Belastingrecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Eerste aanleg - enkelvoudig · Belastingrecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 27 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 27 oktober 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zittingsplaats
Breda
Datum uitspraak
27 oktober 2026
Datum publicatie
28 oktober 2026
Zaaknummer
BRE 23/10398 en 23/10399
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2026:10459
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Bpm.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Belastingrecht

zaaknummers: BRE 23/10398 en 23/10399


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 oktober 2026 in de zaken tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, verbonden aan 123BPM.NL),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente. Belanghebbende is het niet eens met de naheffingsaanslag en de belastingrente. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt of de taxatiemethode kan worden toegepast en, zo nee, of toepassing van de koerslijstmethode leidt tot vermindering van de naheffingsaanslag.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de taxatiemethode niet kan worden toegepast, maar dat toepassing van de koerslijstmethode leidt tot vermindering van de naheffingsaanslag. De beroepen zijn dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag Bpm opgelegd van € 4.717 aan verschuldigde Bpm. Gelijktijdig met het opleggen van de naheffingsaanslag is € 23 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).

2.1.

De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 12 oktober 2023 de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard.

2.2.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.

2.3.

De rechtbank heeft de beroepen op 4 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde (via een digitale beeldverbinding) en namens de inspecteur [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Feiten

Zaaknummer 23/10398

3. Belanghebbende heeft op 3 oktober 2022 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Mercedes-Benz GLS 350d 4 Matic met [VIN-nummer 1] (auto 1), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 25.682.

3.1.

Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. Bij de aangifte heeft belanghebbende geen inkoopfactuur overgelegd.

3.2.

De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 27.716 bedraagt. Hij heeft voor auto 1 de naheffing berekend op € 2.038 en de naheffingsaanslag opgelegd. Daarbij is € 10 belastingrente in rekening gebracht.

Zaaknummer 23/10399

3.3.

Belanghebbende heeft op 14 april 2023 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Audi SQ7 SUV met [VIN-nummer 2] (auto 2), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 24.252

3.4.

Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. Bij de aangifte heeft belanghebbende geen inkoopfactuur overgelegd.

3.5.

De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 26.931 bedraagt. Hij heeft voor auto 2 de naheffing berekend op € 2.679 en de naheffingsaanslag opgelegd. Daarbij is € 13 belastingrente in rekening gebracht.

Beoordeling door de rechtbank

Vooraf; late indiening verweerschriften

4. Belanghebbende stelt dat de inspecteur het verweerschrift onredelijk laat heeft ingediend en zij verzoekt de rechtbank daarom de inspecteur te veroordelen in de proceskosten.

4.1.

De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het verweerschrift met betrekking tot auto 1 heeft ingediend op 16 juli 2026 en het verweerschrift met betrekking tot auto 2 heeft ingediend op 27 juli 2026. De rechtbank vindt dit net als belanghebbende erg laat. Niettemin ziet de rechtbank in dit geval onvoldoende aanleiding om een schending van de goede procesorde te constateren. Belanghebbende heeft niet gesteld, en het is de rechtbank overigens ook niet gebleken, dat zij niet genoeg tijd heeft gehad om op het verweer van de inspecteur te reageren. In het tiendagenstuk heeft belanghebbende gereageerd op het verweer van de inspecteur en ook ter zitting heeft zij daartoe de gelegenheid gekregen. Belanghebbende is in zoverre niet in haar belangen geschaad. Dat betekent dat de rechtbank hierin geen aanleiding ziet voor een proceskostenveroordeling.

Schending mandaatverbod

4.2.

Belanghebbende stelt dat het mandaatverbod van artikel 10:3, derde lid, van de Awb is geschonden. Op grond van deze bepaling moet de heroverweging in bezwaar worden verricht door een ander dan degene die feitelijk het primaire besluit heeft genomen.

4.3.

