RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer
Meervoudige strafkamer
Parketnummers: 15/163940-25 en 15/094940-24 (tul) (P)
Uitspraakdatum: 14 september 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 6 oktober 2025, 22 december 2025, 9 maart 2026 en 31 augustus 2026 in de zaak tegen:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Irak),
thans gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R. Visser en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. S.Ph.Chr. Wester, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 24 oktober 2024 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer omstreeks 00:00, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [het slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van goederen, te weten:
- een Samsung S23 en/of
- een OV-Chipkaart en/of
- een betaalkaart en/of
- een biljet van EUR 50 en/of
- diverse sleutels
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [het slachtoffer] en/of een derde toebehoorde(n), door die [het slachtoffer]:
- vast te binden en/of
- meermalen, althans éénmaal, met de kolf van een (vuur)wapen en/of een (hard) voorwerp in het gezicht, althans tegen het lichaam, te slaan en/of
- dreigend een (vuur)wapen te tonen en/of op hem te richten, en (vervolgens) daarbij te zeggen dat hij zou schieten indien hij niet zijn pincode en inloggevegens zou afgeven en/of
- dreigend te schieten in zijn richting en/of directe omgeving en/of
- dreigend de woorden te zeggen: "ik weet wie je bent" en/of "ik zet mensen neer die je in de gaten houden" en/of "ik schiet je dood als je aangifte doet" en/of woorden van gelijke dreigende strekking
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 24 oktober 2024 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer omstreeks 00:00, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, goederen, te weten:
- een Samsung S23 en/of
- een OV-Chipkaart en/of
- een betaalkaart en/of
- een biljet van EUR 50 en/of
- diverse sleutels
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [het slachtoffer], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [het slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [het slachtoffer]:
- vast te binden en/of
- meermalen, althans éénmaal, met de kolf van een (vuur)wapen en/of een (hard) voorwerp in het gezicht, althans tegen het lichaam, te slaan en/of
- dreigend een (vuur)wapen te tonen en/of op hem te richten, en (vervolgens) daarbij te zeggen dat hij zou schieten indien hij niet zijn pincode en inloggevegens zou afgeven en/of
- dreigend te schieten in zijn richting en/of directe omgeving en/of
- dreigend de woorden te zeggen: "ik weet wie je bent" en/of "ik zet mensen neer die je in de gaten houden" en/of "ik schiet je dood als je aangifte doet" en/of woorden van gelijke dreigende strekking".
Overwegingen
3
Beoordeling van het bewijs
3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het primair ten laste gelegde feit en tot bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde geweld, omdat er geen causaal verband is tussen de diefstal en het geweld dat door de verdachte zou zijn toegepast. Daarmee is het in de tenlastelegging genoemde geweld niet toegepast met het in artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) omschreven en vereiste oogmerk. Meer subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat het dossier onvoldoende bewijs bevat voor de ten laste gelegde aanwezigheid van een (vuur)wapen en het vastbinden van de aangever.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
3.3.2
Bewijsmotivering
Bij de beoordeling van de bewijsvragen stelt de rechtbank het volgende voorop. Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) – dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan – kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.
Verklaringen van [het slachtoffer] en van de verdachte
Aangever [het slachtoffer] (hierna: [het slachtoffer]) en de verdachte hebben verklaringen afgelegd over hetgeen in de woning van [het slachtoffer] heeft plaatsgevonden in de nacht van 24 op 25 oktober 2024. Deze verklaringen verschillen van elkaar. Zakelijk weergegeven komen hun verklaringen op het volgende neer.
