Belastingrecht

Wet WOZ. Beroep ongegrond, heffingsambtenaar heeft aannemelijk gemaakt dat de WOZ-waarde van de woning niet…

Rechtbank Overijssel, 28 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 28 oktober 2026 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Rechtbank Overijssel
Zittingsplaats
Zwolle
Datum uitspraak
28 oktober 2026
Datum publicatie
28 oktober 2026
Zaaknummer
ZWO 24/1475
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2026:6534
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Wet WOZ. Beroep ongegrond, heffingsambtenaar heeft aannemelijk gemaakt dat de WOZ-waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 24/1475


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats], belanghebbende

(gemachtigde: mr. H. Vloet),

en

de heffingsambtenaar van de Reg. Belastingsamenwerking Deventer, Olst-Wijhe en Raalte, de heffingsambtenaar,

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vaststelling van de waarde van de onroerende zaak [adres 1] (de woning) op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) (de waardebeschikking) en de aan belanghebbende opgelegde aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2023 (de aanslag). Belanghebbende is het niet eens met de waardebeschikking en de aanslag en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Dit betekent dat de waardebeschikking en de aanslag in stand blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De heffingsambtenaar heeft met de waardebeschikking de waarde van de woning op de waardepeildatum vastgesteld op € 233.000,-. Met deze waardebeschikking is aan belanghebbende ook de aanslag voor het jaar 2023 opgelegd.

2.1.

De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 6 december 2023 het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de aanslag gehandhaafd.

2.2.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

2.3.

Op 16 mei 2025 heeft een regiezitting plaatsgevonden, waarbij de heffingsambtenaar en de gemachtigde van belanghebbende afspraken hebben gemaakt over de wijze van afhandeling van de beroepszaken, waaronder die van belanghebbende, over het jaar 2023. Met betrekking tot onderhavige zaak zijn zij tot de conclusie gekomen dat de beroepszaak doorgang moet vinden. De heffingsambtenaar heeft op 23 juli 2026 met een verweerschrift gereageerd op de thans nog resterende beroepsgronden van 7 april 2026.

2.4.

Belanghebbende heeft op 7 oktober 2026 aanvullende gronden van beroep ingediend.

2.5.

De rechtbank heeft het beroep op 23 oktober 2026 ter zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. H. Vloet als gemachtigde van belanghebbende, en de gemachtigde van de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam], taxateur.

Feiten

3. Belanghebbende is eigenaar van de woning. Deze rijwoning is gebouwd in 1951, heeft een gebruiksoppervlakte (gbo) van 73 m² en staat op een kavel van 155 m². De woning beschikt over een vrijstaande berging/schuur.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

6. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding".

7. Het is aan de heffingsambtenaar om aannemelijk te maken dat hij de waarde van de woning niet te hoog heeft vastgesteld. De heffingsambtenaar heeft in dat kader verwezen naar de in beroep overgelegde taxatiematrix, opgesteld door E.M. Röben, WOZ-taxateur. In deze matrix wordt geconcludeerd tot een waarde van de woning op de waardepeildatum van € 234.000,-.

8. Bij de waardebepaling is rekening gehouden met de verkoopprijzen van drie vergelijkingsobjecten te [plaats]. Het gaat om:

- [adres 2], op 16 juli 2021 geleverd voor € 236.777,-;

- [adres 3], op 26 augustus 2022 geleverd voor € 270.000,-;

- [adres 4], op 2 september 2022 geleverd voor € 257.000,-.

9. Belanghebbende voert aan dat de heffingsambtenaar onvoldoende rekening heeft gehouden met de ligging van de woning. De woning is gelegen op circa 30 meter afstand van het spoor en onmiskenbaar is dat hiervan overlast wordt ondervonden door het voorbij rijden van 8 NS-treinen per uur. Indien de ligging als ondergemiddeld wordt gekwalificeerd, bedraagt de grondwaarde € 63.409,- en de WOZ-waarde € 227.000,-.

In de aanvullende beroepsgronden van 7 oktober 2026 wijst belanghebbende op onderzoekskaarten van het RIVM waarop de geluidsoverlast van het spoor voor de woning en voor de referentiewoningen in kaart is gebracht. Hieruit blijkt dat de woning van belanghebbende meer geluidshinder ervaart (55 decibel) dan de referentieobjecten (45 decibel).

10. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat uit de woningmarkt(cijfers) niet blijkt dat woningen aan de [adres 1] minder opleveren vanwege de directe ligging aan het spoor. De gebruikte vergelijkingsobjecten liggen in dezelfde wijk en hoewel de afstand tot het spoor kan variëren, is volgens de heffingsambtenaar niet sprake van een zodanig verschil in beleving of geluidshinder dat een afwijkende/lagere liggingsscore voor de woning van belanghebbende aangewezen is. Ter zitting heeft de heffingsambtenaar niet betwist dat er onderling verschil is qua geluidsbelasting (53 ten opzichte van 46 decibel), maar dat dit geen correctie oplevert voor wat betreft de ligging. Daarbij weegt mee (i) dat de woning van belanghebbende geen 30, maar 50 meter van het spoor ligt, (ii) dat het treinspoor op een heuvel ligt waardoor het geluid over de woning heen gaat, (iii) dat de treinen in dit gebied langzaam rijden vanwege het nabijgelegen treinstation en (iv) dat er bomen staan tussen de woning en het spoor waardoor de geluidsoverlast tot op zekere hoogte wordt gedempt. Verder (v) bevinden de woning en de referentieobjecten zich in de zeer gewilde wijk Rielerkolk, waar een meertje en bos aanwezig zijn. Deze omstandighedenrechtvaardigen een gemiddelde ligging.

11. De rechtbank overweegt dat bij de woning van belanghebbende sprake is van meer geluidsdruk dan bij de vergelijkingsobjecten. Tegelijkertijd geldt dat belanghebbende niet gemotiveerd heeft betwist dat het treinspoor zich op 50 meter afstand van de woning bevindt, op een heuvel ligt en door bomen wordt afgeschermd van de woning en dat op dit stuk van het traject treinen langzaam/langzamer rijden. Mede in ogenschouw genomen dat de woning onbetwist in een zeer gewilde wijk staat, komt de rechtbank tot de slotsom dat de heffingsambtenaar de ligging van de woning terecht als gemiddeld heeft beoordeeld.

12. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zijn de waarde van de woning en de aanslag niet te hoog vastgesteld. De rechtbank volgt daarom niet het standpunt van belanghebbende dat de waarde van de woning op € 227.000,- vastgesteld moet worden.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent belanghebbende geen gelijk krijgt. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug en krijgt ook geen vergoeding voor proceskosten

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Rijksen, rechter, in aanwezigheid van

mr. R.M. Timmerman, griffier.

griffier

rechter

Uitgesproken op

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.