Strafprocesrecht

jeugdstraf; bewijsoverweging medeplegen diefstal uit seniorenwoning en diefstal van auto met gestolen sleutel

Rechtbank Noord-Holland, 15 september 2026

Zaakgegevens

Op 15 september 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafprocesrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
15 september 2026
Datum publicatie
6 november 2026
Zaaknummer
15/016747-26 en 15/142082-26
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:15152
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

jeugdstraf; bewijsoverweging medeplegen diefstal uit seniorenwoning en diefstal van auto met gestolen sleutel

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd

Locatie Haarlem

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummers: 15/016747-26 en 15/142082-26 (ter terechtzitting gevoegd)

Uitspraakdatum: 15 september 2026

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 1 september 2026 in de zaak tegen:

[de verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] .

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van:
- de vordering van de officier van justitie, [officier van justitie] ; en

- de vorderingen van de benadeelde partijen [de benadeelde partij 3] , [de benadeelde partij 4] en [de benadeelde partij 8] .

Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van wat:
- de verdachte en zijn raadsman, mr. M. Jonk advocaat te Amsterdam,
- [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad),
- [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] namens De Jeugd- en Gezinsbeschermers (hierna: de jeugdreclassering);

- [de begeleider] , de begeleider van de verdachte, van De Zware Jongens, en

- de moeder van de verdachte
naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Parketnummer: 15/016747-26

feit 1:

hij op of omstreeks 16 januari 2026 te Tuitjenhorn, gemeente Schagen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in/uit een woning, gelegen aan [adres] een of meerdere portemonnees en/of bankpassen en/of identiteitsbewijzen en/of een geldbedrag en/of een autosleutel, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [de benadeelde partij 1] en/of [de benadeelde partij 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door met (een) sleutel(s) tot het gebruik waarvan hij,
verdachte en/of zijn mededader(s) niet gerechtigd was/waren, de voordeur te openen;

feit 2:

hij op of omstreeks 16 januari 2026 te Tuitjenhorn, gemeente Schagen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een personenauto (merk [merk] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [de benadeelde partij 1] en/of [de benadeelde partij 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen personenauto onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door de auto weg te nemen met (een) sleutel(s) tot het gebruik waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) niet gerechtigd was/waren;

feit 3:

hij op of omstreeks 8 juni 2026 te Schagen, op of aan de openbare weg, te weten [de openbare weg] , in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen
- een of meer personen, te weten [de benadeelde partij 3] en/of [de benadeelde partij 4] (agent(en) bij de Eenheid Noord-Holland) welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit een of meerdere (gebroken) (stoep)tegels te gooien in de richting van die [de benadeelde partij 3] en/of [de benadeelde partij 4] en/of
- een of meer goederen, te weten (stoep)tegels, welk in vereniging gepleegde geweld
bestond uit het lostrekken van die (stoep)tegels en/of die (stoep)tegels kapot te gooien;

feit 4:

hij op of omstreeks 8 juni 2026 te Schagen [de benadeelde partij 4] en/of [de benadeelde partij 3] (agenten politie Noord-Holland) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [de benadeelde partij 4] en/of [de benadeelde partij 3] dreigend de woorden toe te voegen "Wij moeten er een schieten", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

feit 5:

hij op of omstreeks 8 juni 2026 te Sint Maartensvlotbrug, gemeente Schagen, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, [de benadeelde partij 5] en/of [de benadeelde partij 6] en/of [de benadeelde partij 7] , werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, te weten ter aanhouding van verdachte door zijn armen en/of lichaam in de tegengestelde richting te bewegen.

