Strafprocesrecht
Winkeloverval, diefstal met geweld in vereniging. Deels voorwaardelijke jeugddetentie met bijzondere…
Rechtbank Noord-Holland, 13 oktober 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:15142 · Rechtbank Noord-Holland · 13 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-holland/strafrecht/strafprocesrecht/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbnho-2026-15142
Zaakgegevens
Op 13 oktober 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafprocesrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-HollandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Alkmaar
- Datum uitspraak
- 13 oktober 2026
- Datum publicatie
- 6 november 2026
- Zaaknummer
- 13/037539-26 (P)
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafprocesrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2026:15142
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Winkeloverval, diefstal met geweld in vereniging. Deels voorwaardelijke jeugddetentie met bijzondere voorwaarden, werkstraf en leerstraf Tools4U. Immateriële schade van de benadeelde partij deels (hoofdelijk) toegewezen met schadevergoedingsmaatregel. Vordering van andere benadeelde partij afgewezen wegens geen onderbouwing.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie & Jeugd
Locatie Alkmaar
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 13/037539-26 (P)
Uitspraakdatum: 13 oktober 2026
Tegenspraak
Vonnis
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 29 september 2026 in de zaak tegen:
[de verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ( [land] ),
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] .
De rechtbank Amsterdam heeft bij beslissing van 14 april 2026 de zaak, gelet de verblijfplaats van de verdachte, ter verdere behandeling naar deze rechtbank verwezen.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, [officier van justitie] , en van wat naar voren is gebracht door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. N. El Farougui, kantoorhoudende te Amsterdam, [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad), [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] namens De Jeugd- en Gezinsbeschermers (hierna te noemen: de jeugdreclassering) en de moeder van de verdachte.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van de vorderingen van de benadeelde partijen [de benadeelde partij 2] en [de benadeelde partij 3] en wat ter toelichting daarop namens [de benadeelde partij 2] door [medewerker Slachtoffer Nederland] van Slachtofferhulp Nederland is aangevoerd.
1 Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1:
hij op of omstreeks 4 februari 2026 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, één of meerdere mobiele telefoons, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [winkel] ( [adres] ) en/of [de benadeelde partij 1] en/of [de benadeelde partij 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [de benadeelde partij 1] en/of [de benadeelde partij 2] en/of [de benadeelde partij 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- met een hamer een vitrinekast kapot te slaan en/of
- een mes te richten en/of te houden op het lichaam en/of de nek van [de benadeelde partij 2] en/of
- één of meerdere malen [de benadeelde partij 1] en/of [de benadeelde partij 3] te schoppen en/of trappen.
2 Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3 Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, te weten het medeplegen van diefstal met geweld.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich wat betreft de bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, maar heeft wel verzocht de verdachte partieel vrij te spreken van het houden van het mes op de keel/het lichaam van [de benadeelde partij 2] en het schoppen of trappen tegen [de benadeelde partij 1] en [de benadeelde partij 3] .
Oordeel van de rechtbank
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
Feit 1:
hij op 4 februari 2026 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander mobiele telefoons, die aan [winkel] ( [adres] ) en/of [de benadeelde partij 1] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl deze diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen [de benadeelde partij 1] en/of [de benadeelde partij 2] en/of [de benadeelde partij 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- met een hamer een vitrinekast kapot te slaan en
- een mes te richten en gericht te houden op het lichaam en de nek van [de benadeelde partij 2] .
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
Feit 1: diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.
5 Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.
