Verbintenissenrecht

Kort geding. Vordering tot staking executie eerdere vonnissen afgewezen. Dwangsommen zijn bovendien niet verjaard.

Rechtbank Noord-Holland, 28 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 28 oktober 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in kort geding uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Alkmaar
Datum uitspraak
28 oktober 2026
Datum publicatie
29 oktober 2026
Zaaknummer
C/15/376094 / KG ZA 26-153
Procedure
Kort geding
Advocaat
mr. H.G.R. Meulmeester
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:14782
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Kort geding. Vordering tot staking executie eerdere vonnissen afgewezen. Dwangsommen zijn bovendien niet verjaard.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht

Zittingsplaats Alkmaar

Zaaknummer: C/15/376094 / KG ZA 26-153

Vonnis in kort geding van 28 oktober 2026

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

te [woonplaats] ,
2. [eiser sub 2],

te [woonplaats] ,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[de B.V.] B.V.,

te Middenmeer, gemeente Hollands Kroon,

eisende partijen,

hierna samen te noemen: [eisers] ,

advocaat: mr. H.G.R. Meulmeester,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INTERFLOW B.V.,

te Bunnik,

gedaagde partij,

hierna te noemen: Interflow,

advocaten: mrs. P.H. Mahieu en A.P. Van Dijk.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 14 april 2026, met producties 1-10;

- de conclusie van antwoord, met producties 1-17;

- de mondelinge behandeling van 7 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Mr. Meulmeester heeft daarbij gebruik gemaakt van spreekaantekeningen.

- het verkorte proces-verbaal van de zitting van 7 mei 2026;
- de brief van 9 september 2026 namens Interflow, waarin mr. Mahieu verzoekt om de zitting voort te zetten;

- de aanvullende producties 18 tot en met 23 namens Interflow;

- de aanvullende productie 11 namens [eisers] ;
- de voortzetting van de mondelinge behandeling op 14 oktober 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

2 De uitgangspunten

2.1.

Interflow houdt zich bezig met het beheersen van de luchtkwaliteit in

gecontroleerde ruimtes. Interflow ontwikkelt en bouwt operatiekamers, zogenoemde

cleanrooms en LAF-units (Laminar Air Flow units).

2.2.

Eiser sub 1 (hierna: [eiser sub 1] ) en eiser sub 2 (hierna: [eiser sub 2] ) zijn tot 1 september 2021 bij Interflow in dienst geweest. [eiser sub 1] was vanaf begin 2017 als directeur

werkzaam bij Interflow. [eiser sub 2] werkte vanaf begin 1981 bij Interflow, laatstelijk in de

functie van bedrijfsleider.

2.3.

Op 2 september 2021 hebben [eiser sub 1] en [eiser sub 2] samen [de B.V.]

B.V. (hierna: [de B.V.] ) opgericht. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zijn indirect bestuurder en

aandeelhouder van [de B.V.] . [de B.V.] richt zich op dezelfde specialistische markt als

Interflow.

2.4.

Interflow heeft de laptops van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] forensisch laten onderzoeken. Uit dat onderzoek is naar voren gekomen dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] tegen het einde van hun

dienstverband met Interflow bestanden van Interflow op externe gegevensdragers hebben

overgezet en dat zij ook bestanden vanaf hun account bij Interflow hebben gestuurd naar e-mailadressen die niet aan Interflow toebehoren. De gekopieerde data hebben betrekking op de operationele bedrijfsvoering van Interflow.

2.5.

Interflow heeft een bodemprocedure aanhangig gemaakt tegen [eisers] Het

dictum van het vonnis van 9 november 2022 van de rechtbank Noord-Holland luidt, voor

zover van belang, als volgt:

“5.1. veroordeelt [eisers] hoofdelijk om alle documenten, voorwerpen, materialen

en/of (elektronische) bestanden en elke kopie daarvan in welke vorm dan ook, betreffende of ziende op de van Interflow door hen gekopieerde en/of anderszins verkregen vertrouwelijke informatie zoals vermeld in bijlage 16 voor Interflow bewijsbaar, derhalve in het bijzijn van een door Interflow aan te wijzen onafhankelijke deskundige, waarvan de kosten voor rekening van [eisers] worden gebracht, te vernietigen zodanig dat de betreffende gegevens onbruikbaar blijven,