Parketnummer: 15/142082-26

hij op of omstreeks 11 oktober 2025 te Schagen een scooter, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [de benadeelde partij 8] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [de benadeelde partij 8] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [de benadeelde partij 8] een of meermalen met kracht te duwen tegen het lichaam;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 11 oktober 2025 tot en met 9 november 2025 te Schagen, in elk geval in Nederland, een scooter, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen geldig zijn, zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaken, de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 15/142082-26 ten laste gelegde en tot bewezenverklaring van de onder 15/016747-26 ten laste gelegde feiten.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak van het onder 15/016747-26 feiten 1, 2 en 4 en onder 15/142082-26 ten laste gelegde bepleit. De verdediging heeft zich ten aanzien van het onder 15/016747-26 feiten 3 en 5 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Vrijspraak 15/142082-26
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen wat de verdachte ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Het dossier bevat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat duidt op betrokkenheid van de verdachte bij de diefstal dan wel heling van de scooter. Op de camerabeelden van de diefstal is volgens de verbalisant te zien dat een aantal jongens aanwezig zijn bij de diefstal en dat ‘persoon 3’ de scooter daadwerkelijk heeft weggenomen. De verdachte wordt echter niet herkend op de camerabeelden. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat zich in het dossier twee de auditu-verklaringen van nichtjes van het slachtoffer bevinden. De nichtjes hebben de betrokkenheid van de verdachte bij de tenlastegelegde feiten niet zelf waargenomen, maar zouden dit – net als de aangever – hebben gehoord van de verdachte. Volgens vaste rechtspraak kunnen de auditu-verklaringen in potentie doorslaggevend bewijs vormen. In dit geval is de rechtbank echter van oordeel dat de de auditu-verklaringen onvoldoende concrete informatie bevatten om de verdachte te plaatsen op de plek waar de scooter gestolen of geheeld zou zijn. Het vermeende contact tussen het slachtoffer en de verdachte en zich in het dossier bevindende (gesproken) berichten, leveren eveneens onvoldoende bewijs van betrokkenheid van de verdachte op. Ook in het geval van het slachtoffer gaat het om een niet concrete de auditu-verklaring en daarnaast is niet komen vast te staan dat de berichten van de verdachte afkomstig zijn. Bij gebrek aan ander bewijs, is de rechtbank daarom van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit.

3.3.2.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 15/016747-26 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

3.3.3.

Bewijsmotivering 15/016747-26 feiten 1 en 2

Op basis van het dossier en het onderzoek op de terechtzitting, stelt de rechtbank het volgende vast.

Bij een inbraak in een seniorenwoning in Tuitjenhorn zijn diverse spullen van de slachtoffers, waaronder hun portemonnees met inhoud waaronder bankpasjes en autosleutel, gestolen. Naar alle waarschijnlijk is daarbij gebruik gemaakt van de huissleutels van de bewoonster die zij eerder kwijt is geraakt. De deuren van de woning bevatten namelijk geen braaksporen. De inbraak moet zijn gepleegd tussen 15 januari 2026 23.30 uur en 16 januari 2026 03.45 uur. Ook is die nacht de auto van de slachtoffers gestolen, een [merk] met kentekenplaat [kenteken] . Om 06.11 uur ontvangt de politie een ANPR-hit van deze auto en kentekenplaat, waaruit blijkt dat de auto rijdt komend vanuit Breezand richting Den Helder. Als verbalisanten vervolgens direct gaan zoeken naar voornoemd voertuig treffen zij op [de openbare weg] in Anna Paulowna een auto van het merk [merk] aan zonder kentekenplaten. De ter plaatse gekomen eigenaar meldt dan dat zijn kentekenplaten [kenteken] zijn gestolen, wat gebeurd moet zijn in de nacht van 15 op 16 januari 2026. Op 16 januari 2026 om 07.02 uur ontvangt de politie een ANPR-hit van een [merk] met het gestolen kentekenplaat [kenteken] , die rijdt richting Alkmaar. Dit blijkt later de [merk] te zijn die is gestolen vlakbij de seniorenwoning. Om 08.18 uur rijdt deze auto ter hoogte van Spaarndam. Niet lang daarna wordt de auto door de politie achtervolgd en komt de auto uiteindelijk – na een gevaarlijke achtervolging – tot stilstand. De bestuurder en bijrijder, de verdachte, rennen weg van de politie, maar worden kort daarna aangehouden. Bij de bestuurder wordt de gestolen bankpas van aangever [de benadeelde partij 2] aangetroffen. In de auto worden de gestolen portemonnee, identiteitsbewijs en bankpas van aangever [de benadeelde partij 2] gevonden. Ook liggen de twee kentekenplaten [kenteken] in de auto. Bij de verdachte wordt op het politiebureau in zijn jas de sleutelbos van aangeefster aangetroffen.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de tenlastegelegde diefstal in de woning en van de auto. De rechtbank overweegt als volgt.

