Belastingrecht
IB/PVV 2023. Nabetaling Ziektewetuitkering door het UWV. Toepassing loonheffingskorting zorgt voor een flinke…
Rechtbank Noord-Nederland, 3 november 2026
ECLI:NL:RBNNE:2026:4750 · Rechtbank Noord-Nederland · 3 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-nederland/bestuursrecht/belastingrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbnne-2026-4750
Zaakgegevens
Op 3 november 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Groningen
- Datum uitspraak
- 3 november 2026
- Datum publicatie
- 6 november 2026
- Zaaknummer
- LEE 24/4487
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNNE:2026:4750
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
IB/PVV 2023. Nabetaling Ziektewetuitkering door het UWV. Toepassing loonheffingskorting zorgt voor een flinke nabetaling bij belanghebbende. De rechtbank is van oordeel dat de effectief te weinig ingehouden loonheffing in dit geval bij het UWV had moeten worden opgehaald, gelet op het evenredigheidsbeginsel (als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur).
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/4487
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 3 november 2026 in de zaak tussen
[Belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren, dienstverlening en bezwaar,
de inspecteur (gemachtigde: [naam 1] ),
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de Minister van Justitie en Veiligheid
(de Minister).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de aan belanghebbende opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2023. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of de inspecteur de nabetaling van een Ziektewetuitkering door het UWV over het jaar 2020 terecht heeft belast in het jaar van uitbetalen (2023). Belanghebbende vindt van niet. De inspecteur is van mening dat de nabetaling in fiscale zin is ‘genoten’ in 2023 en daarom terecht is belast in 2023. De rechtbank heeft in deze zaak ook een onderzoek ingesteld naar de op deze nabetaling ingehouden loonheffing.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de inspecteur de nabetaling op zich terecht heeft belast in het jaar van uitbetalen, dus in 2023. De rechtbank is door het ingestelde onderzoek tot de conclusie gekomen dat er in wezen te weinig loonheffing is ingehouden op de nabetaling, ook al heeft het UWV de loonheffing berekend met een methode die op zichzelf is toegestaan. Wel heeft het UWV binnen die methode de loonheffingskorting toegepast. Het effect daarvan is dat belanghebbende over het jaar waarin zij de nabetaling heeft ontvangen, een flink bedrag aan belasting moet (bij)betalen. Dat bedrag klopt wel als je puur en alleen naar de belastingwet van dat jaar kijkt. Toch is het wrang dat niet meteen het juiste bedrag aan loonheffing wordt ingehouden op de nabetaling. Het UWV had dat als inhoudingsplichtige wel voor elkaar kunnen krijgen. Nu dat niet gebeurd is, had dat voor de inspecteur aanleiding moeten zijn voor een belangenafweging over de vraag bij wie de te weinig geheven loonheffing zou worden opgehaald. De inspecteur heeft namelijk de keuze: naheffen bij het UWV of een aanslag opleggen aan belanghebbende. In de ogen van de rechtbank had die afweging er in dit geval toe moeten leiden dat de inspecteur bij het UWV had aangeklopt.
3. Dit probleem komt volgens de rechtbank wel vaker voor. Mensen die een nabetaling van een uitkering krijgen, ontvangen die vaak pas een jaar later (of meerdere jaren later). Door de manier waarop de wetten en regels in elkaar zitten, krijgen deze mensen eerst van de ene instantie (het UWV) voorzienbaar te veel op hun bankrekening overgemaakt, en mogen ze dat later, nadat ze aangifte inkomstenbelasting hebben gedaan, bij de andere overheidsinstantie (de Belastingdienst) weer inleveren. De rechtbank vindt dat geen goede zaak en doet een oproep aan de uitvoeringsinstanties en de wetgevende organen om dit probleem op te lossen.
4. Voor dit concrete geval is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur de te weinig ingehouden loonheffing bij het UWV had moeten ophalen (in plaats van bij belanghebbende). Het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
5. De inspecteur heeft met dagtekening 16 augustus 2024 aan belanghebbende voor het jaar 2023 een aanslag IB/PVV opgelegd naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.836.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.
