Strafprocesrecht

Vrijspraak poging doodslag en bewezenverklaring van zware mishandeling. Beroep op putatief noodweer…

Rechtbank Noord-Holland, 13 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 13 oktober 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafprocesrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Alkmaar
Datum uitspraak
13 oktober 2026
Datum publicatie
6 november 2026
Zaaknummer
15/316391-25 (P)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:15147
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vrijspraak poging doodslag en bewezenverklaring van zware mishandeling. Beroep op putatief noodweer verworpen. Jeugddetentie gelijk aan voorarrest en onvoorwaardelijke werkstraf. Vordering benadeelde partij deels toegewezen met schadevergoedingsmaatregel. Benadeelde partij ten aanzien van toekomstige schade niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd

Locatie Alkmaar

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer: 15/316391-25 (P)

Uitspraakdatum: 13 oktober 2026

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 29 september 2026 in de zaak tegen:

[de verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, [officier van justitie] , en van wat naar voren is gebracht door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.C. van Megen, kantoorhoudende te Amsterdam, [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] namens De Jeugd- & Gezinsbeschermers (hierna te noemen: de jeugdreclassering) en de ouders van de verdachte.

Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad), de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij] en wat ter toelichting daarop door en namens hem door mr. C.C.J. Tuip, advocaat kantoorhoudende te Amsterdam, is aangevoerd.

1 Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

primair:
hij op of omstreeks 9 november 2025 te Volendam, gemeente Edam-Volendam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [de benadeelde partij] , van het leven te beroven,

die [de benadeelde partij] naar de grond heeft getrokken en/of die [de benadeelde partij] (vervolgens), terwijl voornoemde [de benadeelde partij] op de grond lag, een of meermalen, met kracht tegen zijn hoofd en/of gezicht heeft geslagen/gestompt en/of met kracht en met geschoeide voet, tegen zijn hoofd en/of gezicht, in elk geval tegen zijn lichaam, heeft geschopt en/of getrapt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:
hij op of omstreeks 9 november 2025 te Volendam, gemeente Edam-Volendam, aan een ander, te weten [de benadeelde partij] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door die [de benadeelde partij] naar de grond te trekken en/of die [de benadeelde partij] (vervolgens), terwijl voornoemde [de benadeelde partij] op de grond lag, een of meermalen, met kracht tegen zijn hoofd en/of gezicht te slaan/stompen en/of met kracht en met geschoeide voet, tegen zijn hoofd en/of gezicht, in elk geval tegen zijn lichaam, te schoppen en/of trappen;

meer subsidiair:
hij op of omstreeks 9 november 2025 te Volendam, gemeente Edam-Volendam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [de benadeelde partij] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [de benadeelde partij] naar de grond heeft getrokken en/of die [de benadeelde partij] (vervolgens), terwijl voornoemde [de benadeelde partij] op de grond lag, een of meermalen, met kracht tegen zijn hoofd en/of gezicht heeft geslagen/gestompt en/of met kracht en met geschoeide voet, tegen zijn hoofd en/of gezicht, in elk geval tegen zijn lichaam, heeft geschopt en/of getrapt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag en bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het primair (poging tot doodslag), subsidiair (zware mishandeling) en meer subsidiair (poging tot zware mishandeling) tenlastegelegde moet worden vrijgesproken, omdat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het raken van het hoofd van de verdachte. Ook is de verdediging van mening dat het letsel van de aangever niet kan worden gekwalificeerd als van zwaar lichamelijk letsel.

Mocht de rechtbank toch tot een bewezenverklaring komen van een van de ten laste gelegde varianten, dan heeft de raadsvrouw betoogd dat de verdachte een beroep op putatief noodweer toekomt

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Vrijspraak ten aanzien van het primair tenlastegelegde
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen wat de verdachte onder primair ten laste is gelegd, zodat hij van de poging tot doodslag moet worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt daartoe dat voor een poging tot doodslag opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, op de dood van het slachtoffer is vereist. Uit het dossier en wat op de zitting naar voren is gekomen kan niet worden afgeleid dat de verdachte de bedoeling had om het slachtoffer om het leven te brengen; er is dan ook geen sprake van ‘vol’ opzet op de dood van het slachtoffer. Voor voorwaardelijk opzet is evenmin voldoende bewijs, omdat niet kan worden vastgesteld dat de kans dat het slachtoffer als gevolg van het handelen van de verdachte zou komen te overlijden aanmerkelijk was en de verdachte die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard.