6 Motivering van de sancties
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van honderdtwintig (120) dagen, waarvan vijfenvijftig (55) dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee (2) jaren en met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarbij heeft de officier van justitie gevorderd de bijzondere voorwaarden op te leggen dat de verdachte meewerkt aan het hebben en behouden van een dagbesteding en meewerkt aan de hulpverlening vanuit de Hoofdtrainer of een soortgelijke instelling. Daarnaast heeft de officier van justitie de leerstraf Tools4U regulier gevorderd voor de duur van twintig (20) uren en een werkstraf voor de duur van honderd (100) uren, bij niet (naar behoren) verrichten te vervangen door tien (10) resp. vijftig (50) dagen jeugddetentie.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit bij een bewezenverklaring de verdachte te veroordelen tot een deels voorwaardelijke jeugddetentie die wat betreft de duur van het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest. Verder heeft de verdediging aangegeven het belang in te zien van de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden en de leerstraf Tools4U regulier. Wat betreft de door de officier van justitie gevorderde werkstraf van honderd (100) uren, heeft de verdediging verzocht deze qua duur te matigen.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek op de zitting is gebleken.
De aard en ernst van het feit
De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een overval op [winkel] in [plaats] . De verdachte heeft daarbij met een hamer een vitrine stukgeslagen om zo goederen te kunnen wegnemen, terwijl zijn mededader met een mes de winkelmedewerker heeft bedreigd. Tijdens deze overval droegen de uitvoerders gezichtsbedekkende kleding. Het is algemeen bekend dat een overval waarbij wapens, zoals een mes, worden gebruikt voor slachtoffers een zeer nare ervaring is, waarvan zij nog lang last kunnen hebben. Dit blijkt ook uit de verklaring van het slachtoffer [de benadeelde partij 2] . In de door haar ingediende vordering tot schadevergoeding geeft zij onder meer aan dat zij bang was dat zij de overval niet zou overleven. Tot op heden heeft zij nog steeds last van slaapproblemen. Ook is ze angstig om alleen thuis te zijn. Haar werkplek (in de winkel), die veilig zou moeten voelen, roept bij haar nu juist spanning en angst op. De overval heeft dus nog altijd een diepgaande en blijvende impact op haar dagelijks functioneren. Een overval waarbij grote schade in de winkel wordt aangericht zorgt bovendien ook voor veel overlast voor de betrokken winkelier. Daarnaast leiden overvallen tot gevoelens van onveiligheid en angst in de samenleving in het algemeen. De verdachte heeft op geen enkele wijze rekening gehouden met deze gevolgen en met zijn handelen laten zien slechts oog te hebben gehad voor zijn persoonlijke belangen en financieel gewin. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 17 september 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor vermogens- of geweldsdelicten is veroordeeld.
De rechtbank heeft verder acht geslagen op het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van de Raad van 16 september 2026, opgesteld door [raadsonderzoeker] . Door de Raad wordt geadviseerd om in geval van een veroordeling een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest en met oplegging van bijzondere voorwaarden. Deze voorwaarden betreffen het meewerken aan het vinden en behouden van een dagbesteding alsook aan de hulpverlening vanuit de Hoofdtrainer of een soortgelijke instelling. Tevens heeft de Raad geadviseerd een leerstaf, te weten Tools4U regulier, op te leggen. Het daarnaast opleggen van een werkstraf is uitvoerbaar, maar zou volgens de Raad enkel gericht zijn op het afstraffen; het zal voor de verdachte geen pedagogische meerwaarde hebben.
De Raad heeft dit advies op de zitting gehandhaafd, en aangevuld dat de betrokkenheid van de jeugdreclassering voor een jaar voldoende zal zijn, terwijl de proeftijd voor de andere geadviseerde bijzondere voorwaarden voor de duur van twee jaren nodig is.
De straffen
Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de door de rechtspraak gehanteerde oriëntatiepunten voor jeugdigen voor dit soort feiten, is de rechtbank van oordeel dat in beginsel geen andere straf op zijn plaats is dan een onvoorwaardelijke jeugddetentie. Echter ziet de rechtbank in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding om het onvoorwaardelijke deel van de aan de verdachte op te leggen jeugddetentie te beperken tot de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank zal daarom de jeugddetentie in een deels voorwaardelijke vorm aan de verdachte opleggen.