Voor een veroordeling voor medeplegen moet vast komen te staan dat bij het begaan van de feiten sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de mededader. Ook indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn mededader. De bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal ook dan van voldoende gewicht moeten zijn. Daarnaast geldt een dubbel opzetvereiste. De verdachte moet zowel opzet op de onderlinge samenwerking met de mededader hebben gehad, als opzet op het gronddelict: in dit geval de diefstal in de woning en van de auto.

De rechtbank is van oordeel dat het dossier voldoende wettig en overtuigend bewijs bevat waaruit blijkt dat de verdachte de diefstal uit de woning en de daarop volgende diefstal van een auto samen met een ander heeft gepleegd.

Uit het dossier is op te maken dat de verdachte en de bestuurder van de gestolen [merk] in de nacht van 15 op 16 januari 2026 online contact met elkaar hebben gehad. De rechtbank gaat er vanuit dat de twee verdachten samen zijn geweest vanaf het moment waarop hun onderlinge online contact stopt, omdat uit hun chatberichten blijkt dat de verdachte aan de medeverdachte doorgeeft waar hij op dat moment is (“Bij die café in Sint-Maarten”) en het kennelijk een tijdje duurt voordat hij door medeverdachte wordt opgehaald (“vanaf waar moet je hierheen rijden fakka”). Het onderlinge online contact stopt om 01.57.12 uur. Dit tijdstip valt precies in het tijdsbestek waarin de diefstallen bij de seniorenwoning zijn gepleegd. Volgens de verdachte is hij door de medeverdachte bij zijn woning opgehaald, zijn zij vervolgens naar coffeeshop Boerejongens in Amsterdam gereden, waarna zij op de terugweg werden achtervolgd door de politie. De lezing van de verdachte houdt in dat de verdachten direct vanaf de woning van de verdachte naar deze coffeeshop in Amsterdam toe zijn gereden. Die lezing komt echter niet overeen met het tijdstip waarop het online contact tussen de verdachten stopt, de vastgestelde ophaallocatie van de verdachte in Sint Maarten, de gebruikelijke reistijd tussen Sint Maarten en Amsterdam en de tijdstippen van de ANPR-hits in de daarop volgende vroege ochtend. De verdachte verklaart verder dat hij niets wist van de diefstallen, terwijl na de insluiting is gebleken dat de verdachte de huissleutels van de getroffen woning bij zich droeg en uit nader onderzoek is gebleken dat in de gestolen auto gestolen goederen uit de woning en de originele kentekenplaten van de auto zijn aangetroffen. De rechtbank acht de verklaring van de verdachte dat hij de sleutels ‘uit stress’ zou hebben meegenomen uit de auto toen de auto waarin zij reden na een achtervolging door de politie crashte en dat hij niet van de diefstallen wist dan ook onaannemelijk.

Nu de rechtbank tot de conclusie komt dat de verdachten vanaf 01.57 uur samen zijn geweest, zij samen – niet lang na de woninginbraak en diefstal van de auto – in de gestolen auto gezien zijn door de politie, de verdachte de huissleutels van de getroffen woning bij zich droeg op het moment waarop hij werd aangehouden, de medeverdachte op het moment van aanhouding de bankpas van een van de slachtoffers in zijn jaszak droeg, in de auto de originele kentekenplaten van de auto lagen en de onaannemelijke verklaring van de verdachte hierover, komt de rechtbank dan ook, gelet op het voornoemde in onderlinge samenhang bezien, tot de conclusie dat de verdachte de tenlastegelegde diefstallen tezamen en in vereniging met een ander heeft gepleegd.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 15/016747-26 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 1:

hij op 16 januari 2026 te Tuitjenhorn, gemeente Schagen tezamen en in vereniging met een ander, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd uit een woning, gelegen aan [adres] meerdere portemonnees en bankpassen en identiteitsbewijzen en een geldbedrag en een autosleutel, die aan [de benadeelde partij 1] en/of [de benadeelde partij 2] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door met sleutels tot het gebruik waarvan hij, verdachte en zijn mededader niet gerechtigd waren, de voordeur te openen;