3.3.2.

Redengevende feiten en omstandigheden ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder subsidiair tenlastegelegde op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

3.3.3.

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde

Opzet op zwaar lichamelijk letsel

Anders dan door de verdediging is bepleit is de rechtbank van oordeel dat de verdachte (minimaal) voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer. Het met de vuist stompen en met geschoeide voet schoppen tegen het hoofd van het slachtoffer dat op de grond lag, levert naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke en reële kans op zwaar lichamelijk letsel op. Het hoofd – met daarin de hersenen – is een zeer kwetsbaar gedeelte van het lichaam en het is algemeen bekend dat als er fors geweld tegen het hoofd plaatsvindt, de aanmerkelijke kans bestaat dat zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht. Naar het oordeel van de rechtbank zijn voornoemde handelingen van de verdachte, zeker nu het slachtoffer hierbij op de grond lag, naar hun uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op het bewerkstelligen van zwaar lichamelijk letsel, dat hieruit volgt dat de verdachte die aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard. Als al sprake zou zijn van de omstandigheid dat het slachtoffer wilde opstaan op het moment dat de verdachte schopte en zijn hoofd daardoor ‘toevallig’ in de baan van de schop is beland, zoals door de verdediging is aangevoerd, is dit het risico dat de verdachte bewust heeft genomen door op zo’n korte afstand een op de grond liggend slachtoffer te schoppen.

Zwaar lichamelijk letsel

De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het letsel dat het slachtoffer door het handelen van de verdachte heeft opgelopen, kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel.

Volgens de Hoge Raad moet bij de beoordeling of sprake is van zwaar lichamelijk letsel de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op volledig herstel worden meegenomen. Het uitgangspunt daarbij is dat lichamelijk letsel als ‘zwaar’ te beschouwen is, wanneer dit letsel voldoende ernstig is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangemerkt.

Uit de onderbouwing van het verzoek tot schadevergoeding en uit de rapportage van het forensisch medisch onderzoek blijkt dat het slachtoffer licht traumatisch hersenletsel heeft opgelopen met tijdelijke verstoring van de hersenfunctie alsook een traumatische breuk van de linker onderkaak ter plaatse van de nek en met verplaatsing van de botdelen van de breuk. Het slachtoffer is door de stomp en de schop van de verdachte bewusteloos geraakt. Ook was sprake van geheugenverlies en cognitieve problemen. Het slachtoffer is een dag opgenomen geweest bij de afdeling neurologie. De weken na deze opname is het slachtoffer meerdere keren poliklinisch onderzocht, heeft hij pijnstilling en antibiotica moeten nemen en een periode van zes tot acht weken een dieet moeten volgen met enkel zacht voedsel. Na 5,5 week was ten aanzien van de kaak nog sprake van een minimale afwijking van de beet aan de voorzijde van de tanden, waarvoor het slachtoffer moest worden behandeld door een orthodontist. Het slachtoffer heeft lange tijd last gehad van aanhoudende pijnklachten van zijn kaak en hoofdpijn, duizeligheid en vermoeidheidsklachten. In verband met de aanwijzingen voor posttraumatische hoofdpijn, verstoring van het evenwichtsorgaan en functiestoornissen van de wervelkolom, is het slachtoffer enkele maanden onder behandeling geweest bij een fysio- en orofaciaal therapeut. Op dit moment, bijna 11 maanden na het incident, heeft de aangever nog altijd last van de gevolgen. Bij overbelasting kunnen nog steeds inspanningsafhankelijke hoofdpijn en duizeligheid optreden.

Gelet op de aard van het letsel, het medisch ingrijpen en de klachten die het slachtoffer tot op heden ondervindt, concludeert de rechtbank dat het toegebrachte letsel als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt.