5.2.

veroordeelt [eisers] hoofdelijk om alle documenten, voorwerpen, materialen

en/of (elektronische) bestanden en elke kopie daarvan in welke vorm dan ook, betreffende of ziende op de van Interflow door hen gekopieerde en/of anderszins verkregen vertrouwelijke informatie, die gebaseerd zijn op de door hen gekopieerde en/of anderszins verkregen vertrouwelijke informatie voor Interflow bewijsbaar, derhalve in het bijzijn van een door Interflow aan te wijzen onafhankelijke deskundige, waarvan de kosten voor rekening van [eisers] worden gebracht, te vernietigen zodanig dat de betreffende gegevens onbruikbaar blijven, (...)”.

2.6.

Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

2.7.

Vervolgens zijn partijen - zeer verkort weergegeven - in discussie geraakt over de uitvoering van de in 5.1. en 5.2. van voornoemd vonnis genoemde vernietiging van gegevens. [eisers] meenden dat zij uitvoering hebben gegeven aan het vonnis van 9 november 2023 door op 4 juli 2023 bestanden te hebben vernietigd. Interflow heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen uitvoering is gegeven aan het vonnis van 9 november 2022 en heeft bij exploot van 3 oktober 2022 aan [eisers] de verbeuring van € 100.000,- aan dwangsommen aangezegd.

2.8.

Op 13 oktober 2023 zijn [eisers] een executiegeschil begonnen; zij vorderden staking van de executie van het vonnis van 9 november 2022; dit heeft geleid tot het vonnis van de rechtbank Noord-Holland op 6 november 2023. Voor zover van belang is in dit vonnis het volgende overwogen:

“4.16. [de B.V.] , [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zullen aan de deskundige toegang moeten

verlenen tot hun systemen, datadragers, (mail)servers zodat de deskundige mogelijke

gekopieerde bedrijfsgegevens en/of daarvan afgeleide data kan traceren. De deskundige

moet daarbij ook kunnen onderzoeken of de bedrijfsgegevens al dan niet zijn gekopieerd

en/of verstuurd naar andere datadragers. Als dat wel is gebeurd, zal de deskundige moeten

onderzoeken of bestanden van daaruit zijn gekopieerd en/of verstuurd. Dit net zolang totdat

de deskundige kan vaststellen dat er geen bestanden van bijlage 16 van het vonnis of

kopieën daarvan meer aanwezig zijn bij [eisers]

Het is de deskundige daarbij niet toegestaan om andere zaken te onderzoeken dan voor de

hiervoor en in het vorige vonnis beschreven controles noodzakelijk is.

Vervolgens zullen al deze (kopieën van) bestanden aantoonbaar voor Interflow moeten

worden vernietigd. (…)

in reconventie

5.4.

veroordeelt [de B.V.] , [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hoofdelijk tot betaling aan

Interflow van € 25.000,- wegens verbeurde dwangsommen, te vermeerderen met de

wettelijke rente daarover vanaf 23 oktober 2023 tot de dag van gehele betaling;

5.5.

veroordeelt [de B.V.] , [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hoofdelijk om binnen een maand na

betekening dit vonnis alsnog op de hiervoor onder rechtsoverweging 4.16. in dit vonnis

omschreven wijze, te voldoen aan de veroordelingen onder 5.1. en 5.2. van het tussen

partijen gewezen vonnis van 9 november 2022, op straffe van verbeurte van een dwangsom

van eenmalig € 20.000,- en vervolgens van € 1.000,- voor iedere dag dat zij niet aan de

onderhavige veroordeling voldoet, met een maximum van € 100.000,-; (…)”.

2.9.

Interflow heeft het vonnis van 9 november 2022 en het vonnis van 6 november 2023 in 2023 aan [eisers] laten betekenen, met het verzoek om aan de veroordelingen te voldoen.

2.10.

Op 6 mei 2024 heeft deskundige DigiJuris aan Interflow een rapportage uitgebracht over de bestanden die zij bij [eisers] heeft aangetroffen betreffende of ziende op vertrouwelijke informatie van Interflow, zoals benoemd in r.o. 5.1. van het vonnis van 9 november 2022. In het overzicht van deze rapportage staat dat DigiJuris in totaal 15.190

bestanden heeft aangetroffen die volgens DigiJuris conform het vonnis verwijderd zouden moeten worden.

