Belastingrecht
Naheffingsaanslag parkeerbelasting; beroep ongegrond.
Rechtbank Overijssel, 29 oktober 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:6541 · Rechtbank Overijssel · 29 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-overijssel/bestuursrecht/belastingrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbove-2026-6541
Zaakgegevens
Op 29 oktober 2026 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Rechtbank OverijsselRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Datum uitspraak
- 29 oktober 2026
- Datum publicatie
- 29 oktober 2026
- Zaaknummer
- ZWO 25/1672
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOVE:2026:6541
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Naheffingsaanslag parkeerbelasting; beroep ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1672
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats], belanghebbende
gemachtigde: [gemachtigde 1],
en
de heffingsambtenaar van de Reg. Belastingsamenwerking Deventer, Olst-Wijhe en Raalte (DOWR).
Procesverloop
1. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 7 mei 2025 het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag gehandhaafd.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift, waarop de gemachtigde van belanghebbende heeft gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 30 september 2026 ter zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigde van belanghebbende en [gemachtigde 2] als gemachtigde van de heffingsambtenaar.
Feiten
2. Op 13 februari 2025 om 15.44 uur stond de auto van belanghebbende met kenteken [kenteken] geparkeerd aan de Rijsterborgherweg te Deventer. De partner van belanghebbende was de feitelijke parkeerder. Tijdens een controle op voornoemde datum en tijdstip is geconstateerd dat voor de auto geen geldig parkeerrecht bestond. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag van € 80,16 opgelegd, bestaande uit € 1,36 aan tariefkosten en € 78,80 aan kosten van de naheffing.
De standpunten van partijen
3. Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting ten onrechte aan haar is opgelegd. Haar echtgenoot heeft de auto geparkeerd en is daarna naar de parkeerautomaat gelopen. Terwijl hij bij de parkeerautomaat stond, zag hij dat de parkeercontroleur al bij zijn auto stond. Hij heeft met zwaaibewegingen contact gemaakt met de parkeercontroleur, die een handgebaar terug maakte. Na het betalen van de parkeerbelasting kwam de echtgenoot weer bij de auto terug en zag dat er toch een naheffingsaanslag was uitgeschreven. Gelet op het tijdstip van de naheffingsaanslag (15.44 uur) en het tijdstip van het verkrijgen van het parkeerrecht (15.46 uur) is de verklaring van haar echtgenoot geloofwaardig. Er zit zeer weinig tijd tussen de naheffingsaanslag en het kopen van het parkeerkaartje. De parkeercontroleur had kunnen zien dat iemand bij de parkeerautomaat bezig was. Belanghebbende meent dat ondersteunend bewijs aan de zijde van de heffingsambtenaar ontbreekt en vraagt om een verklaring van de parkeercontroleur en om de scanfoto’s, omdat haar echtgenoot daarop wellicht is te zien.
4. De heffingsambtenaar stelt dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is geweest. Om 15.44 uur was niet aan de aangifteverplichting voor de parkeerbelasting voldaan en was er geen geldig parkeerrecht. Het proces van het uitschrijven van de naheffingsaanslag duurt ongeveer vijf minuten. Dat betekent dat de auto van belanghebbende al een aantal minuten vóór 15.44 uur aan de Rijsterborgherweg moet hebben gestaan. Het is volgens vaste jurisprudentie de verantwoordelijkheid van de parkeerder om de parkeerbelasting tijdig te voldoen, waarbij aan de parkeerder wel enige tijd mag worden gegund voor de daarvoor noodzakelijke uitvoeringshandelingen.
Navraag bij de parkeercontroleur heeft geleerd dat hij tijdens het opleggen van de naheffing niemand bij de parkeerautomaat heeft gezien. Hij heeft ook niemand zien zwaaien. De heffingsambtenaar ziet geen reden om aan de verklaring van de parkeercontroleur te twijfelen en meent dat geen sprake was van uitvoeringshandelingen ter voldoening van de parkeerbelasting. In de gemeente Deventer wordt geen pardontijd gehanteerd.
De werkwijze van de parkeercontroleurs in Deventer is dat zij kentekens scannen om te controleren of er een geldig parkeerrecht is. Op het moment dat geen geldig parkeerrecht wordt geconstateerd, checken de parkeercontroleurs of er nog personen bezig zijn met het voldoen van de parkeerbelasting (zoals het kopen van een kaartje bij de parkeerautomaat) of dat sprake is van laden en lossen, dan wel het onmiddellijk in- en uitstappen van personen. Wanneer van geen van deze situaties sprake is, gaan de parkeercontroleurs over tot het opleggen van de naheffingsaanslag. De verklaring die de parkeercontroleur heeft gegeven over de situatie, ligt in lijn met de werkwijze van de parkeercontroleurs in Deventer.
Er wordt geen gebruik gemaakt van scanauto’s. De beschikbare foto’s staan al in het brondocument.
Beoordeling door de rechtbank
5. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht aan belanghebbende heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
7. Tussen partijen is niet in geschil dat de auto van belanghebbende op 13 februari 2025 om 15.44 uur geparkeerd stond aan de Rijsterborgherweg te Deventer en dat deze locatie door het college van burgemeester en wethouders is aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd.