Conclusie

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank het subsidiair ten laste gelegde feit, te weten “zware mishandeling”, bewezen acht.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat


subsidiair:
hij op 9 november 2025 te Volendam, gemeente Edam-Volendam, aan een ander, te weten [de benadeelde partij] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door, terwijl voornoemde [de benadeelde partij] op de grond lag, tegen zijn hoofd te stompen en met kracht en met geschoeide voet tegen zijn hoofd te schoppen.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

subsidiair: zware mishandeling.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5 Strafbaarheid van de verdachte

5.1.

Standpunt van de verdediging

Door de verdediging is, voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, een beroep gedaan op putatief noodweer omdat hij in de gerechtvaardigde veronderstelling verkeerde dat er sprake was van een dreigende, fysieke confrontatie waartegen hij zich moest verdedigen.

5.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verdachte geen beroep toekomt op putatief noodweer, omdat de verdachte de aanvallende partij was en zich ook geen situatie voordeed op grond waarvan de verdachte zou kunnen denken dat hij aangevallen zou worden.

5.3.

Oordeel van de rechtbank

Van putatief noodweer is sprake wanneer een verdachte verschoonbaar dwaalt over het bestaan van een noodweersituatie. Daarvan is sprake als de verdachte niet alleen kon maar redelijkerwijs ook mocht veronderstellen dat hij zich moest verdedigen op de wijze waarop hij dat heeft gedaan, omdat hij zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld of de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld.

Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan in dit geval geen sprake en hebben zich geen omstandigheden voorgedaan die de verdachte redelijkerwijs als een noodweersituatie heeft kunnen uitleggen. Uit de verklaringen van de getuigen is af te leiden dat het juist de verdachte is geweest die het slachtoffer heeft aangevallen waardoor het slachtoffer op de grond is gevallen. Toen het slachtoffer op de grond lag, heeft de verdachte de geweldshandelingen verricht. De verklaring van de verdachte dat het slachtoffer op hem af kwam lopen en hij geen kant op kon, vindt geen enkele steun in het dossier. In dit oordeel wordt de rechtbank gesterkt door de verklaring van de verdachte op de zitting dat hij weg kon gaan, maar hij het slachtoffer een schop heeft gegeven omdat hij wilde dat het slachtoffer zijn vest zou loslaten. Niet valt in te zien dat de verdachte in die omstandigheden mocht menen dat er dreigend gevaar was waartegen hij zich moest verdedigen.

Het beroep op putatief noodweer wordt daarom verworpen.

Er is ook geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6 Motivering van de sancties

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van drie (3) dagen met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht met daarnaast een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van honderdtwintig (120) uren, bij niet (naar behoren) verrichten te vervangen door zestig (60) dagen jeugddetentie.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat bij bewezenverklaring geen hogere straf moet worden opgelegd dan de drie (3) dagen die de verdachte al heeft vastgezeten, nu de schorsingsvoorwaarden voor de verdachte zeer ingrijpend zijn geweest. Indien de rechtbank van oordeel is dat er wel een aanvullende straf op zijn plaats is heeft de verdediging verzocht een geheel voorwaardelijke werkstraf op te leggen.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De aard en ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling. Hij heeft daarbij het slachtoffer, terwijl deze op de grond lag, tegen zijn hoofd gestompt en met geschoeide voet geschopt. Het slachtoffer heeft hierdoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen en uit de vordering tot schadevergoeding blijkt dat het handelen van de verdachte ingrijpende gevolgen voor het slachtoffer heeft gehad. Door zo te handelen heeft de verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Bovendien kunnen dergelijke feiten zorgen voor gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving in het algemeen en in de gemeenschap van Volendam in het bijzonder. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.

Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 17 augustus 2026, waaruit blijkt dat de verdachte nooit eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op het op 1 september 2026 over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad), waarin wordt geadviseerd om in geval van een veroordeling een taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen. De Raad geeft aan dat de verdachte de strikte voorwaarden die gekoppeld waren aan zijn schorsing heeft ervaren als straf, waardoor hij de consequenties van zijn gedrag al heeft ervaren. Het opleggen van een onvoorwaardelijke werkstraf heeft voor de verdachte volgens de Raad dan ook geen pedagogische meerwaarde meer.