De inspecteur heeft op het beroep van belanghebbende gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2025 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van de inspecteur, bijgestaan door [naam 2] . Belanghebbende is - zonder bericht van verhindering - niet op de zitting verschenen. Belanghebbende procedeert vrijwillig digitaal bij de rechtbank. De griffier van de rechtbank heeft op 7 april 2025 om 11:51 in het digitale dossier van belanghebbende een bericht geplaatst waarbij belanghebbende onder vermelding van tijd en plaats is uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van de zaak op de zitting van 16 juni 2025. Van de vrijgave van dit bericht in het digitale dossier is op hetzelfde tijdstip een geautomatiseerd notificatiebericht gestuurd aan het door belanghebbende voor dit doel opgegeven e-mailadres. Op grond hiervan neemt de rechtbank aan dat belanghebbende de uitnodiging voor de zitting op 7 april 2025 heeft ontvangen. Belanghebbende is dus tijdig en op de juiste wijze uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Daarom heeft de rechtbank de zaak behandeld.
De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst en de inspecteur de gelegenheid gegeven om nadere informatie aan te leveren. De rechtbank wilde die informatie graag hebben en de inspecteur was bereid om die bij het UWV op te vragen.
De inspecteur heeft op 11 december 2025 nadere stukken ingediend. Belanghebbende is in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren.
Partijen zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld om te verzoeken om een nadere zitting. Partijen hebben hier geen gebruik van gemaakt. De rechtbank heeft op 16 september 2026 het onderzoek gesloten.
Feiten
6. Belanghebbende heeft op 30 april 2024 haar aangifte IB/PVV 2023 ingediend met daarin een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.072, bestaande uit de volgende inkomens:
|
Werkgever |
Loonheffing |
Loon |
|
[Werkgever A] |
€ 189 |
€ 6.204 |
|
[Uitkeringsinstantie in verband met bijstand] |
€ 2.337 |
€ 11.868 |
Per brief van 22 mei 2024 heeft de inspecteur belanghebbende op de hoogte gesteld dat haar aangifte IB/PVV 2023 wordt aangepast omdat de volgende inkomensgegevens ontbreken:
|
Werkgever |
Loonheffing |
Loon |
|
UWV (01-12-22/21-12-22) |
€ 146 |
€ 874 |
|
UWV (01-10-20/31-12-20) |
€ 703 |
€ 3.890 |
De eerst genoemde post betreft de reguliere betaling van de Ziektewetuitkering van belanghebbende over december 2022.
De inspecteur heeft met dagtekening 16 augustus 2024 de aanslag IB/PVV 2023 vastgesteld overeenkomstig de brief van 22 mei 2024, naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.836.
De nabetaling van de uitkering van het UWV (6.1) over 2020 is op 4 januari 2023 op de bankrekening van belanghebbende gestort. De nabetaling over het laatste kwartaal van 2020 had het UWV aangekondigd in een betaalspecificatie van 2 januari 2023. Het gaat om een nabetaling op grond van de Toeslagenwet in verband met de Ziektewetuitkering van belanghebbende.
Naar aanleiding van de behandeling van het beroep op de zitting heeft de rechtbank besloten het onderzoek ter zitting te schorsen (5.4). In haar bericht aan partijen is onder andere het volgende opgenomen:
“Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Dit houdt in dat de zaak met zaaknummer LEE 24/4487 wordt aangehouden. Op de zitting heeft de rechtbank geconstateerd dat zij nog niet over alle benodigde informatie beschikt. Het is namelijk nog onduidelijk hoe het UWV de loonheffing over de in 2023 ontvangen nabetaling van de (Toeslagenwet in verband met de) ZW-uitkering over de periode 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2020 precies heeft berekend. Het gaat om het bedrag van € 703 aan loonheffing dat is ingehouden op de bruto nabetaling van € 3.890.
Op de zitting is het volgende afgesproken. De inspecteur vraagt de detailgegevens en specificaties van de betreffende loonberekening(en) op bij het UWV. Het gaat erom dat duidelijk wordt hoe de nabetaling precies in de loonadministratie van het UWV is verwerkt en in het bijzonder wat de grondslag is geweest voor de berekening van de ingehouden loonheffing. Als de inspecteur die gegevens compleet heeft, stuurt hij die gegevens door naar de rechtbank. Het verzoek aan de inspecteur is om daarbij zo mogelijk ook meteen een inhoudelijk standpunt in te nemen over de juistheid van de ingehouden loonheffing en de eventuele gevolgen daarvan.