2.11.

Op 4 juli 2024 heeft DigiJuris een tweede rapportage uitgebracht aan Interflow over de bestanden die zij bij [eisers] heeft aangetroffen met betrekking tot r.o. 5.2 van het vonnis van 9 november 2022. Uit de rapportage volgt dat er 458.391 bestanden zijn aangetroffen die volgens DigiJuris conform het vonnis verwijderd zouden moeten worden.

2.12.

Op 24 oktober 2024 heeft [eiser sub 1] aan deurwaarder J. de Swart een e-mail gestuurd waarin onder meer het volgende staat:
“Past het jou om volgende week ons bij te praten over de wijze waarop jullie de bestanden hebben geselecteerd die in aanmerking komen voor verwijdering? Nogmaals wij hebben daar geen bezwaar tegen, maar willen beter begrijpen hoe de zoekargumenten ingegeven zijn. (…)”

2.13.

Vervolgens is er met DigiJuris, de deurwaarder en [eisers] en hun raadsman een afspraak gemaakt om de extra gevraagde data te kopiëren en de gelegenheid te bieden voor het stellen van vragen over de totstandkoming van de te verwijderen bestanden. Op 2 januari 2025 is bedoelde bijeenkomst gehouden. Op 28 januari 2025 heeft DigiJuris aan [eiser sub 1] nogmaals verzocht of de aangesloten datadragers - die op 2 januari 2025 niet aanwezig waren - beschikbaar waren om te kopiëren.

2.14.

Bij e-mail van 20 februari 2025 heeft DigiJuris aan [eisers] een plan van aanpak meegestuurd voor het wissen van de aangetroffen bestanden.

2.15.

Tussen partijen is op enig moment afgesproken dat op 11 maart 2025 tot vernietiging van bestanden zou worden over gegaan. Die vernietiging is aangehouden in samenspraak tussen partijen op de zitting van 5 maart 2025 bij het Gerechtshof Amsterdam. [eisers] zijn namelijk tegen het vonnis van 6 november 2023 in hoger beroep gegaan.

2.16.

Het Gerechtshof Amsterdam heeft het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 6 november 2023 bij arrest van 22 juli 2025 bekrachtigd. Het gerechtshof heeft verder, voor zover van belang, in het incidenteel appel van Interflow tegen de matiging van de dwangsommen, het volgende overwogen:

“5.14. (…) Naar het oordeel van het hof kan lnterflow op de rapportages van DigiJuris geen beroep doen, omdat de door Interflow aangewezen deskundige bij de totstandkoming daarvan geen gelegenheid heeft geboden aan [eisers] om vragen te stellen en kritisch commentaar te leveren op de gevolgde werkwijze, het selectieproces en de (concept)resultaten, zulks ondanks het feit dat [eisers] herhaaldelijk om een toelichting daarop heeft verzocht. De rapportages zijn dus in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor tot stand gekomen. Dit klemt temeer nu [eisers] tijdens de mondelinge behandeling in het hoger beroep, toen zij voor het eerst de gelegenheid kregen om op de rapportages te reageren, de conclusies van die rapportages gemotiveerd hebben bestreden. De slotsom is dat Interflow aan de rapportages van DigiJuris geen argumenten contra matiging van de verbeurde dwangsommen kan ontlenen.”

2.17.

Bij e-mail van 7 augustus 2025 heeft DigiJuris aan de deurwaarder - kort gezegd - naar aanleiding van rechtsoverweging 5.14 van het arrest van het Gerechtshof Amsterdam toelichting gegeven op de werkzaamheden van DigiJuris en de tijdlijn waarin zij hun werk hebben verricht.

2.18.

De voorgaande e-mail van 7 augustus 2025 is op 25 september 2025 door de deurwaarder doorgestuurd aan mr. Meulmeester met het verzoek om uiterlijk 15 oktober 2025 een afspraak te maken over hoe, waar en wanneer een aantal computers, datadragers en twee maildatabases nader kunnen worden onderzocht door DigiJuris.