De straffen

Gelet op de door de rechtspraak gehanteerde oriëntatiepunten voor jeugdigen voor dit soort feiten, is in beginsel een onvoorwaardelijke jeugddetentie op zijn plaats. Echter gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte acht de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijke jeugddetentie langer dan de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht niet op zijn plaats.

De rechtbank overweegt daartoe dat de verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen en er veel beschermende factoren zijn die maken dat zowel de jeugdreclassering als de Raad de kans op herhaling als laag inschatten. De verdachte heeft inmiddels zijn opleiding afgerond en is fulltime aan het werk als schilder. Ook heeft hij een positief sociaal netwerk en steun vanuit zijn familie. Er zijn volgens de Raad geen aanwijzingen voor onderliggende problematiek. Verder heeft de rechtbank laten meewegen dat de verdachte zich gedurende de schorsingsperiode consequent aan de gestelde, strikte, voorwaarden en afspraken gehouden heeft (waaronder huisarrest en een avondklok) en actief heeft meegewerkt aan het toezicht en de begeleiding van de jeugdreclassering en de begeleiding van de IFA-coach.

In de ernst van het bewezenverklaarde feit in combinatie met de overweging om de verdachte niet terug te sturen naar de jeugdgevangenis, ziet de rechtbank – anders dan door de verdediging is bepleit – aanleiding om daarnaast een forse onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen. De rechtbank overweegt daartoe het van belang te vinden dat de verdachte de directe gevolgen van zijn handelen ondervindt door, naast zijn werk, tijd te besteden aan het verrichten van onbetaalde arbeid.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan de verdachte een jeugddetentie voor de duur van drie (3) dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en daarnaast een taakstraf in de vorm van een werkstraf van honderdtwintig (120) uren moet worden opgelegd.

Voorlopige hechtenis

Gelet op de straf die de rechtbank aan de verdachte zal opleggen, zal de rechtbank het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

7 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

7.1.

Vordering benadeelde partij [de benadeelde partij]

De gemachtigde raadsman mr. C.C.J. Tuip heeft namens de benadeelde partij [de benadeelde partij] een vordering tot schadevergoeding van € 17.252,89 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die de benadeelde partij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De gestelde schade bestaat uit:

  • Reiskosten € 26,40

  • Eigen risico zorgverzekering € 369,61

  • Ziekenhuis daggeldvergoeding € 38,-

  • Kosten orthodontist € 1.818,88

  • Toekomstige schade € 2.500,-

Totaal materiële schade € 4.752,89

- Immateriële schade € 12.500,-

De raadsman van de benadeelde partij heeft op de zitting toegelicht dat de toekomstige schade van € 2.500,- wordt gevorderd voor het geval tegen onderhavige uitspraak hoger beroep zal worden ingediend en de mogelijk toenemende gemaakte kosten voor de benadeelde partij te kunnen vorderen.

7.1.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een totaalbedrag van € 14.752,89, bestaande uit € 2.252,89 aan materiële schade en € 12.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarbij heeft zij gevorderd de benadeelde partij wat betreft de gevorderde toekomstige schade van € 2.500,- niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.

7.1.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, gelet op de door haar bepleite integrale vrijspraak.

Subsidiair heeft de verdediging wat betreft de materiële schade naar voren gebracht dat onvoldoende duidelijk is of er een causaal verband bestaat tussen de kaakfractuur en de kosten orthodontie, omdat bij ontslag uit het ziekenhuis sprake was van een intacte occlusie. De gevorderde toekomstige schade is volgens de verdediging onvoldoende onderbouwd. Wat betreft de immateriële schade heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat deze moet worden gematigd tot een bedrag van maximaal € 4.500,- à € 6.000,-, omdat de benadeelde partij inmiddels fysiek is hersteld.