De rechtbank overweegt daartoe dat uit de raadsrapportage en wat op de zitting is besproken blijkt dat de verdachte zich in de schorsingsperiode positief heeft ontwikkeld. De verdachte heeft zich goed aan de schorsingsvoorwaarden gehouden en zich meewerkend opgesteld. Sinds hij weer thuis woont houdt hij zich goed aan de gemaakte afspraken en regels thuis en groeit het vertrouwen van de moeder en de stiefvader in hem. Verder heeft de verdachte zijn dagbesteding bij Turn Over opgepakt en een bijbaan geregeld. Hij is gemotiveerd om weer naar school te gaan en er wordt gezocht naar passend onderwijs voor hem. Ook is vanuit de Hoofdtrainer een coach voor de verdachte ingezet en stelt hij zich voor diens begeleiding open en meewerkend op.
Gelet op deze positieve lijn en het grote belang dat deze ontwikkeling van de verdachte niet wordt doorbroken acht de rechtbank het niet wenselijk dat de verdachte zou moeten terugkeren naar de jeugdgevangenis. Hierbij heeft de rechtbank laten meewegen dat de verdachte zeer jong is, zijn verantwoordelijkheid heeft genomen en al 65 dagen in voorarrest heeft gezeten waarna hij zich nog een lange periode heeft moeten houden aan meerdere ingrijpende schorsingsvoorwaarden, waaronder een enkelband en een avondklok.
Om de positieve ontwikkeling van de verdachte blijvend te laten zijn acht de rechtbank het van groot belang is dat de jeugdreclassering voor de duur van de volledige proeftijd betrokken blijft. De rechtbank bepaalt daarnaast dat de verdachte zich zal (blijven) inzetten voor dagbesteding en zal meewerken aan de hulpverlening. Deze zullen dan ook als bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijk deel worden verbonden.
Nu er nog wel enige zorgen bestaan op het gebied van relaties, houding en agressie ziet de rechtbank meerwaarde om, naast de deels voorwaardelijke jeugddetentie en de daaraan verbonden voorwaarden, aan de verdachte de leerstraf Tools4U regulier op te leggen. Op deze manier wordt de verdachte in staat gesteld om zijn gedrag, gedachten en emoties beter te begrijpen alsook om te leren welke situaties risicovol zijn en hoe hij op een goede manier hiervan kan weglopen.
Tot slot ziet de rechtbank in de ernst van het bewezenverklaarde feit aanleiding om ook een onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen. De rechtbank overweegt daartoe het van belang te vinden dat de verdachte de directe gevolgen van zijn handelen ondervindt door tijd te besteden aan het verrichten van onbetaalde arbeid. Bij het bepalen van de hoogte van deze werkstraf heeft de rechtbank meegenomen dat de verwachting is dat de verdachte binnenkort met passend onderwijs zal starten en hij zich gedurende de proeftijd aan meerdere bijzondere voorwaarden moet houden. Bovendien dient de verdachte de komende periode ook een leerstraf uit te voeren. Dit maakt dat de rechtbank uitkomt op een lagere werkstraf dan door de officier van justitie is gevorderd.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat passend is een jeugddetentie voor de duur van honderdtwintig (120) dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte daarvan, groot vijfenvijftig (55) dagen, vooralsnog niet ten uitvoer wordt gelegd en daaraan een proeftijd verbinden van twee (2) jaren om zo de verdachte te weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit. De rechtbank zal aan dit voorwaardelijk deel behalve de algemene voorwaarden ook de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat een leerstraf, te weten Tools4U regulier, van twintig (20) uren moet worden opgelegd en een werkstraf voor de duur van veertig (40) uren.
Voorlopige hechtenis
Gelet op de straffen die de rechtbank aan de verdachte zal opleggen, zal de rechtbank het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.