8. De rechtbank overweegt dat parkeerbelasting op grond van artikel 234, tweede lid, van de Gemeentewet en artikel 6, eerste lid, van de Parkeerbelastingverordening Deventer 2025 bij aanvang van het parkeren moet worden voldaan. Op grond van vaste rechtspraak moet aan de parkeerder wel enige tijd worden gegund om de parkeerapparatuur in werking te stellen. Die redelijke tijd begint direct nadat de auto wordt geparkeerd. De parkeerder moet in die tijd wel bezig zijn om de parkeerbelasting te betalen. Dat wordt in de rechtspraak aangeduid als het onverwijld en onafgebroken verrichten van uitvoeringshandelingen.
9. De rechtbank overweegt verder dat naheffing alleen mogelijk is als de belasting die op aangifte behoort te worden voldaan, geheel of gedeeltelijk niet is betaald, waardoor te weinig belasting is geheven.
10. De bewijslast dat de verschuldigde belasting niet is betaald rust op de heffingsambtenaar. De heffingsambtenaar heeft het door de parkeercontroleur op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakte brondocument overgelegd, waarin bij “Omschrijving” wordt aangegeven dat is geparkeerd zonder (zichtbaar) geldig parkeerrecht en bij “Toelichting” wordt aangegeven dat het voertuig niet is aangemeld of in de verkeerde zone staat. Bij het brondocument is fotomateriaal gevoegd, waarop geen parkeerkaartje achter de voorruit van de auto zichtbaar is. In het algemeen kan dit toereikend worden geacht en heeft de heffingsambtenaar daarmee voldaan aan de op hem rustende bewijslast dat belanghebbende de verschuldigde parkeerbelasting niet heeft voldaan.
11. Het ligt vervolgens op de weg van belanghebbende om bewijs aan te dragen voor haar stelling dat de verschuldigde parkeerbelasting wel is voldaan. Zij voert in dat kader aan dat haar echtgenoot na het parkeren van de auto naar de parkeerautomaat is gelopen en heeft moeten wachten, omdat er nog iemand vóór hem bezig was om de parkeerbelasting te betalen. Volgens haar is de parkeerbelasting om 15.46 uur voldaan, dus twee minuten ná het opleggen van de naheffingsaanslag.
12. De rechtbank is van oordeel dat daarmee vast staat dat om 15.44 uur nog niet aan de aangifteverplichting was voldaan en dat de naheffingsaanslag in zoverre terecht aan belanghebbende is opgelegd.
13. De rechtbank overweegt dat, gelet op de geschetste werkwijze van de parkeercontroleur die volgens de heffingsambtenaar ongeveer vijf minuten kost, de echtgenoot van belanghebbende de auto al rond 15.39 uur moet hebben geparkeerd. Weliswaar moet aan de echtgenoot van belanghebbende enige tijd worden gegund om aangifte van de parkeerbelasting te doen en stelt hij dat bij de parkeerautomaat heeft moeten wachten, maar dit laatste wordt door hem niet aannemelijk gemaakt door middel van een foto of op een andere wijze. De echtgenoot van belanghebbende had er ook voor kunnen kiezen om de verschuldigde parkeerbelasting via bijvoorbeeld een parkeerapp te voldoen.
14. Belanghebbende heeft verder aangevoerd dat haar echtgenoot, terwijl hij bij de parkeerautomaat stond, de parkeercontroleur bij de auto heeft zien staan en ook nog naar de parkeercontroleur heeft gezwaaid. Volgens de echtgenoot van belanghebbende heeft de parkeercontroleur in reactie daarop een handgebaar gemaakt.
15. De heffingsambtenaar heeft verklaard dat genoemde controleur desgevraagd heeft verklaard niemand te hebben zien zwaaien, ook niet bij de parkeerautomaat.
16. De rechtbank overweegt dat, naar ook blijkt uit de door de gemachtigde zelf overgelegde foto’s, onbetwist sprake is van een korte afstand tussen de geparkeerde auto en de vanaf de betreffende parkeerplaats zichtbare parkeerautomaat. Niet aannemelijk is gemaakt dat de echtgenoot van belanghebbende zou hebben gezwaaid naar de controleur en op die wijze contact zou hebben gelegd met de parkeercontroleur. De rechtbank begrijpt ook niet dat de echtgenoot van belanghebbende volgens zijn zeggen wel naar de parkeercontroleur zou hebben gezwaaid, maar vervolgens niet direct naar de parkeercontroleur is toegelopen om hem uit te leggen dat hij bezig is met het doen van de aangifte parkeerbelasting en zo nodig om coulance te vragen, temeer niet omdat namens belanghebbende ter zitting is verklaard dat de echtgenoot van belanghebbende nog heeft moeten wachten voordat hij de parkeerbelasting kon voldoen. Daar komt nog bij dat, aldus de heffingsambtenaar ter zitting, de parkeercontroleur van de kleine parkeerplaats aan de Rijsterborgherweg lopend op weg is gegaan naar de volgende parkeerplaats voor betaald parkeren aan de Boxbergerweg en daarbij de betreffende parkeerautomaat heeft gepasseerd. Dan moet de parkeercontroleur de echtgenoot van belanghebbende hebben gezien, maar dat is volgens de verklaring van de parkeercontroleur niet het geval geweest.
17. Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de slotsom dat om 15.44 uur door de echtgenoot van belanghebbende niet aan de aangifteverplichting parkeerbelasting was voldaan en dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht aan belanghebbende is opgelegd.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat belanghebbende geen gelijk krijgt en dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding voor proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Rijksen, rechter, in aanwezigheid van
H. Blekkenhorst, griffier.
|
griffier |
rechter |
Uitgesproken op
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.