2.19.

Bij e-mail van 17 november 2025 heeft de deurwaarder aan (de raadsman van) [eisers] nogmaals de gelegenheid geboden om voor 31 december 2025 te reageren op de in de e-mail genoemde rapportage van DigiJuris.

2.20.

Bij brief van 30 december 2025 hebben [eisers] kort gezegd medegedeeld aan Interflow dat:

“- het Gerechtshof Amsterdam ter zitting gemeld heeft geconstateerd te hebben dat [eisers] na het vonnis van 6 november 2023 hun volledige medewerking aan het onderzoek hebben verleend, en betalingen hebben verricht (lees: de boel niet vertraagd hebben)

- er geen ruimte is om hetgeen ter zitting is gesteld, en hetgeen in het arrest is bepaald en vastgesteld, te betwijfelen

- [eisers] niet in verzuim kunnen zijn met de met de nakoming van het vonnis, nu de vertraging hen niet aangerekend kunnen worden

- [eisers] om die reden ook geen dwangsommen verbeurd hebben

- [eisers] in alle redelijkheid ook niet gehouden kunnen worden om de kosten van een waardeloos onderzoek te voldoen

- [eisers] wel degelijk gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid om op de rapportages te reageren (daarom verzocht hebben, alsook in de hoger beroep procedure en ter zitting van het Gerechtshof Amsterdam)

- er geen sprake is van concept rapportages, maar van een afgerond onderzoek

- [eisers] , in het licht van het oordeel van het Gerechtshof Amsterdam dat het beginsel van hoor en wederhoor ten aanzien van de rapportages zou zijn geschonden, niet gehouden kunnen worden om, bij wege van herstel, de gelegenheid te krijgen om vragen te stellen en kritisch commentaar te leveren op de gevolgde werkwijze, het selectieproces en de (concept)resultaten, te meer nu

- het Gerechtshof geoordeeld heeft dat Interflow op de rapportages geen beroep kan doen.”

2.21.

Bij brief van 4 februari 2026 heeft (de raadsman van) Interflow aan [eisers] - voor zover van belang - het volgende medegedeeld:

“Cliënte wil simpelweg komen tot vernietiging van de data zoals bedoeld onder rechtsoverwegingen 5.1 en 5.2 van het vonnis van 9 november 2022. Zij ziet geen enkele reden om te twijfelen aan de onafhankelijkheid van DigiJuris, dat haar onafhankelijke positie gedurende het hele onderzoek zeer strikt heeft bewaard, zo heeft ook cliënte ervaren, en ziet dus ook geen enkele aanleiding om een nieuw onderzoek te starten.

Wel is zij nog een laatste maal bereid om uw cliënten in de gelegenheid te stellen binnen drie weken na heden de door DigiJuris al vaak gespecificeerde datadragers aan DigiJuris te verstrekken, alsmede om binnen die termijn hun commentaar te leveren op de resultaten die er al liggen (en zoals aangestipt al met uw cliënten zijn besproken door DigiJuris), bij gebreke waarvan het ervoor zal worden gehouden dat uw cliënten nog altijd niet daadwerkelijk wensen mee te werken aan de veroordelingen zoals uitgesproken in het vonnis van 9 november 2022.”

2.22.

Bij exploot van 17 maart 2026 heeft Interflow aan [eisers] kenbaar gemaakt dat [eisers] naar het oordeel van Interflow niet aan de veroordelingen uit de vonnissen van 9 maart 2022 en 6 november 2023 hebben voldaan en dat er per 17 maart 2026 een bedrag van € 100.000,- aan dwangsommen is verbeurd.

2.23.

Bij dagvaarding van 14 april 2026 zijn [eisers] onderhavig kort geding gestart. Op 7 mei 2026 heeft de eerste mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij hebben partijen afgesproken om elkaar op 21 mei 2026 te spreken over de vragen die [eisers] nog hadden over de opzet van het onderzoek en hoe DigiJuris (vertegenwoordigd door de heer [naam] ) tot haar huidige bevindingen is gekomen.

2.24.

In september 2026 heeft Interflow verzocht om een voortgezette mondelinge behandeling van de zaak, omdat partijen er niet in geslaagd waren om een schikking te bereiken.