(…)
Ten slotte voegt de rechtbank bij dit bericht een ‘Verzoek Bijzondere situatie huurtoeslag’ bij, dat op de zitting is besproken. [Belanghebbende] zou dit formulier kunnen invullen (waarbij de bruto nabetaling wordt vermeld in onderdeel 7) en toezenden aan (het) adres van de Dienst Toeslagen dat in het formulier staat vermeld. ”
De inspecteur heeft op 11 december 2025 inhoudelijk gereageerd en daarbij onder andere “bijlage 1 diverse e-mails met betrekking tot uw verzoek” meegestuurd. Hierin is
– voor zover hier van belang – onder andere het volgende opgenomen:
“ Actuele gegevens
Bij het berekenen van de loonheffing op nabetalingen gebruikt UWV actuele gegevens:
1. Actuele loonheffing tabellen: De tabellen van 2023 worden gebruikt bij betalingen die in 2023 worden gedaan.
2. De loonheffing op eerdere betalingen wordt actueel berekend om zo de inhouding op de nabetaling te kunnen bepalen. In deze casus wordt de loonheffing op de betalingen van € 31,76 berekend met de tabellen van 2023 en met toepassing van de loonheffingskorting (omdat toepassing van de loonheffingskorting plaatsvindt op de betaling ad € 1.296,95).”
Uit “bijlage 2 overzicht van loon en loonheffing en betalingsopgave” volgt dat er bij de oorspronkelijke uitbetaling van de uitkeringen van oktober en november 2020 geen loonheffingskorting is toegepast en bij de uitbetaling van de uitkering van december 2020 wel. In die maanden is steeds € 31,76 bruto uitgekeerd. Verder wordt uit deze bijlage duidelijk dat bij de nabetaling in 2023 van de uitkeringen over oktober, november en december 2020, telkens de loonheffingskorting is toegepast. Dat leidde tot een inhouding van loonheffing van € 234,33 per maand, samen dus € 702,99.
Beoordeling door de rechtbank
7. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de aanslag IB/PVV over het jaar 2023 niet tot een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Meer specifiek is in geschil de vraag of de inspecteur de nabetaling van het UWV over het jaar 2020 terecht heeft belast in het jaar van uitbetalen en of daarbij rekening is gehouden met het juiste bedrag aan voorheffing (ingehouden loonheffing).
Standpunten partijen
8. Belanghebbende is van mening dat de nabetaling moeten worden belast in het jaar waarop deze betrekking heeft, namelijk het jaar 2020. Daarbij voert belanghebbende aan dat het moment van uitbetalen plaats vond toen zij nog in de schuldsanering zat, waardoor zij niet op de hoogte was van de betaling (het liep via de gemeentelijke kredietbank). Verder wijst belanghebbende erop dat de nabetaling vergaande financiële gevolgen voor haar heeft, zoals het moeten terug betalen van huurtoeslag.
9. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de aanslag correct is vastgesteld, omdat belanghebbende de nabetaling heeft ontvangen in het jaar 2023 en daarmee in fiscale zin ook op dat moment heeft genoten. Hoewel er gevolgen zijn voor de huurtoeslag, maakt de huurtoeslag volgens de inspecteur geen onderdeel uit van het geschil. Verder stelt de inspecteur zich op het standpunt dat het UWV de loonheffing op een juiste manier heeft berekend, te weten volgens de herberekeningsmethode uit het Handboek loonheffingen.
Is de nabetaling van het UWV over 2020 terecht belast in het jaar van uitbetalen?
10. De rechtbank overweegt als volgt. De hoogte van de nabetaling (over de periode oktober 2020 tot met december 2020) is niet in geschil. Ook het moment waarop de nabetaling is uitbetaald, staat vast (4 januari 2023). De belastingwet werkt dan zo, dat de nabetaling pas op het moment van daadwerkelijke uitbetaling in aanmerking wordt genomen (kasstelsel, betalen = ‘genieten’). Oftewel: de hele € 3.890 moet tot het belastbaar inkomen uit werk en woning van 2023 worden gerekend. Dit is nu eenmaal het fiscale ‘genietingsmoment’ van de uitkering. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de nabetaling dan ook terecht tot het belastbaar inkomen uit werk en woning van het jaar 2023 gerekend. De rechtbank kan niets veranderen aan deze situatie, omdat dit een keuze van de belastingwetgever is geweest.
Is er voldoende loonheffing ingehouden?
11. De rechtbank merkt vervolgens het volgende op. Dat de aanslag IB/PVV 2023 voor belanghebbende tot een te betalen bedrag heeft geleid, komt niet alleen doordat de belastingwet zegt dat een nabetaling loon ineens is op het moment van nabetalen. Als er voldoende loonheffing op de nabetaling zou zijn ingehouden, is er immers niets aan de hand. De rechtbank had het vermoeden dat het UWV (te) weinig loonheffing heeft ingehouden op de nabetaling (€ 703 op € 3.890 is ongeveer 18 % en dat lijkt op het eerste gezicht aan de lage kant). Dit is niet de eerste keer dat de rechtbank dit vermoeden heeft. De rechtbank heeft daarom in deze zaak een onderzoek ingesteld naar de ingehouden loonheffing (5.4 en 6.4). Daaruit is het volgende naar voren gekomen.
12. De inhoudingsplichtige, in dit geval het UWV, heeft bij nabetalingen van tijdvakloon de keuze uit twee methoden om de in te houden loonheffing te berekenen: toepassing van de tabel voor bijzondere beloningen óf toepassing van de zogenoemde herberekeningsmethode. Uit de stukken van de inspecteur blijkt dat het UWV de herberekeningsmethode heeft toegepast. Hierbij heeft het UWV ook de loonheffingskorting toegepast (6.5).
13. De rechtbank plaatst vraagtekens bij de gemaakte keuzes van het UWV. Ten eerste de keuze voor de herberekeningsmethode in plaats van de toepassing van de tabel bijzondere beloningen. De uitkomst van de aanslag IB/PVV 2023 was voor belanghebbende een stuk minder nadelig geweest als het UWV had gekozen voor de laatstgenoemde methode. De rechtbank berekent ter illustratie (omwille van de eenvoud uitgaande van het ontbreken van een jaarloon over het voorafgaande jaar): uitkering van belanghebbende van € 1.296,95 per maand levert een herrekend jaarloon op van € 15.563,40. Dit correspondeert met het tarief in de eerste schijf van 36,93%. Bij het gebruik van de tabel bijzondere beloningen zou de toepassing van de loonheffingskorting er bij dat inkomensniveau niet toe doen. Er was dan een bedrag van € 1.436 ingehouden op de nabetaling in plaats van € 703.
14. Ten tweede de handelwijze van het UWV om bij de gebruikte herberekeningsmethode de loonheffingskorting toe te passen. Als het UWV de loonheffingskorting niet had toegepast, was er ook een minder grote bijbetaling voor belanghebbende via de aanslag IB/PVV geweest. Per maand bekeken, was er in dat geval een bedrag van € 255,84 meer loonheffing ingehouden. Ter zake van de nabetaling over drie maanden was er in dat geval € 1.470 ingehouden in plaats van € 703.
15. In beide gevallen (zie 13. en 14.) zou de inhouding van loonheffing (wel) realistisch zijn geweest. Belanghebbende zou dan niet zijn geconfronteerd met een bijheffing in de IB/PVV over de nabetaling, aangezien die nabetaling al tegen het tarief van de eerste schijf zou zijn afgerekend in de loonsfeer.
Tussenconclusie
16. De rechtbank begrijpt heel goed dat wat hiervoor is overwogen, helemaal niet gaat over wat de inspecteur van de Belastingdienst heeft gedaan. Het is in wezen kritiek op het UWV als inhoudingsplichtige. Dat het inkomen in fiscale zin is genoten in 2023 staat niet (meer) ter discussie (10.) en ook niet dat de belastingschuld voor de IB/PVV correct is berekend. In zoverre heeft de inspecteur dus niets verkeerd gedaan.
17. De rechtbank is echter wel van oordeel dat er ten onrechte loonheffingskorting is toegepast over de nabetaling. In de systematiek van de wet geldt voor de toepassing van de loonheffingskorting namelijk als uitgangspunt dat deze alleen mag worden toegepast als de werknemer verklaard heeft dat te willen. Uit de e-mail van het UWV aan de inspecteur (6.5) kan worden afgeleid dat het UWV bij de nabetaling vermoedelijk de keuze heeft gemaakt om de loonheffingskorting toe te passen, omdat die over december 2020 ook was toegepast. Uit het dossier blijkt niet dat belanghebbende een verzoek heeft gedaan ten aanzien van de nabetaling. Ook valt niet uit de stukken af te leiden dat het UWV navraag heeft gedaan bij belanghebbende of zij de loonheffingskorting wilde toepassen op de nabetaling. Verder volgt uit de informatie van het UWV dat over oktober en november 2020 destijds geen loonheffingskorting is toegepast.
18. Dat er over de nabetaling loonheffingskorting wordt toegepast, acht de rechtbank niet logisch. Door toepassing van de loonheffingskorting heeft het UWV in wezen drie ‘maandtranches’ aan algemene heffingskorting toegekend. Maar in het jaar van uitbetalen zal er zeer waarschijnlijk ook ander inkomen zijn, waarbij er al rekening wordt gehouden met de algemene heffingskorting. In Nederland is er namelijk altijd een vangnet aanwezig in de vorm van bijvoorbeeld een uitkering op grond van de Participatiewet (zoals in dit geval ook is gebleken). Dat er dus geen ander inkomen dan de nabetaling zou zijn, is niet logisch. Onder deze omstandigheden kan het UWV op zijn vingers natellen dat de inhouding te laag zal blijken te zijn. Het gevolg van het toch toepassen van de loonheffingskorting, is dat er vrijwel zeker dubbel rekening wordt gehouden met de algemene heffingskorting. Eigenlijk heeft het UWV drie maandtranches aan algemene heffingskorting uit 2020 extra toegekend in 2023. Hierdoor heeft belanghebbende een veel grotere nabetaling via de inkomstenbelasting voor haar kiezen gekregen, dan wanneer het UWV geen loonheffingskorting had toegepast op de nabetaling.
19. De rechtbank komt tot het oordeel dat er door toepassing van de loonheffingskorting effectief € 767 te weinig loonheffing is ingehouden.
Heeft de inspecteur de te weinig geheven loonheffing terecht bij belanghebbende nageheven?
20. Vervolgens komt de vraag op of de inspecteur de effectief te weinig ingehouden loonheffing terecht heeft verhaald op belanghebbende via de aanslag IB/PVV. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. Zij zal hierna toelichten hoe zij tot dit oordeel komt.
21. Belanghebbende is in bezwaar gegaan tegen de aanslag. Dit betekent dat er een volledige heroverweging moet plaatsvinden door de inspecteur. Bij deze heroverweging had de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank vraagtekens moeten plaatsen bij de verhouding tussen de bruto uitkering en de ingehouden loonheffing. Voor een fiscaal deskundige zou die verhouding namelijk opvallend moeten zijn. Het was dus in de bezwaarfase aan de inspecteur om achter de schermen na te gaan hoe er zo weinig loonheffing ingehouden kon zijn. De kennis over hoe de loonheffing is berekend door het UWV is nu in de beroepsfase alsnog bekend geworden. Er is naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte loonheffingskorting toegepast door het UWV, waardoor er te weinig loonheffing is ingehouden op de nabetaling. Zoals uit de rechtsoverwegingen hiervoor duidelijk is geworden, heeft deze handelwijze van het UWV ongelukkig uitgepakt voor belanghebbende in de vorm van een grotere nabetaling op de aanslag IB/PVV.
22. Het staat de inspecteur in beginsel vrij om te weinig ingehouden loonheffing te verhalen op de inhoudingsplichtige (het UWV) via een naheffing loonheffingen of bij de belastingplichtige (belanghebbende) via de aanslag IB/PVV. De inspecteur is hierbij wel gebonden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
23. In dit geval heeft de inspecteur ervoor gekozen om de (effectief) te weinig ingehouden loonheffing bij belanghebbende op te halen via de aanslag IB/PVV.
24. Bij de uitoefening van deze bevoegdheid is er is naar het oordeel van de rechtbank sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel (als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur). Onder de bijzondere omstandigheden van dit geval worden de nadelige gevolgen door belanghebbende namelijk extra zwaar gevoeld. Zij verkeert in een uitkeringssituatie, waardoor elke (terug) te betalen euro extra zwaar weegt. De inspecteur heeft in dit geval niet toegelicht wat het doel was om in eerste instantie belanghebbende aan te spreken en niet het UWV. Sterker nog, voor zover de rechtbank kan overzien, heeft op dit punt helemaal geen belangenafweging plaatsgevonden. De omstandigheden van dit geval gaven daar naar het oordeel van de rechtbank wel aanleiding voor.