Feit 2:

hij op 16 januari 2026 te Tuitjenhorn, gemeente Schagen tezamen en in vereniging met een ander een personenauto (merk [merk] ), die aan [de benadeelde partij 2] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader die weg te nemen personenauto onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door de auto weg te nemen met een sleutel tot het gebruik waarvan verdachte en zijn mededader niet gerechtigd waren;

Feit 3:

hij op 8 juni 2026 te Schagen, op of aan de openbare weg, te weten [de openbare weg] , openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen
- personen, te weten [de benadeelde partij 3] en [de benadeelde partij 4] (agenten bij de Eenheid Noord-Holland), welk in vereniging gepleegd geweld bestond uit meerdere (gebroken) (stoep)tegels te gooien in de richting van die [de benadeelde partij 3] en [de benadeelde partij 4] en
- goederen, te weten (stoep)tegels, welk in vereniging gepleegd geweld
bestond uit het lostrekken van die (stoep)tegels en die (stoep)tegels kapot te gooien;

Feit 4:

hij op 8 juni 2026 te Schagen [de benadeelde partij 4] of [de benadeelde partij 3] (agenten politie Noord-Holland) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [de benadeelde partij 4] en [de benadeelde partij 3] dreigend de woorden toe te voegen "Wij moeten er een schieten";

Feit 5:

hij op 8 juni 2026 te Sint Maartensvlotbrug, gemeente Schagen, zich met geweld heeft verzet tegen een ambtenaar, te weten [de benadeelde partij 6] en [de benadeelde partij 7] , werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten ter aanhouding van verdachte door zijn armen en lichaam in de tegengestelde richting te bewegen.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens wat tijdens de zitting is besproken, is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels.

Feit 2: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

Feit 3: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen.

Feit 4: bedreiging met zware mishandeling.

Feit 5: wederspannigheid.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

6 Motivering van de sancties

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 102 dagen met aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met de bijzondere voorwaarden zoals ter terechtzitting geadviseerd door de Raad en de jeugdreclassering. De officier van justitie heeft daarbij de dadelijke uitvoerbaarheid van deze bijzondere voorwaarden gevorderd. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot het verrichten van een werkstraf voor de duur van 150 uur, subsidiair 75 dagen jeugddetentie. Ook vordert de officier van justitie het bevel voorlopige hechtenis op te heffen.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit om de verdachte te veroordelen tot een lagere werkstraf en aan te sluiten bij het advies van de Raad.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan maar liefst vijf verschillende strafbare feiten. Hij heeft zich samen met een medeverdachte schuldig gemaakt aan een diefstal van verscheidene goederen uit een woning gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd. Extra kwalijk acht de rechtbank dat de verdachte en zijn medeverdachte hebben ingebroken in een seniorenwoning, waar vaak – zo ook in dit geval – kwetsbare oudere personen wonen. De inbraak hebben zij gepleegd door gebruik te maken van de sleutels van deze woning zonder dat zij daartoe gerechtigd waren. Eén van de uit die woning weggenomen goederen betrof de autosleutel, waarmee vervolgens de bijbehorende auto is gestolen. De verdachten hebben hiermee inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van een echtpaar op leeftijd en hebben hiermee laten zien alleen uit te zijn geweest op financieel gewin zonder na te denken over de gevolgen voor de slachtoffers. Dergelijke feiten veroorzaken gevoelens van angst en onveiligheid voor de maatschappij in het algemeen en voor de slachtoffers in het bijzonder. Dit blijkt ook uit de door de zoon van de slachtoffers beschreven impact die de diefstal op zijn ouders heeft gehad. Zijn moeder is dementerend en was na de inbraak nog meer in de war geraakt en angstig geworden.