[het slachtoffer] heeft verklaard dat hij in de betreffende nacht bij hem thuis een seksafspraak had met een persoon. Nu de verdachte heeft bekend deze persoon te zijn geweest, zal de rechtbank deze persoon aanduiden als de verdachte. De verdachte heeft [het slachtoffer] op enig moment vastgebonden. Hierna heeft de verdachte uit de woonkamer een vuurwapen gepakt en heeft hij [het slachtoffer] meermalen in het gezicht geslagen met de kolf van dat vuurwapen. Ook heeft de verdachte [het slachtoffer] bedreigd, waarbij hij hem onder schot heeft gehouden en met het vuurwapen in de directe omgeving van [het slachtoffer] heeft geschoten. De huls die daarbij werd verschoten, heeft [het slachtoffer] bewaard. [het slachtoffer] moest onder dreiging van het vuurwapen de pincode van zijn bankpas en de pincode van zijn telefoon aan de verdachte geven. Ook bedreigde de verdachte hem terwijl hij onder schot werd gehouden met de woorden: "Ik weet wie je bent", "Ik zet mensen neer die je in de gaten houden", "Ik schiet je door als je aangifte doet". De verdachte heeft geprobeerd geld over te boeken vanaf de rekening van [het slachtoffer]. Uiteindelijk heeft de verdachte de telefoon, de OV-kaart, de pinpas, een biljet van vijftig euro en diverse sleutels van [het slachtoffer] meegenomen en heeft hij de woning verlaten. Bij het verlaten van de woning heeft de verdachte de deur op slot gedraaid, waardoor [het slachtoffer] naakt, vastgebonden, opgesloten en gewond in zijn woning achterbleef.
De verdachte verklaart over dezelfde nacht als volgt. Tussen de verdachte en [het slachtoffer] is een discussie is ontstaan over de betaling door [het slachtoffer] aan de verdachte. De verdachte wilde voor seks met [het slachtoffer] betaald worden, [het slachtoffer] wilde dat niet. De discussie is uitgelopen op een gevecht, waarbij over en weer is geslagen en [het slachtoffer] uiteindelijk knock-out is gegaan. Uit woede en in een poging om [het slachtoffer] te dwingen hem alsnog te betalen, heeft de verdachte de telefoon, bankpas en OV-kaart van [het slachtoffer] van de tafel gepakt en bij zich gestoken. Ook heeft hij geprobeerd geld over te schrijven vanaf de bankrekening van [het slachtoffer]. Het gevecht en het wegnemen van deze spullen, stonden los van elkaar. De verdachte heeft [het slachtoffer] niet vastgebonden en hij had geen vuurwapen bij zich. De verdachte heeft geen sleutels meegenomen en heeft de woning dus ook niet afgesloten nadat hij deze had verlaten.
Betrouwbaarheid van de verklaring van [het slachtoffer]
De rechtbank beoordeelt de verklaringen van [het slachtoffer] als betrouwbaar. Hij heeft op de momenten wanneer het er toe doet, namelijk ten overstaan van de politie en rechter-commissaris, gedetailleerde en consistente verklaringen afgelegd. Hierbij heeft hij ook persoonlijke details vermeld die als ‘belastend’ voor hemzelf zouden kunnen worden beschouwd. Dat [het slachtoffer] tegenover een getuige en een arts anders en wisselend heeft verklaard over de oorzaak van zijn letsel doet, gelet ook op de ware aanleiding en de kennelijke schaamte van [het slachtoffer] daarvoor, aan de betrouwbaarheid van de ten overstaan van de politie en de rechter-commissaris afgelegde verklaringen niet af. De rechtbank gaat uit van de juistheid van deze verklaringen.
Steunbewijs voor de verklaring van [het slachtoffer]
De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de verklaringen van [het slachtoffer] voldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Deze vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend, gelet op het volgende.
Ten eerste vindt zijn verklaring gedeeltelijk steun in de verklaring van de verdachte. De verdachte heeft immers bekend in de woning van [het slachtoffer] te zijn geweest, hem te hebben geslagen en spullen van hem te hebben meegenomen. Ook heeft de verdachte bevestigd dat hij heeft geprobeerd € 1.000,00 van de rekening van [het slachtoffer] over te schrijven naar andere rekeningen. De verklaring van [het slachtoffer] vindt verder steun in de verklaring van getuige [getuige A], inhoudende dat hij [het slachtoffer] op 25 oktober 2024 op diens verzoek met een reservesleutel heeft bevrijd uit de woning en dat hij toen ernstig letsel waarnam in het gezicht van [het slachtoffer]. Het letsel is op 26 oktober 2024 ook waargenomen op de spoedeisende hulp van het Spaarne Gasthuis (Voetnoot 1). Ten derde is er steunbewijs in die zin dat [het slachtoffer] op 16 november 2024 de door hem bewaarde huls aan de politie heeft overhandigd (Voetnoot 2). Ook ziet de rechtbank steun voor de verklaring van [het slachtoffer] in het gegeven dat op 25 oktober 2024 negentien transacties vanaf de bankrekening van [het slachtoffer] zijn tegengehouden door ING, waarbij telkens is geprobeerd geld over te maken naar twee rekeningen op naam van derden (Voetnoot 3). In ieder geval één keer is geprobeerd een geldbedrag van € 1.000,00 over te boeken (Voetnoot 4). Tot slot vindt de verklaring van [het slachtoffer] steun in een chatgesprek tussen hem en de verdachte (Voetnoot 5), waaruit de rechtbank afleidt dat tussen de verdachte en [het slachtoffer] op 19 oktober 2024 ook een afspraak heeft plaatsgevonden en dat de verdachte er toen op gebrand was om voor seks betaald te krijgen.