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vorderen - samengevat - dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. Interflow veroordeelt om de bij exploit van 17 maart 2026 aangekondigde executie van het vonnis tussen partijen gewezen door de Rechtbank Noord-Holland op 9 november 2022, alsmede van het vonnis van de Rechtbank Noord-Holland op 6 november 2023, te staken en gestaakt te houden totdat tussen partijen onherroepelijk, en op de wijze zoals vermeld in voornoemde vonnissen, zal zijn vastgesteld dat, en zo ja in welke mate [eisers] aan de veroordelingen hebben voldaan, alsmede om de eventueel door Interflow ten tijde van de mondelinge behandeling van dit geding uitgevoerde executiehandelingen ongedaan te maken;

II. dan wel het recht van Interflow om het vonnis van 9 november 2022 en het vonnis van 6 november 2023 van de Rechtbank Noord-Holland te executeren, te schorsen en geschorst te houden totdat tussen partijen onherroepelijk, en op de wijze zoals vermeld in voornoemde vonnissen, zal zijn vastgesteld dat en zo ja in welke mate [eisers] aan de veroordelingen hebben voldaan;

III. Interflow veroordeelt in de proceskosten.

3.2.

[eisers] leggen aan de vordering, samengevat, het volgende ten grondslag. Het gerechtshof heeft onherroepelijk overwogen dat het onderzoek van DigiJuris is afgerond en dat Interflow [eisers] geen gelegenheid heeft geboden om vragen te stellen en kritisch commentaar te leveren op de gevolgde werkwijze, het selectieproces en de (concept)resultaten, zulks ondanks dat [eisers] herhaaldelijk om een toelichting daarop hebben verzocht. [eisers] hebben de conclusies van de rapportage van de deskundige gemotiveerd bestreden en zijn van mening dat Interflow om die reden geen beroep kan doen op die rapportages. [eisers] zijn dan ook van mening dat ze geen dwangsommen verbeurd zijn. [eisers] worden door Interflow niet (voldoende) in staat gesteld om aan de veroordelingen van de vonnissen van 9 november 2022 en van 6 november 2023 te voldoen, welke situatie is te wijten aan het gebrek van het door DigiJuris in opdracht van Interflow verrichte onderzoek.

Daarnaast zijn de dwangsommen verjaard. Het gerechtshof heeft in zijn arrest vastgesteld dat Interflow de verjaringstermijn van zes maanden (ex artikel 611g Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering [Rv]) gestuit heeft door het tijdig instellen van een eis in reconventie. De nieuwe verjaringstermijn van de dwangsommen is derhalve aangevangen op 26 juli 2025. Interflow heeft echter binnen de nieuwe verjaringstermijn van zes maanden na 26 juli 2025 geen nieuwe stuitingshandeling verricht.

3.3.

Interflow voert verweer en voert - samengevat - het volgende aan. [eisers] hebben gedurende het gehele traject steeds de gelegenheid gehad om te reageren op het onderzoek door DigiJuris maar [eisers] hebben hier geen gebruik van gemaakt. Bovendien heeft er begin 2025 een bespreking plaatsgevonden tussen [eisers] en DigiJuris waarin DigiJuris antwoorden heeft gegeven op de door [eisers] naar aanleiding van de onderzoeksresultaten gestelde vragen, toen is ook afgesproken om op 11 maart 2025 de door DigiJuris gedetecteerde bestanden te vernietigen. Pas ter zitting bij het gerechtshof hebben [eisers] inhoudelijke opmerkingen gemaakt op de door Interflow in 2024 verstrekte rapportages. Deze rapportages waren [eisers] toen al lang en breed bekend, anders dan het gerechtshof ten onrechte in zijn arrest heeft aangenomen. Ook na de zitting bij het gerechtshof zijn [eisers] opnieuw in de gelegenheid gesteld om vragen te stellen over het onderzoek. Interflow stelt zich op het standpunt dat het onderzoek en de rapportages van DigiJuris valide zijn en dat de opmerkingen van het gerechtshof over dit onderzoek ietwat uit de losse pols zijn opgeschreven en buiten het partijdebat om door het gerechtshof zijn opgemerkt rondom de verbeurde dwangsommen. [eisers] lijkt slechts tijd te willen rekken om vernietiging van de bestanden te voorkomen.