Daarnaast heeft de verdachte openlijk en in vereniging geweld gepleegd tegen goederen en tegen twee politieambtenaren in functie en hen bedreigd met een misdrijf die tegen het leven was gericht. De verdachten hebben stoeptegels uit het trottoir gehaald, deze stuk gegooid en de stukken vervolgens in de richting van de agenten gegooid. Toen de politie de verdachte hiervoor diezelfde dag wilde aanhouden heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan wederspannigheid. De verdachte heeft zich tegen zijn aanhouding verzet.

Politieambtenaren verrichten een publieke taak. De verdachte heeft laten zien dit niet te respecteren. Door zo te handelen heeft hij de politieambtenaren gehinderd in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. Daarnaast is algemeen bekend dat personen die geconfronteerd worden met geweld gevoelens van angst kunnen ondervinden. Dit geldt net zo zeer voor politieambtenaren. Uit de vorderingen tot schadevergoeding die twee politieambtenaren hebben ingediend, blijkt ook dat zij tot op de dag van vandaag last hebben van wat die nacht is gebeurd.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 13 juli 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld tot een werkstraf voor gelijksoortige feiten. Dit heeft de verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden te recidiveren.

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 25 augustus 2026 van [raadsonderzoeker] , als raadsonderzoeker verbonden aan de Raad voor de Kinderbescherming.

De Raad adviseert de verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf en een geheel voorwaardelijke jeugddetentie onder een aantal dadelijk uitvoerbaar te verklaren bijzondere voorwaarden. Deze voorwaarden betreffen het hebben en behouden van een dagbesteding, houden aan de elektronische monitoring voor de duur van drie maanden, een contactverbod met de medeverdachten voor de duur van zes maanden en een meldplicht.

Ter terechtzitting heeft de Raad, na overleg met de jeugdreclassering, het advies gewijzigd in die zin dat De Jeugd- en Gezinsbeschermers in plaats van Reclassering Nederland de opdracht moet worden gegeven om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden. Daarnaast dienen diagnostiek en behandeling bij De Waag en een avondklok van 19.00 tot 07.00 uur onder regie van de jeugdreclassering als bijzondere voorwaarden aan het advies te worden toegevoegd.

De rechtbank acht het net als de Raad zorgelijk dat de verdachte tijdens zijn schorsing en zelfs tijdens het overtreden van zijn avondklok strafbare feiten heeft gepleegd. De verdenking van de feiten gepleegd op 8 juni 2026 hebben geleid tot een opheffing van zijn schorsing en uiteindelijk tot strengere schorsingsvoorwaarden. Daar komt bij dat de verdachte de meeste bewezenverklaarde feiten consequent ontkent, zodat een delictbespreking tijdens zijn schorsingen niet mogelijk is geweest en er dan ook geen inzicht is verkregen in de beweegredenen van de verdachte. De verdachte laat hiermee zien geen verantwoordelijkheid te (willen) nemen voor zijn daden. De rechtbank houdt daarom rekening met een hoog recidiverisico.

Daar staat tegenover dat de verdachte een goede band heeft opgebouwd met zijn jeugdreclasseerder en coach en hij zich begeleidbaar opstelt. Om de kans op recidive te verminderen, acht de rechtbank daarom (in lijn met de standpunten van de verdediging, de officier van justitie, de Raad en de jeugdreclassering) bijzondere voorwaarden die zien op begeleiding, behandeling en diagnostiek noodzakelijk. Datzelfde geldt voor een avondklok en een contactverbod met de medeverdachten. De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf verder rekening gehouden met het feit dat de verdachte sinds 19 juni 2026 een enkelband draagt. De rechtbank geeft dan ook mee dat het continueren van de enkelband in de vorm van een bijzondere voorwaarde bedoeld is als afbouwperiode, zoals de jeugdreclasseerder ter terechtzitting heeft toegelicht.

