

2.3.

De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.

2.4.

De vervoerder heeft niet uitbetaald.

3 Het geschil

3.1.

De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 1.200,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 september 2022, althans vanaf datum ingebrekestelling dan wel vanaf de datum van betekening van deze dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 217,80 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 12 juli 2023 dan wel vanaf de datum van betekening van deze dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2.

De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 400,00 per passagier (artikel 7 van de Verordening).

3.3.

De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de vertraging van de vlucht het gevolg was van buitengewone omstandigheden. Deze konden ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden (artikel 5 lid 3 van de Verordening).

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.

4.2.

Vast staat dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.

4.3.

Volgens de vervoerder is de vlucht voorafgaand aan de vlucht in kwestie vertraagd uitgevoerd wegens het niet beschikbaar zijn van een gate op de luchthaven van Amsterdam. Deze vertraging werkte door op de vlucht in kwestie. De vervoerder beroept zich daarom op een doorwerking van een buitengewone omstandigheid. De passagiers hebben dit niet betwist, zodat dit vast is komen te staan.

4.4.

Resteert de vraag of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging te voorkomen of te beperken. De vervoerder voert aan dat de passagiers zijn omboekt op de eerst mogelijke beschikbare vlucht. Zodra het duidelijk is dat de passagiers de overstap niet kunnen halen, boekt de vervoerder de passagiers automatisch om op de eerstvolgende alternatieve vlucht die beschikbaar is op dat moment (ongeacht van de eigen of een andere luchtvaartmaatschappij en ongeacht of het een rechtstreekse of indirecte vlucht betreft). De vervoerder heeft er geen enkele belang bij om de passagiers niet op de eerst beschikbare vlucht om te boeken, omdat er alleen maar extra kosten bijkomen voor de vervoerder zoals eten en drinken en hotelovernachtingen. De beschikbaarheid op een vlucht kan zeer veranderlijk zijn. De vervoerder kan slecht vaststellen dat de initieel aangeboden vlucht op het moment van het maken van de omboeking de eerst beschikbare vlucht was. In dit geval was er geen eerdere vlucht beschikbaar. De eindbestemming is een bestemming waar weinig op wordt gevlogen. Daardoor is het lastiger om de passagiers op een alternatieve vlucht te plaatsen. Dit in combinatie met het feit dat de vervoerder de drie passagiers op dezelfde vlucht moest omboeken, leidde ertoe dat er geen plek meer beschikbaar was voor de passagiers. Indien de alternatieve vluchten die de passagiers hebben overgelegd beschikbare plaatsen hadden, dan was dat wel naar voren gekomen in het omboekingssysteem. Met betrekking tot de duur van de vertraging, moet bij het berekenen van de uiteindelijke aankomstvertraging gekeken worden naar de geplande aankomsttijd en niet naar de werkelijke aankomsttijd. De alternatieve vlucht stond gepland om de passagiers exact 24 uur later op de eindbestemming te vervoerder, maar de vlucht was vertraagd uitgevoerd. Deze vlucht zou de passagiers binnen een dag op de eindbestemming hebben gebracht. Niet valt in te zien wat de vervoerder nog meer had kunnen doen om de vertraging te voorkomen.

4.5.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Het is in beginsel geen redelijke maatregel, indien passagiers met een door de vervoerder zelf uitgevoerde alternatieve vlucht de dag na de oorspronkelijk vastgestelde dag aankomen. Dit is anders indien er geen enkele andere mogelijkheid voor een rechtstreekse of indirecte alternatieve vlucht bestond met een door haarzelf of door een andere luchtvaartmaatschappij uitgevoerde vlucht die op een minder laat tijdstip aankwam dan de volgende vlucht van de betrokken luchtvaartmaatschappij, of dat het organiseren van een dergelijke alternatieve vlucht voor die laatste een onaanvaardbaar offer betekende gelet op de mogelijkheden van haar onderneming op het relevante tijdstip. Hierbij gaat de kantonrechter, voor de interpretatie van het hiervoor genoemde woord ‘dag’, uit van een tijdruimte en voor de uitleg ervan wordt aangesloten bij de algemeen geaccepteerde uitleg, zijnde een tijdsduur van 24 uur. Gesteld noch gebleken is dat zich één van deze uitzonderingssituaties voordeed. De passagiers hebben een aantal alternatieve vluchten overgelegd en stellen dat deze vluchten hen eerder op de eindbestemming zouden hebben gebracht. De passagiers zijn volgens de vervoerder omgeboekt naar de eerstvolgende beschikbare vlucht met plaats door gebruikmaking van een automatisch boekingssysteem. Het had echter op de weg van de vervoerder gelegen om te onderbouwen waarom hij de passagiers niet op een van deze vluchten heeft omgeboekt. De vervoerder heeft dan ook onvoldoende onderbouwd dat hij alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging van de passagiers te voorkomen dan wel te beperken. Het betoog van de vervoerder slaagt niet. De vordering van de passagiers wordt toegewezen.

4.6.

De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden hebben laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven uit het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II. De tarieven uit het Besluit worden redelijk geacht. Omdat het gevorderde bedrag, € 217,80 (inclusief BTW), niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.

4.7.

De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is ook toewijsbaar, behalve dat deze wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding. De passagiers hebben daar in ieder geval vanaf die datum recht op. Het is niet gesteld of gebleken dat zij dit ook al vanaf een eerdere datum hadden.

4.8.

De vervoerder zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt. De gevorderde rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 1417,80, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.200,00 vanaf 30 september 2022, en over € 217,80 (inclusief BTW) vanaf 5 augustus 2024, tot aan de dag van voldoening van deze bedragen;

5.2.

veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:

dagvaarding € 135,97;
griffierecht € 218,00;
salaris gemachtigde € 408,00;

nakosten € 102,00;

vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. Koenis, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter