Verbintenissenrecht

Luchtvaart. EPGV. De passagier vraagt compensatie voor een vertraagde vlucht. Hij heeft zijn overstap gemist…

Rechtbank Noord-Holland, 15 juli 2026

Zaakgegevens

Op 15 juli 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
15 juli 2026
Datum publicatie
17 juli 2026
Zaaknummer
12137026 \ CV FORM 26-1631
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:8982
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Luchtvaart. EPGV. De passagier vraagt compensatie voor een vertraagde vlucht. Hij heeft zijn overstap gemist en is daardoor met een vertraging van meer dan drie uur op de bestemming aangekomen. De vervoerder doet een beroep op buitengewone omstandigheden. Dit verweer slaagt niet omdat de passagier heeft aangevoerd dat hij na de vertraagde aankomst van de vlucht zijn aansluiting alsnog had kunnen halen. Op dat moment was hij echter al (onterecht) omgeboekt door de vervoerder. De vervoerder heeft dit onvoldoende weersproken en daarmee onvoldoende onderbouwd dat de passagier de aansluitende vlucht heeft gemist door de vertraging van de vlucht in kwestie. Het verzoek wordt toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 12137026 \ CV FORM 26-1631

Uitspraakdatum: 15 juli 2026

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

[verzoeker]
wonende te [plaats]

verzoekende partij

verder te noemen: de passagier

gemachtigde: ProBe-ASP B.V., handelende onder de naam Aviclaim

tegen

Société Air France

gevestigd te Roissy, Frankrijk

verwerende partij

verder te noemen: de vervoerder

gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer (AKD N.V.)

De zaak in het kort

De passagier vraagt compensatie voor een vertraagde vlucht. Hij heeft zijn overstap gemist en is daardoor met een vertraging van meer dan drie uur op de bestemming aangekomen. De vervoerder doet een beroep op buitengewone omstandigheden. Dit verweer slaagt niet omdat de passagier heeft aangevoerd dat hij na de vertraagde aankomst van de vlucht zijn aansluiting alsnog had kunnen halen. Op dat moment was hij echter al (onterecht) omgeboekt door de vervoerder. De vervoerder heeft dit onvoldoende weersproken en daarmee onvoldoende onderbouwd dat de passagier de aansluitende vlucht heeft gemist door de vertraging van de vlucht in kwestie. Het verzoek wordt toegewezen.

1 Het procesverloop

1.1.

Dit verloop blijkt uit:

  • het vorderingsformulier (formulier A);

  • het verweerschrift.

2 De feiten

2.1.

De passagier heeft met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hem op 16 juni 2024 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport, via Parijs, Frankrijk, naar Sevilla, Spanje, met vluchtcombinatie AF1445 en AF1546.

2.2.

De vervoerder heeft vlucht AF1445 van Amsterdam naar Parijs vertraagd uitgevoerd. De passagier heeft de aansluitende vlucht gemist. De vervoerder heeft hem omgeboekt naar een alternatieve vlucht, waarmee hij met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming is aangekomen.

2.3.

De passagier heeft daarom compensatie van de vervoerder verzocht.

2.4.

De vervoerder heeft niet uitbetaald.

3 Het geschil

3.1.

De passagier verzoekt de vervoerder te veroordelen tot betaling van:

- € 400,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 juni 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 60,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
- de proceskosten.

3.2.

De passagier baseert zijn verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagier stelt dat de vervoerder hem vanwege de vertraging moet compenseren met een bedrag van € 400,-.

3.3.

De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden. Deze konden ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.

4.2.

De passagier is met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming aangekomen. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als hij kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.

4.3.

De vervoerder voert aan dat de vlucht in kwestie onderdeel was van de rotatievlucht Parijs – Amsterdam – Parijs (vluchtnummers AF1444 en AF1445). Voorafgaand aan het vertrek van vlucht AF1444 van Parijs naar Amsterdam legde de luchtverkeersleiding een latere vertrektijd op aan het vliegtuig. Daardoor is vlucht AF1444 met 37 minuten vertraging uitgevoerd. Deze vertraging werkte door op de vlucht in kwestie. Deze is uiteindelijk met 32 minuten vertraging uitgevoerd. Door deze vertraging miste de passagier de aansluitende vlucht.

4.4.

De passagier heeft dit bij voorbaat betwist. Hij voert aan dat de aansluitende vlucht ook met vertraging is vertrokken (van 45 minuten). Daardoor was het alsnog mogelijk geweest om de overstap te halen. De vervoerder heeft hem dus ten onrechte en te voorbarig omgeboekt naar de alternatieve vlucht.

4.5.

De kantonrechter oordeelt dat de vervoerder, gelet op de gemotiveerde betwisting door de passagier, onvoldoende concreet heeft gesteld en onderbouwd dat de passagier de aansluitende vlucht heeft gemist door de vertraging van de vlucht in kwestie. Weliswaar stelt hij dat de aansluitende vlucht zou vertrekken om 13:55 uur, maar hij heeft niet gesteld of onderbouwd dat deze ook daadwerkelijk op de geplande vertrektijd is vertrokken en niet, zoals de passagier aanvoert, met een ruime vertraging. Hij heeft ook geen stukken overgelegd waar dit uit zou kunnen blijken. Bovendien heeft hij evenmin gesteld wat de minimaal benodigde tijd is voor een overstap op de luchthaven van Parijs, zodat ook om die reden niet beoordeeld kan worden of de passagier de aansluitende vlucht nog had kunnen halen. Het had op zijn weg gelegen om zijn verweer op dit punt nader te onderbouwen.

4.6.

Al met al kan niet worden geoordeeld dat de passagier de aansluitende vlucht heeft gemist door de vertraging van de vlucht in kwestie en daarmee ook niet dat de uiteindelijk langdurig vertraagde aankomst van de passagier op de eindbestemming het gevolg was van buitengewone omstandigheden. Het verzoek zal worden toegewezen.

4.7.

De wettelijke rente is eveneens toewijsbaar, met ingang van de datum waarop de passagier schade heeft geleden. Dat is de dag waarop de passagier op de eindbestemming had moeten aankomen. Het betreft hier een vordering tot vergoeding van forfaitair berekende schade, zodat deze schade direct opeisbaar is. Het verzuim treedt dus zonder ingebrekestelling in op het moment dat de schade geacht wordt te zijn geleden. De rente wordt daarom toegewezen vanaf 16 juni 2024.

4.8.

De passagier heeft een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten verzocht. Omdat het onderhavige verzoek geen betrekking heeft op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is, zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. De vervoerder heeft dit verzoek (gemotiveerd) betwist. De passagier heeft hiertegenover onvoldoende aangetoond en onderbouwd dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Het verzoek tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten moet daarom worden afgewezen.

4.9.

De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder omdat hij ongelijk krijgt. Ook de nakosten kunnen worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagier worden gemaakt.

4.10.

Op verzoek van de passagier zal een certificaat aan deze beschikking worden gehecht.

5 De beslissing
De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagier van € 400,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 16 juni 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagier tot en met vandaag worden begroot op € 93,00 aan griffierecht en € 87,00 aan salaris gemachtigde en veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 43,50 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagier worden gemaakt;

5.3.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open

Artikel 7 van de Verordening. Artikel 5 lid 3 van de Verordening. Artikel 6:83 sub b van het Burgerlijk Wetboek. Zoals bedoeld in artikel 20 lid 2 van de Verordening (EG) nr. 861/2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2015/2421 van 16 december 2015.