Nu de verdachte in korte tijd betrokken is geraakt bij het plegen van drie feiten die zich richten tegen politieambtenaren, lijkt een patroon zichtbaar waarbij de verdachte moeite heeft met het accepteren van (publiek) gezag. De rechtbank gaat er vanuit dat de jeugdreclassering dit ontwikkelpunt zal betrekken bij de verdere begeleiding en behandeling van de verdachte.

Conclusie

Gelet op de ernst van de feiten acht de rechtbank geen andere straf op zijn plaats dan een van vrijheidsbeneming. De rechtbank is echter van oordeel dat het onwenselijk is om de verdachte te laten terugkeren naar de justitiële jeugdinrichting (JJI) vanwege de ontwikkeling die de verdachte tijdens zijn tweede schorsingsperiode heeft laten zien. De rechtbank zal het onvoorwaardelijke gedeelte van de jeugddetentie daarom gelijk stellen aan het door de verdachte al ondergane voorarrest. Naar het oordeel van de rechtbank doet de eis van de officier van justitie voldoende recht aan de ernst van de bewezen verklaarde feiten, zodat de rechtbank daarbij zal aansluiten. Omdat de rechtbank het voorarrest van de verdachte vaststelt op 16 dagen, komt de rechtbank tot een iets hoger aantal dagen onvoorwaardelijke jeugddetentie (106) dan zoals geëist door de officier van justitie (102).

Alles afwegende is de rechtbank dan ook van oordeel dat een jeugddetentie van 106 dagen moet worden opgelegd, met aftrek van de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan, groot 90 dagen, vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Daarnaast acht de rechtbank verplicht contact met de jeugdreclassering, diagnostiek en daaruit voortvloeiende behandeling bij De Waag, een contactverbod met de medeverdachten, een avondklok en elektronische monitoring noodzakelijk. Voorwaarden van die strekking zullen aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.

Dadelijke uitvoerbaarheid voorwaarden

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van meerdere personen, te weten verbalisanten [de benadeelde partij 4] en [de benadeelde partij 3] . Gelet op het hoge recidiverisico, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Alles afwegende is de rechtbank daarnaast van oordeel dat een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 150 uren moet worden opgelegd. Op die manier ervaart de verdachte ook direct na het uitspreken van dit vonnis de consequenties van zijn handelen. De rechtbank sluit hiermee ook aan bij de eis van de officier van justitie en gaat voorbij aan het pleidooi om de verdachte slechts te veroordelen tot een lage(re) werkstraf.

7 Vorderingen benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

7.1.

Vorderingen van de benadeelde partijen [de benadeelde partij 4] en [de benadeelde partij 3]

De benadeelde partij [de benadeelde partij 4] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.500,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van de ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

Daarnaast heeft de benadeelde partij [de benadeelde partij 3] een vordering tot schadevergoeding van € 1.500,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van de ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

7.1.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van beide

benadeelde partijen volledig kunnen worden toegewezen, vermeerderd met de

wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.

7.1.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair bepleit de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, omdat er uit het dossier onvoldoende blijkt dat de aard en de ernst van het voorval er toe lijdt dat psychisch letsel is ontstaan. Er is niet zonder meer sprake van het ontstaan van psychisch letsel als er met stenen wordt gegooid. Zo blijkt onvoldoende uit het dossier op welke wijze de stenen zijn gegooid. Subsidiair bepleit de verdediging om bij toewijzing van immateriële schadevergoeding het gevorderde bedrag te matigen.

7.1.3.

Het oordeel van de rechtbank

Voor vergoeding van immateriële schade is een wettelijke grondslag vereist, zoals vermeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Eén van de gevallen waarin de wet recht geeft op vergoeding van immateriële schade volgt uit artikel 6:106, aanhef en onder b, BW. Uit dit artikel vloeit voort dat een benadeelde partij recht heeft op een vergoeding van immateriële schade indien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De vorderingen van de benadeelde partijen zijn op deze laatste grondslag gebaseerd.