7.1.3.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 2.252,89 rechtstreeks voortvloeit uit het onder subsidiair bewezen verklaarde feit. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

  • Reiskosten € 26,40

  • Eigen risico zorgverzekering € 369,61

  • Ziekenhuis daggeldvergoeding € 38,-

  • Kosten orthodontist € 1.818,88

De rechtbank overweegt hiertoe dat de reiskosten, het eigen risico van de zorgverzekering en de ziekenhuis daggeldvergoeding kunnen worden toegewezen, nu deze kosten voldoende zijn onderbouwd en door de verdediging niet zijn betwist.

Voor wat betreft de kosten van de orthodontist constateert de rechtbank dat uit het dossier blijkt dat bij poliklinische controle op 17 december 2025 wordt vastgesteld dat de sluiting van de kaak goed is met een minimale opening aan de voorzijde. Er wordt besproken dat een tandarts met een specifieke specialisatie van de kaakgewrichten en kauwen eventueel de beet nog kan verbeteren. Uit de bij de vordering overgelegde brief van de orthodontist van 17 augustus 2026 blijkt dat de benadeelde partij zich in februari 2026 naar aanleiding van voornoemd advies heeft gemeld bij de orthodontist waarna het behandeltraject is gevolgd, waarvan nu vergoeding wordt gevorderd. Dit maakt dat naar het oordeel van de rechtbank weldegelijk sprake is van een causaal verband tussen de door het handelen van de verdachte veroorzaakte gebroken kaak en de kosten van de orthodontist; deze kosten zijn dus rechtstreekse schade.

De rechtbank zal de benadeelde partij wat betreft de gevorderde toekomstige schade niet-ontvankelijk verklaren nu niet kan worden vastgesteld of deze schade in de toekomst zal ontstaan en daarom ook geen redelijke inschatting kan worden gemaakt van de omvang daarvan.

Immateriële schade

Ook is namens de benadeelde partij een bedrag van € 12.500.- gevorderd aan immateriële schade. Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106, sub b, van het Burgerlijk Wetboek mogelijk onder meer als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij door de bewezen verklaarde zware mishandeling door de verdachte zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen waar hij nog steeds last van ondervindt, zoals hierboven al is beschreven.

De rechtbank komt vergoeding van de gevorderde immateriële schade tot een bedrag van € 8.000,- billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering, het bewezen verklaarde feit en wat op de zitting is besproken. Hierbij heeft de rechtbank gebruik gemaakt van haar schattingsbevoegdheid met inachtneming van de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend en de Rotterdamse schaal. De rechtbank merkt daarbij op dat in de Rotterdamse Schaal de psychische gevolgen reeds als relevante begrotingsfactor in de afzonderlijke categorieën zijn meegewogen, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet deze ook afzonderlijk toe te wijzen.

Conclusie

Samengevat zal de rechtbank de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toewijzen tot een bedrag van € 10.252,89, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 november 2025. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan de delen van de vordering waarin hij niet-ontvankelijk is verklaard desgewenst aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Daarnaast moet de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Als gevolg van het subsidiair bewezen verklaarde feit (kort gezegd: zware mishandeling) legt de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte op, zodat de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 10.252,89 aan de Staat moet betalen, waarbij het toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 november 2025.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

36f, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair aan hem tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het subsidiair bewezenverklaarde het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 3 (drie) dagen.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 120 (honderdtwintig) uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 60 (zestig) dagen jeugddetentie.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 10.252,89 (tienduizend tweehonderd tweeënvijftig euro en negenentachtig eurocent), bestaande uit € 2.252,89 (tweeduizend tweehonderd tweeënvijftig euro en negenentachtig eurocent) aan materiële schade en € 8.000,- (achtduizend euro) aan immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Schadevergoedingsmaatregel

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 10.252,89 (tienduizend tweehonderd tweeënvijftig euro en negenentachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 (nul) dagen gijzeling.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Beslissing voorlopige hechtenis

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Mateman, voorzitter,

mr. W.C. Oosterbroek en mr. N. Cuvelier, rechters, allen tevens kinderrechter,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.R. Mol,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 oktober 2026.

mr. Mateman en mr. E.R. Mol zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.