25. De belangenafweging die de inspecteur moet maken bij zijn keuze (naheffen van het UWV of een aanslag opleggen aan belanghebbende) kan worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel. Bij die toetsing tellen alle omstandigheden van het geval mee. De uitkomst van de belangenafweging moet naar het oordeel van de rechtbank – net als in het door Hof Den Bosch berechte geval – in het voordeel van belanghebbende uitvallen. De voor belanghebbende nadelige gevolgen van het handelen van het UWV mogen niet voor rekening van belanghebbende komen.
26. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar rechtsoverwegingen 4.7 en verder van de uitspraak van Hof Den Bosch van 18 september 2024. De rechtbank wijst ook op de toelichting van de staatssecretaris van Financiën op de intrekking van het cassatieberoep dat was ingediend tegen die uitspraak. Hierin heeft de staatssecretaris onder andere het volgende geschreven:
“Om proceseconomische redenen geef ik er echter de voorkeur aan om te berusten in de beslissing van het Hof. De inspecteur heeft namelijk aangegeven dat de ten onrechte niet ingehouden loonbelasting alsnog bij het UWV zal worden nageheven. Het vorenstaande doet er niet aan af dat de inspecteur in voorkomende situaties zich ervan zal vergewissen in hoeverre het evenredigheidsbeginsel een bepaalde handelwijze meebrengt, waarbij de belangen van alle betrokkenen in de beschouwingen worden meegenomen.”
Vooral de laatste zin onderstreept volgens de rechtbank dat de inspecteur in situaties als deze tegen de achtergrond van het evenredigheidsbeginsel alle belangen tegen elkaar moet afwegen. Dat hier niet gebeurd.
27. De rechtbank is van oordeel dat de aanslag IB/PVV 2023 verlaagd moet worden. De inspecteur had de effectief te weinig op de nabetaling ingehouden loonheffing niet mogen verhalen op belanghebbende. De inspecteur moet daarom de aanslag IB/PVV 2023 verlagen, rekening houdend met een aanvullend bedrag aan te verrekenen loonheffing van € 768.
Huurtoeslag
28. Belanghebbende moet door de nabetaling van het UWV huurtoeslag terugbetalen. Alhoewel de rechtbank ziet dat belanghebbende hierdoor financieel benadeeld is, kan zij hier in deze procedure (tegen de aanslag IB/PVV) niets aan veranderen. De rechtbank heeft belanghebbende in haar bericht van 18 juni 2026 (6.4) gewezen op het ‘Verzoek Bijzondere situatie huurtoeslag’, dat in zulke gevallen uitkomst kan bieden.
Ten slotte
29. De aanslag IB/PVV 2023 was € 1.111. Daarvan krijgt belanghebbende door deze uitspraak € 768 terug. Alleen dat laatste bedrag heeft namelijk te maken met (de ingehouden loonheffing op) de nabetaling. Het verschil, € 343, blijft overeind. Dit verschil is waarschijnlijk veroorzaakt doordat belanghebbende in één jaar meerdere inkomensbronnen had (bijstand, [Werkgever A] , Ziektewet). Dan ontstaan vaak zulke verschillen, die zijn terug te voeren op de inhoudingen in de loonsfeer.
Conclusie en gevolgen
30. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat de aanslag IB/PVV 2023 moet worden verlaagd, waarbij de inspecteur rekening moet houden met een aanvullend bedrag aan te verrekenen loonheffing van € 768.
Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Van proceskosten die vergoed kunnen worden, is de rechtbank niet gebleken.
31. De rechtbank kent aan belanghebbende een immateriële schadevergoeding toe, omdat de procedure te lang heeft geduurd. Het bezwaarschrift is ontvangen op 5 september 2024 en we zijn ondertussen meer dan 2 jaar verder voordat er een uitspraak van de rechtbank is. Dat ligt niet aan de inspecteur, maar aan de rechtbank. Daarom moet de Minister € 500 overmaken aan belanghebbende.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- bepaalt dat de aanslag IB/PVV 2023 moet worden verlaagd tot een aanslag waarbij de inspecteur rekening houdt met een aanvullend bedrag aan te verrekenen loonheffing van € 768;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraak op bezwaar;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de Minister tot betaling van een immateriële schadevergoeding van € 500 aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Heidekamp, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Schultinga, griffier.
|
w.g. griffier |
w.g. rechter |
Uitgesproken op 3 november 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.