Uit rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als de benadeelde partij geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden vastgesteld, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending (het bewezen verklaarde feit) en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij, meebrengen dat sprake is van de bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. In een dergelijk geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zó voor de hand liggen, dat ook zonder nadere onderbouwing een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

De rechtbank is van oordeel dat beide benadeelde partijen in dit geval onvoldoende feiten en omstandigheden hebben aangevoerd waaruit blijkt dat één van deze grondslagen voor immateriële schadevergoeding van toepassing is. De omstandigheden dat zij als gevolg van het bewezenverklaarde zijn geschrokken, slaapproblemen hebben (gehad) en gevoelens van onrust en onveiligheid hebben ervaren waardoor zij tevens minder goed in staat zijn geweest om (met plezier) hun werk te verrichten vormen, hoe voorstelbaar ook, onvoldoende grond om te kunnen stellen dat daarmee sprake is van geestelijk letsel of dat de benadeelde partijen op andere wijze in hun persoon zijn aangetast. Van een uitzonderlijke situatie waarin geen onderbouwing nodig is, is in dit geval, waar het gaat om een bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht en openlijk geweldpleging, geen sprake.

De rechtbank zal daarom bepalen dat de vorderingen van de benadeelde partijen [de benadeelde partij 4] en [de benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk zijn.

De benadeelde partijen kunnen de vordering desgewenst aan de burgerlijke rechter

voorleggen.

7.2.

Vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij 8]

De benadeelde partij [de benadeelde partij 8] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit de kosten van de scooter Piaggio C25 ter hoogte van € 2.210,-. Met betrekking tot de immateriële schade vordert de benadeelde partij € 350,- wegens gevoelens van angst.

7.2.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de benadeelde partij niet-

ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering wegens vrijspraak van het ten laste

gelegde feit.

7.2.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.

7.2.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank verklaart de benadeelde partij [de benadeelde partij 8] niet-ontvankelijk in de vordering, omdat de verdachte van het ten laste gelegde feit wordt vrijgesproken.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141, 180, 285 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder parketnummer 15/142082-26 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 106 (honderdzes) dagen.

Beveelt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 90 (negentig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

 zich meldt bij De Jeugd- en Gezinsbeschermers (hierna: de jeugdreclassering), gevestigd te [adres] en zich op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen blijft melden, zo frequent en zo lang de jeugdreclassering noodzakelijk acht;

  • zal meewerken aan diagnostiek en de daaruit voortvloeiende behandeling bij de Waag of een soortgelijke instelling, zolang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;

  • dagelijks vanaf 19:00 uur tot 07:00 uur op het adres [adres] verblijft, voor de duur van maximaal zes maanden of zoveel korter als de jeugdreclassering noodzakelijk acht. Eventuele uitzonderingen op en verruimingen van deze avondklok kunnen in overleg met de jeugdreclassering worden vastgesteld;

  • waarbij elektronisch toezicht wordt verbonden aan voornoemde avondklok voor de duur van maximaal drie maanden, of zoveel korter als de jeugdreclassering in overleg met de officier van justitie noodzakelijk acht;

  • op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met:

- [de medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ;

- [de medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ;

- [de medeverdachte 3] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ;
zolang de Jeugd- en Gezinsbeschermers dit noodzakelijk acht.

Stelt verder als voorwaarden dat de veroordeelde is gehouden om, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.

De rechtbank geeft opdracht aan De Jeugd- & Gezinsbeschermers, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de op grond van artikel 77z gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 77aa uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 150 (honderdvijftig) uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen jeugddetentie.

Verklaart de benadeelde partij [de benadeelde partij 8] niet-ontvankelijk in de vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.

Verklaart de benadeelde partij [de benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in de vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.

Verklaart de benadeelde partij [de benadeelde partij 4] niet-ontvankelijk in de vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.M. ten Bos, voorzitter,

mr. A.K. Mireku en mr. M.E. Kleijn, rechters, allen tevens kinderrechter,

in tegenwoordigheid van de griffiers mr. D.A.C. Sinnige en mr. P.M. van der Linden,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 15 september 2026.