Ongeloofwaardigheid van de verklaring van de verdachte
De verklaring van de verdachte, die hij ondanks eerdere mogelijkheden daartoe niet eerder dan op de terechtzitting van 31 augustus 2026 heeft afgelegd, geeft geen (aannemelijke) uitleg voor een aantal bevindingen in het dossier. Zo geeft de verdachte geen verklaring voor het gegeven dat hij negentien keer heeft geprobeerd geld over te maken naar bankrekeningen op naam van derden. Naar de uiterlijke verschijningsvorm heeft de verdachte hiermee geprobeerd zijn eigen identiteit te verhullen en had hij, mede gelet op de hoogte van het geldbedrag dat is getracht weg te nemen, geen andere intentie dan het wegnemen van (veel) geld van [het slachtoffer]. Evenmin heeft de verdachte een logische, hem ontlastende verklaring gegeven voor het feit dat [het slachtoffer] opgesloten in zijn woning is achtergelaten en daar met letsel is aangetroffen. Bovendien zijn de door hem gemaakte reisbewegingen na het plegen van het feit niet logisch, gelet op zijn toenmalige woon- of verblijfplaats. Daar komt bij dat de verdachte niet eenduidig heeft verklaard over het wegnemen van de goederen van [het slachtoffer].
Deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, maken dat de rechtbank de verklaring van de verdachte ongeloofwaardig acht. De rechtbank ziet zich in dit oordeel gesterkt door het op de telefoon van de verdachte aangetroffen screenshot van een Snapchat-bericht over het aanmaken van een ‘gay account’, mannen uitnodigen en ‘die hele kkr rek (de rechtbank begrijpt: rekening) plunderen’ (Voetnoot 6). De in het screenshot omschreven plannen zijn in lijn met de gebeurtenissen die [het slachtoffer] zijn overkomen.
Conclusie
De rechtbank gaat er van uit dat het incident heeft plaatsgevonden in lijn met de verklaring van [het slachtoffer]. Nu de voorwerpen van [het slachtoffer] door de verdachte zijn weggenomen, zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van de primair ten laste gelegde afpersing en de subsidiair ten laste gelegde diefstal met geweld bewezen verklaren.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij omstreeks 24 oktober 2024 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, goederen, te weten:
- een Samsung S23 en
- een OV-Chipkaart en
- een betaalkaart en
- een biljet van EUR 50 en
- diverse sleutels,
die aan [het slachtoffer] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [het slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [het slachtoffer]:
- vast te binden en
- meermalen met de kolf van een (vuur)wapen in het gezicht te slaan en
- dreigend een (vuur)wapen te tonen en op hem te richten en vervolgens daarbij te zeggen dat hij zou schieten indien hij niet zijn pincode en inloggegevens zou afgeven en
- dreigend te schieten in zijn directe omgeving en
- dreigend de woorden te zeggen: "ik weet wie je bent" en "ik zet mensen neer die je in de gaten houden" en "ik schiet je dood als je aangifte doet".
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
7
Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij [het slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 11.006,00 ingediend tegen de verdachte wegens materiële (€ 2.006,00) en immateriële (€ 9.000,00) schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.
De gestelde materiële schade bestaat uit de kosten voor de vervanging van een autosleutel, sloten, telefoon, bankpas en OV-kaart alsmede weggenomen geldbedragen (contant en via pin) en de kosten van een taxirit.