7 Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel
Vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 2]
De benadeelde partij [de benadeelde partij 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 2.150,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ook is verzocht de vordering hoofdelijk toe te wijzen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot volledige toewijzing van de vordering van de benadeelde partij voor een bedrag van € 2.150,-, vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Ook heeft hij de hoofdelijkheid gevorderd.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden gematigd tot maximaal € 1.100,-.
Oordeel van de rechtbank
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn of haar eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn of haar persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
In dit geval is naar het oordeel van de rechtbank sprake van zo’n uitzonderlijke situatie, zodat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade, nu de e benadeelde partij tijdens de overval een mes op zich gericht heeft gekregen. De rechtbank komt vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 1.750,- billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering, het bewezen verklaarde feit en het verhandelde ter terechtzitting. Hierbij heeft de rechtbank acht geslagen op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend en de Rotterdamse schaal en hetgeen in vergelijkbare zaken als vergoeding wordt opgelegd.
De vordering zal dan ook tot voornoemd bedrag worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 februari 2026 tot aan de dag der algehele voldoening.
Daarnaast moet de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.
De benadeelde partij zal ten aanzien van het overige niet-ontvankelijk worden verklaard.
Hoofdelijk
Omdat de verdachte het bewezen verklaarde feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
Als gevolg van het bewezen verklaarde feit (kort gezegd: het medeplegen van diefstal met bedreiging van geweld) legt de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte op, zodat de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 1.750,- aan de Staat moet betalen, waarbij het toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 februari 2026 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 3]
De benadeelde partij [de benadeelde partij 3] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 7.000,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ook is verzocht de vordering hoofdelijk toe te wijzen.
De gestelde materiële schade van in totaal € 5.500,- bestaat uit:
-
kwijtgeraakte horloge à € 3.500,-
-
kwijtgeraakte armband à € 2.000,-.
Als immateriële schade van in totaal € 1.500,- is vermeld: “Door pijn kon ik 10 dagen niet werken”.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering wegens gebrek aan onderbouwing.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit de vordering van de benadeelde partij af te wijzen dan wel de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, nu de vordering niet is onderbouwd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij 3] afwijzen. De vordering is op geen enkele wijze onderbouwd, waardoor onduidelijk blijft welke schade de benadeelde partij precies heeft geleden en of deze schade een rechtstreeks gevolg is van het strafbare handelen van de verdachte.
8 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 36f, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
9 Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen.
Beveelt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 55 (vijfenvijftig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee (2) jaren.
Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
-
zich zal melden bij De Jeugd- en Gezinsbeschermers, gevestigd te Heerhugowaard, en zich gedurende de proeftijd en op de door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal blijven melden, zo vaak en zo lang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;
-
zal meewerken aan het vinden, hebben en behouden van een dagbesteding, bij voorkeur in de vorm onderwijs, maar op dit moment bij Turn Over en
-
zal meewerken aan de hulpverlening vanuit de Hoofdtrainer of een soortgelijke instelling, zolang de jeugdreclassering dit nodig acht.
Geeft opdracht aan De Jeugd- en Gezinsbeschermers, gevestigd te Heerhugowaard, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Stelt verder als voorwaarden dat de veroordeelde is gehouden om, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, in de vorm van een leerstraf, te weten een Tool4U regulier, aangeboden door of namens de Raad voor de Kinderbescherming, bij niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 10 (tien) dagen jeugddetentie.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 40 (veertig) uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 20 (twintig) dagen jeugddetentie.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij 2]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 1.750,- (duizend zevenhonderdvijftig euro), bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 februari 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij 2] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de mededader is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.750,- (duizend zevenhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 februari 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 (nul) dagen gijzeling.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de mededader aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij 3]
Wijst af de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij .
Beslissing voorlopige hechtenis
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. W.C. Oosterbroek, voorzitter,
mr. M. Mateman en mr. N. Cuvelier, rechters, allen tevens kinderrechter,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.R. Mol,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 oktober 2026.
mr. Mateman is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.