Ook na de bijeenkomst op 21 mei 2026 zijn [eisers] in de gelegenheid gesteld om commentaar te geven en vragen te stellen over de rapportages en is gevraagd de door DigiJuris gevonden data te beoordelen. [eisers] hebben dit laatste nagelaten.

Interflow stelt dat nog altijd niet aan het vonnis is voldaan door [eisers] en dat als gevolg daarvan de dwangsommen, die door de voorzieningenrechter bij vonnis van 6 november 2023 opnieuw zijn opgelegd, nog altijd door lopen. De deurwaarder heeft [eisers] daar meermaals op gewezen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eisers] daarbij een spoedeisend belang hebben. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.

4.2.

Ter onderbouwing van hun spoedeisend belang hebben [eisers] aangevoerd dat Interflow bij exploot van 17 maart 2026 aanspraak heeft gemaakt op betaling van de vermeend verbeurde dwangsommen en Interflow heeft daarbij aangekondigd dat zij bij gebreke van ontvangst van betaling zou overgaan tot executie van het vonnis. De voorzieningenrechter leidt hieruit af dat [eisers] een spoedeisend belang hebben bij hun vorderingen. Interflow heeft het spoedeisend belang overigens ook niet betwist. Hierna zullen de vorderingen van [eisers] dan ook inhoudelijk besproken worden.

Schorsing tenuitvoerlegging vonnissen?

4.3.

In deze zaak ligt de vraag voor of het Interflow verboden moet worden tot tenuitvoerlegging van de vonnissen van 9 november 2022 en 6 november 2023 van Rechtbank Noord-Holland over te gaan. [eisers] zijn van mening dat zij niet aan de vonnissen kunnen voldoen, omdat onduidelijk is waar zij aan zouden moeten voldoen. Daarnaast stellen [eisers] dat het gerechtshof geoordeeld heeft dat er geen hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden op het onderzoek door DigiJuris, dat het onderzoek al is afgerond, dat [eisers] de conclusies van DigiJuris gemotiveerd hebben bestreden en dat Interflow geen beroep kan doen op de rapportages.

4.4.

Als uitgangspunt geldt dat een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde veroordeling ten uitvoer moet kunnen worden gelegd. Gelet op het arrest [arrest] (NJ 1984, 145) van de Hoge Raad van 22 april 1983, kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een vonnis in een executiegeschil slechts schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant - mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

4.5.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 20 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:2026) bepaald dat het hiervoor genoemde toetsingskader ook geldt in kort geding in gevallen waarin geen rechtsmiddel meer openstaat. In dat geval is de veroordeling waarvan de tenuitvoerlegging ter discussie staat definitief. Er bestaat slechts grond voor schorsing ingeval van - kort gezegd - misbruik van bevoegdheid in de zin van artikel 3:13 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). De Hoge Raad heeft verder overwogen dat er geen aanleiding bestaat de bedoelde schorsingsgrond tot de in het arrest van 22 april 1983 genoemde gevallen te beperken. Er kunnen zich ook andere situaties voordoen waarin in verband met de na de uitspraak voorgevallen of aan het licht gekomen feiten sprake is van misbruik van bevoegdheid overeenkomstig de in artikel 3:13 BW genoemde maatstaf. Een bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan de ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. Nieuwe feiten kunnen in die context ook gewicht in de schaal leggen.

4.6.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eisers] onvoldoende hebben aangevoerd om tot de conclusie te kunnen dat de executie van de vonnissen van de Rechtbank Noord-Holland van 6 november 2022 en 9 november 2023 gestaakt dient te worden en gestaakt dient te worden gehouden totdat onherroepelijk is vastgesteld of [eisers] aan de voormelde vonnissen hebben voldaan. Hij licht dit hierna toe.

4.7.

Het gerechtshof heeft het vonnis van de rechtbank van 6 november 2023 bekrachtigd. In dat vonnis is overwogen dat [eisers] niet geheel voldaan hebben aan het vonnis van 9 november 2022 door de deskundige van Interflow geen toegang te geven tot hun systemen. Het uitgangspunt is dan ook dat [eisers] uitvoering dienen te geven aan de veroordelingen onder 5.1 en 5.2 van het vonnis van de rechtbank van 9 november 2022. Dit is slechts anders indien vast komt te staan dat Interflow geen rechtens te respecteren belang heeft bij executie van de vonnissen en door dat wel te doen misbruik van haar bevoegdheid maakt.

