Belastingrecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Eerste aanleg - enkelvoudig · Belastingrecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 28 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 28 oktober 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
28 oktober 2026
Datum publicatie
28 oktober 2026
Zaaknummer
BRE 23/10741
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:10461
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Bpm.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Belastingrecht

zaaknummer: BRE 23/10741


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 oktober 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof verbonden aan 123BPM.NL),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm). Belanghebbende is het niet eens met de naheffingsaanslag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt of de taxatiemethode van toepassing is, en zo nee, of er toch reden bestaat om de naheffingsaanslag te verminderen.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de taxatiemethode niet van toepassing is, maar dat er wel reden bestaat om de naheffingsaanslag te verminderen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag Bpm opgelegd van € 5.138 aan verschuldigde Bpm

2.1.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 18 oktober 2023 het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.

2.2.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

2.3.

De rechtbank heeft de beroepen op 4 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde (via een digitale beeldverbinding) en namens de inspecteur [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Feiten

3. Belanghebbende heeft op 1 augustus 2022 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Audi RS6 Avant met [VIN-nummer] , en een bedrag aan Bpm voldaan van € 21.424.

3.1.

Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.

3.2.

De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 26.562 bedraagt. De inspecteur heeft de naheffing berekend op € 5.138 en de naheffingsaanslag opgelegd.

Beoordeling door de rechtbank

Anoniem procederen door de inspecteur?

3.3.

Belanghebbende stelt dat dat de inspecteur in wezen anoniem procedeert, omdat uit het aanslagbiljet niet blijkt welke ambtenaar de naheffingsaanslag feitelijk heeft vastgesteld en dat zij in beroep heeft moeten komen om die identiteit te achterhalen.

3.4.

De rechtbank is van oordeel dat deze stelling belanghebbende niet kan baten. Artikel 5 van de AWR vereist niet dat de identiteit van de betreffende ambtenaar op het aanslagbiljet wordt vermeld. Belanghebbende heeft pas in de beroepsfase duidelijkheid gevraagd over de identiteit van de aanslagregelende ambtenaar, terwijl zij zich ook al eerder, bijvoorbeeld in de bezwaarfase, tot de inspecteur had kunnen wenden om dit te achterhalen. Belanghebbende heeft niet gesteld en het is de rechtbank ook niet gebleken dat de inspecteur niet bereid was om deze informatie eerder dan in de beroepsfase te verstrekken. De gestelde noodzaak om in beroep te komen om de identiteit te achterhalen, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet aannemelijk gemaakt.

Taxatiemethode

3.5.

Belanghebbende stelt primair dat voor het bepalen van de verschuldigde bpm de taxatiemethode moet worden toegepast.

3.6.

De rechtbank overweegt dat de toepassing van de taxatiemethode is beperkt tot een voertuig met meer dan normale gebruiksschade, niet zijnde een schadevoertuig als bedoeld in artikel 1, lid 1, letter u, van de Wegenverkeerswet 1994, en/of een motorrijtuig dat niet voorkomt op een koerslijst. Het begrip normale gebruiksschade is omschreven als “slijtage en kleine beschadigingen die ontstaan door gebruik van een voertuig en die passen bij de leeftijd en kilometrage van het voertuig”. Het gaat dus om fysiek aanwijsbare, waarneembare, schade.

3.7.

De inspecteur betwist dat er ten tijde van het belastbaar feit sprake was van meer dan normale gebruikssporen. Daarbij wijst de inspecteur erop dat door DRZ geen schade is geconstateerd.

3.8.

Naar het oordeel van de rechtbank maakt belanghebbende – tegenover de betwisting door de inspecteur – aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. De rechtbank ziet op de foto’s bij de rapporten van belanghebbende en van DRZ niet de schade die daarop volgens belanghebbende aanwezig zou moeten zijn. De beschadigingen die de rechtbank wel ziet passen bij een auto met een kilometrage van 48.436 kilometer. Dat, zoals belanghebbende stelt, binnen de branche beleid is ontwikkeld over het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade en dat een of meer van de volgens dat beleid geldende schade zich voordoet bij de auto, kan niet tot een ander oordeel leiden. De inspecteur is niet gebonden aan beleid dat binnen de branche zou zijn ontwikkeld omdat het niet zijn beleid is.

3.9.

Het voorgaande betekent dat de taxatiemethode niet kan worden toegepast. De rechtbank komt daarom niet meer toe aan de opmerkingen die de inspecteur in dit verband heeft gemaakt over de inkoopfactuur.

Koerslijstmethode

3.10.

Bij deze stand van het geding beroep belanghebbende zich op de koerslijstmethode.

Historische nieuwprijs

3.11.