Standpunten officier van justitie en verdediging
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot vergoeding van materiële schade geheel dient te worden toegewezen en dat de gevorderde immateriële schadevergoeding kan worden toegewezen tot een bedrag van € 8.000,00. Eén en ander te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor materiële schade tot een bedrag van € 195,00 kan worden toegewezen, bestaande uit het gestolen contante geld, kosten voor vervanging van de bankpas en OV-kaart, een gepind geldbedrag en de kosten van een taxirit. Ten aanzien van de kosten voor vervanging van de telefoon, heeft de raadsman bepleit dat dit bedrag dient te worden gematigd tot € 300,00. Ten aanzien van de overige materiële posten heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen sleutels heeft weggenomen en een vergoeding voor daaruit voortvloeiende gestelde kosten daarom niet voor toewijzing vatbaar is. De benadeelde partij dient bij gebrek aan voldoende onderbouwing niet-ontvankelijk in de vordering tot vergoeding voor immateriële schade te worden verklaard.
Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de gestelde kosten voor vervanging van een autosleutel onvoldoende zijn onderbouwd en dat ten aanzien van de kosten voor vervanging van de sloten van de woning het causaal verband met het ten laste gelegde feit in een te ver verwijderd verband ligt. Ten aanzien van de gestelde immateriële schade heeft de raadsman zich subsidiair op het standpunt gesteld dat dit bedrag dient te worden gematigd tot € 3.000,00.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 1.756,00 rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. Dit betreffen alle gevorderde posten, waarbij het gevorderde bedrag voor de telefoon zal worden gematigd. In het bijzonder overweegt de rechtbank het volgende ten aanzien van de gestelde materiële schade.
De gevorderde vergoeding voor het vervangen van de autosleutel is naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd. Gelet op de in de aanvulling op de aangifte gegeven verklaring van de benadeelde partij over de kosten voor het vervangen van zijn autosleutel (Voetnoot 7), in combinatie met de ter terechtzitting door de raadsvrouw van de benadeelde partij gegeven toelichting, ziet de rechtbank geen reden om aan de gevorderde kosten en de onderbouwing daarvan te twijfelen.
Ten aanzien van de gevorderde kosten voor het vervangen van sloten van de woning, overweegt de rechtbank dat het causaal verband tussen het bewezenverklaarde feit en de gevorderde schade voldoende is gebleken. De verdachte heeft onder meer de huissleutels van de benadeelde partij weggenomen.
Met betrekking tot de gevorderde kosten voor de telefoon maakt de rechtbank gebruik van haar schattingsbevoegdheid. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat van de benadeelde partij is weggenomen een Samsung S23, welke hij heeft vervangen met een Samsung S24. Van de Samsung S23 is geen aankoopnota meer beschikbaar. Evenmin is bekend hoe oud dit toestel was op het moment dat het door de verdachte werd weggenomen. De rechtbank zal deze schadepost in redelijkheid begroten op € 300,00. Voor het overige wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering verklaard.
De rechtbank komt vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 5.000,00 billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding heeft de rechtbank acht geslagen op wat er in vergelijkbare zaken aan vergoeding wordt toegekend. Voor het overige wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering verklaard.
De vordering zal dan ook worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 6.756,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: diefstal met geweld] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
8
Vordering tot tenuitvoerlegging
Bij vonnis van 21 juni 2024 in de zaak met parketnummer 15/094940-24 heeft de politierechter in de rechtbank Noord-Holland de verdachte veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 20 dagen. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op 3 jaar bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 10 juli 2024 aan de verdachte toegezonden.
De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 6 juli 2024. De officier van justitie vordert dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.
De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering dient te worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat de verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Beslissing
De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [het slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 6.756,00, bestaande uit € 1.756,00 als vergoeding voor de materiële en € 5.000,00 als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [het slachtoffer], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [het slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 6.756,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 58 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15/094940-24 en gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) dagen, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland d.d. 21 juni 2024.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.H.E. Boomgaart, voorzitter,
mr. L. Boonstra en mr. S.J. de Vries, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.T. Sluis,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 september 2026.