4.8.

Uit de in dit geding overgelegde stukken is gebleken dat [eisers] meermaals door Interflow in de gelegenheid zijn gesteld om vragen te stellen en te reageren op de onderzoeksresultaten en om de gevraagde datadragers beschikbaar te stellen. Dit volgt onder andere uit de onweersproken gebleven e-mail van 7 augustus 2025 van DigiJuris (zie overweging 2.17), waarin DigiJuris de constatering van het gerechtshof dat er geen hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden, weerlegt. Anders dan het gerechtshof kennelijk in zijn arrest op grond van de aan hem voorgelegde feiten en omstandigheden heeft overwogen is de voorzieningenrechter van oordeel dat het beginsel van hoor en wederhoor niet is geschonden. Zo is niet gebleken dat het gerechtshof kennis heeft genomen van de feiten die zich na 24 oktober 2024 hebben voorgedaan. Naar aanleiding van de vraag van [eiser sub 1] op 24 oktober 2024 is aantoonbaar getracht afspraken te maken met [eisers] , wat blijkbaar ook is gelukt op 2 januari 2025. Daar is een toelichting op de onderzoeksresultaten gegeven en is bovendien een datum geprikt voor vernietiging van bestanden, namelijk op 11 maart 2025. Ook toen daarna het vernietigen van de gegevens werd uitgesteld in het kader van de procedure bij het gerechtshof, zijn [eisers] opnieuw in de gelegenheid gesteld om vragen te stellen en de nog verzochte datadragers ter beschikking te stellen (zie onder andere de brief van 4 februari 2026, overweging 2.21 van dit vonnis). Dat [eisers] daar geen gebruik van hebben gemaakt of mogelijk antwoorden hebben gekregen waar zij het niet mee eens zijn, leiden er niet toe dat door de deurwaarder of DigiJuris onzorgvuldig zou zijn gehandeld of dat de bevindingen van DigiJuris van nul en generlei waarde zijn. Ook is aannemelijk geworden dat [eisers] kennelijk nog steeds niet alle verzochte datadragers beschikbaar hebben gesteld aan DigiJuris.

4.9.

Daarnaast lijkt het er op dat het gerechtshof slechts in het kader van de grief in het incidenteel appel over de matiging van de dwangsommen heeft overwogen dat het rapport geen basis biedt voor matiging. De voorzieningenrechter in dit onderhavige geschil gaat uit van de feiten, zoals hiervoor uiteengezet onder 4.8, en daaruit kan niet de conclusie worden getrokken dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden en de bevindingen van DigiJuris onbruikbaar zijn.

4.10.

Dat [eisers] niet in staat worden gesteld aan de vonnissen van 9 november 2022 en 6 november 2023 te voldoen, kan de voorzieningenrechter niet volgen. Het kan zo zijn dat DigiJuris op of rond maart 2025, toen de afspraak tot vernietiging van de aangetroffen bestanden was gemaakt, van mening was dat (op dat moment) het onderzoek was afgerond. Echter, op grond van de ontwikkelingen daarna kunnen [eisers] DigiJuris of de deurwaarder daaraan redelijkerwijs niet langer houden. DigiJuris en de deurwaarder hebben steeds het contact met [eisers] gezocht om tot een afronding van de uitvoering van de vonnissen te komen. Van een definitieve afronding van het onderzoek is dan ook niet gebleken, integendeel. Na de eerste zitting in dit kort geding en na de bespreking van partijen op 21 mei 2026, heeft DigiJuris de tweede set bestanden (circa 450.000) op 1 juni 2026 bovendien nog weten te optimaliseren. Daardoor is het aantal te beoordelen bestanden en e-mailberichten (als onderdeel van veroordeling 5.2) met 385.593 verminderd en zijn [eisers] opnieuw in de gelegenheid gesteld om deze inhoudelijk te beoordelen door een henzelf in te schakelen ICT-deskundige. Ook hier hebben zij geen gebruik van gemaakt.