Belanghebbende stelt dat in het DRZ-rapport de historische nieuwprijs te laag is vastgesteld en dat deze moet worden vastgesteld op € 208.657. De rechtbank sluit hierbij aan, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023.

Handelsinkoopwaarde

3.12.

Belanghebbende stelt dat de waarde van de auto moet worden ontleend aan de koerslijst van AutotelexPro die bij het rapport van DRZ is gevoegd. Belanghebbende bepleit op basis van de koerslijst van AutotelexPro een handelsinkoopwaarde van € 97.092.

3.13.

De inspecteur bestrijdt de door belanghebbende bepleite handelsinkoopwaarde. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de historische nieuwprijs en de handelsinkoopwaarde betrekking moeten hebben op hetzelfde referentievoertuig. Volgens de inspecteur moet het afschrijvingspercentage dat uit deze gegevens volgt, worden toegepast op de bruto bpm van de auto. Belanghebbende kan volgens de inspecteur niet de historische nieuwprijs verhogen vanwege hogere CO₂-uitstoot en daarbij de handelsinkoopwaarde uit de koerslijst ongewijzigd laten. Als de historische nieuwprijs wordt verhoogd vanwege de hogere CO₂-uitstoot, moet volgens de inspecteur ook de handelsinkoopwaarde worden aangepast.

3.14.

De rechtbank stelt voorop dat het belanghebbende als uitgangspunt is toegestaan om een beroep te doen op gegevens die bij de aangifte niet zijn gebruikt voor de berekening van de bpm. De inspecteur heeft het beroep van belanghebbende op de koerslijst van AutotelexPro verder niet bestreden. De rechtbank staat daarom toe dat belanghebbende zich beroept op de koerslijst van AutotelexPro.

3.15.

De rechtbank volgt de inspecteur niet in zijn standpunt dat het afschrijvingspercentage van het referentievoertuig uit de koerslijst zonder meer moet worden toegepast op de bruto bpm van de auto. Bij het vaststellen van de historische nieuwprijs moet rekening worden gehouden met de bruto bpm die behoort bij de werkelijke CO₂-uitstoot van de auto. Of de hogere CO₂-uitstoot gevolgen heeft voor de handelsinkoopwaarde, moet afzonderlijk worden beoordeeld.

3.16.

De rechtbank constateert dat in dit geval sprake is van een verschil in CO₂-uitstoot van 8 gr/km. De inspecteur heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat een dergelijke gering verschil invloed heeft op de handelsinkoopwaarde van onderhavige auto. Hetgeen de inspecteur op dit punt heeft aangevoerd is meer algemeen van aard en niet noodzakelijkerwijs aan de orde in dit concrete geval. De rechtbank volgt daarom in dit geval de stelling van belanghebbende dat de handelsinkoopwaarde niet evenredig dient te worden verhoogd met de historische nieuwprijs.

3.17.

De rechtbank stelt, gelet op het voorgaande, de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat vast op € 97.092. De rechtbank berekent de verschuldigde Bpm dan als volgt:

Historische nieuwprijs

€ 208.657

Handelsinkoopwaarde

€ 97.092

Historische bruto Bpm

€ 56.194

Afschrijving

53,47%

Verschuldigde Bpm

€ 26.148

Op aangifte betaalde Bpm

€ 21.424

Uit deze berekening volgt dat € 4.724 te weinig op aangifte is voldaan. De inspecteur heeft € 5.138 nageheven. De naheffingsaanslag moet dus met € 414 worden verminderd.

Vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn

3.18.

Belanghebbende heeft op 8 november 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.

3.19.

De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaar op 19 januari 2023 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 28 oktober 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 22 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 2.000. Omdat de bezwaarfase afgerond 9 maanden heeft geduurd en daarmee 3 maanden te lang, komt een bedrag van € 272 (3/22e deel van € 2.000) voor rekening van de inspecteur. Het overige komt voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd tot € 4.724. Verder heeft belanghebbende recht op een immateriëleschadevergoeding van € 2.000.

4.1.

Omdat de beroepen gegrond zijn moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart de beroepen gegrond;

  • vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 4.724 en vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig;

  • veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 272;

  • veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.728;

  • veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende;

  • bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier.

griffier

rechter

De griffier is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen. De uitspraak is daarom alleen ondertekend door de rechter.

De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl en aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.

Vgl. Hoge Raad 21 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0638. Artikel 10, zevende lid, van de Wet BPM. Artikel 2, letter c, van de Wet BPM. Zie ook Kamerstukken II 2014/15, 34 002, nr. 3, blz. 31 en 64. Hoge Raad 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703. Hoge Raad 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703.