4.11.

Al met al zijn er geen reden aan te nemen dat Interflow met de bevindingen van DigiJuris in de hand misbruik van haar bevoegdheid maakt en er zijn dus geen gronden om tenuitvoerlegging van de vonnissen te staken. Het is niet gebleken dat [eisers] niet aan de vonnissen kunnen voldoen wegens onbruikbare dan wel ondeugdelijke rapporten. Voor zover er tekortkomingen zouden zijn ten aanzien van het opstellen van de rapporten zijn die teruggedraaid en hebben [eisers] genoeg gelegenheid had om hun vragen te stellen. [eisers] dienen dus nog immer mee te werken en rechtsoverwegingen 5.1 en 5.2 van het vonnis van 6 november 2022 na te komen. Gelet op het feit dat [eisers] dit nu niet doen, is bovendien aannemelijk dat dwangsommen zijn verbeurd.

Dwangsommen niet verjaard

4.12.

[eisers] hebben verder nog het standpunt ingenomen dat de verbeurde dwangsommen (op grond van de vonnissen van 9 november 2022 en 6 november 2023) verjaard zijn. Interflow heeft in haar conclusie van antwoord toegelicht dat het haar te doen is om dwangsommen die door de voorzieningenrechter bij vonnis van 6 november 2023 opnieuw zijn opgelegd, en die nog doorlopen omdat [eisers] nog steeds niet voldaan hebben aan het vonnis. De deurwaarder heeft [eisers] hier op 22 oktober 2025 op gewezen en heeft medegedeeld dat er al € 27.000,- (zeven dagen x € 1.000,- per dag) aan dwangsommen was verbeurd sinds het moment (16 oktober 2025) dat [eisers] niet aan de veroordelingen van het vonnis van 6 november 2023 voldeden (zie productie 10 bij dagvaarding). Bij exploot van 17 maart 2026 heeft de deurwaarder de opnieuw verbeurde dwangsommen opgeëist. Voor zover [eisers] na het arrest van het gerechtshof nog gelegenheid had moeten krijgen om op de rapportages te reageren, dan is die gelegenheid in ieder geval gegeven en zijn de dwangsommen per 1 januari 2026 weer zijn gaan lopen, aldus Interflow.

4.13.

De voorzieningenrechter is het met Interflow eens dat de bij exploot van 17 maart 2026 aangezegde dwangsommen - nog los van de vraag of ze daadwerkelijk verbeurd zijn - niet verjaard zijn omdat het ziet op gestelde nog immer voortdurende overtredingen van het vonnis van 6 november 2023. Interflow heeft binnen de termijn van artikel 611g Rv steeds stuitingshandelingen verricht (e-mail 22 oktober 2025 aan [eisers] , exploot van 17 maart 2026), zodat de dwangsommen niet verjaard zijn.

Overweging ten overvloede

4.14.

De voorzieningenrechter heeft geconstateerd dat partijen op 21 mei 2026 afspraken met elkaar hebben gemaakt (zoals weergegeven in productie 18 van Interflow) om tot overeenstemming te komen over de te wissen bestanden bij [eisers] Onder 5 van het verslag van de gemaakte afspraken staat dat [eisers] een ICT-deskundige zouden inschakelen om het ‘Plan van aanpak van 20 februari 2025” te laten beoordelen om vervolgens tot het wissen van bestanden over te gaan. Ter zitting is gebleken dat [eisers] die afspraak niet zijn nagekomen. Hoewel de nakoming en uitvoering van deze afspraken geen onderwerp zijn van dit geding, geeft de voorzieningenrechter partijen in overweging om toch verder uitvoering te geven aan de gemaakte afspraken en dan met name dat er namens [eisers] een ICT-deskundige in contact treedt met DigiJuris. Aldus zou er op een praktische en zorgvuldige wijze een einde te gemaakt kunnen worden aan hetgeen partijen verdeeld houdt.

Proceskosten

4.15.

[eisers] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Interflow worden begroot op:

- griffierecht

€

735,00

- salaris advocaat

€

1.177,00

- nakosten

€

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

2.101,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen van [eisers] af,

5.2.

veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,

5.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Blokland en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2026.

AFS/JB