De inspecteur heeft ter zitting toegelicht welke ambtenaar de naheffingsaanslag feitelijk heeft vastgesteld. Hij heeft daartoe het zogenoemde ‘userid’ van de betreffende ambtenaar genoemd en verklaard aan welke persoon dit ‘userid’ toebehoort. Belanghebbende heeft deze verklaring niet betwist en desgevraagd verklaard dat hij ervan uitgaat dat de uitspraken op bezwaar door een andere ambtenaar zijn gedaan. De rechtbank ziet onder deze omstandigheden geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de inspecteur en acht aannemelijk dat de naheffingsaanslag en de uitspraken op bezwaar feitelijk door verschillende ambtenaren zijn vastgesteld. Van een schending van het mandaatverbod is daarom geen sprake.

4.4.

Dat volgens belanghebbende de enkele vermelding van een ‘userid’ in algemene zin onvoldoende is om vast te stellen dat het mandaatverbod niet is geschonden, leidt niet tot een ander oordeel. De inspecteur heeft zich in deze procedure immers niet beperkt tot het noemen van een ‘userid’, maar ook toegelicht welke ambtenaar daarachter schuilgaat. Of de enkele vermelding van een ‘userid’ in andere gevallen voldoende is, behoeft in deze procedure daarom verder geen beantwoording.

4.5.

Ook het betoog van belanghebbende dat de inspecteur in wezen anoniem procedeert, omdat uit het aanslagbiljet niet blijkt welke ambtenaar de naheffingsaanslag feitelijk heeft vastgesteld en dat zij in beroep moet komen om die identiteit te achterhalen, kan haar niet baten. Artikel 5 van de AWR vereist niet dat de identiteit van de betreffende ambtenaar op het aanslagbiljet wordt vermeld. Belanghebbende heeft pas in de beroepsfase duidelijkheid gevraagd over de identiteit van de aanslagregelende ambtenaar, terwijl zij zich ook al eerder, bijvoorbeeld in de bezwaarfase, tot de inspecteur had kunnen wenden om dit te achterhalen. Belanghebbende heeft niet gesteld en het is de rechtbank ook niet gebleken dat de inspecteur niet bereid was om deze informatie eerder dan in de beroepsfase te verstrekken. De gestelde noodzaak om in beroep te komen om de identiteit te achterhalen, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet aannemelijk gemaakt.

Geen taxatiemethode

4.6.

Indien sprake is van een voertuig met meer dan normale gebruiksschade of indien sprake is van een voertuig dat niet voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst mag de afschrijving worden bepaald aan de hand van een taxatierapport. Wel is daarvoor vereist dat het taxatierapport voldoet aan de daarvoor geldende voorwaarden. Het toevoegen van een kopie van de inkoopfactuur is een van de geldende voorwaarden. De rechtbank acht deze voorwaarde bindend. Belanghebbende heeft bij de aangiften verzuimd kopieën van de inkoopfacturen bij het taxatierapport te voegen. Ook in de beroepsfase heeft belanghebbende geen kopieën van de inkoopfacturen versterkt. Toepassing van de taxatiemethode kan dan niet aan de orde zijn.

Koerslijstmethode

4.7.

Bij deze stand van het geding stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de waarde van de auto’s moeten worden ontleend aan de koerslijsten van Xray die bij zijn taxatierapporten en de DRZ-rapporten zijn gevoegd, en dat met toepassing van de koerslijstmethode de afschrijving van de auto’s moet worden bepaald.

Historische nieuwprijs

4.8.

Belanghebbende stelt dat de historische nieuwprijs voor beide auto’s te laag is vastgesteld en dat deze moet worden vastgesteld op € 162.905 (auto 1) respectievelijk € 197.362 (auto 2). De rechtbank sluit hierbij aan, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023.

Handelsinkoopwaarde

4.9.

Belanghebbende stelt dat uitgaande van de handelsinkoopwaarden, zoals deze ook door DRZ zijn gehanteerd, van € 83.190 (auto 1) respectievelijk € 86.335 (auto 2) en historische bruto bpm van € 51.345 (auto 1) respectievelijk € 59.822 (auto 2) de naheffingen moeten worden verminderd tot € 538 (auto 1) respectievelijk € 1.916 (auto 2). Volgens belanghebbende mag een wijziging van de historische nieuwprijs geen nadelige gevolgen voor belanghebbende hebben. Daarnaast beroept belanghebbende zich op het vertrouwensbeginsel. Hij stelt dat de inspecteur de door hem voorgestane handelsinkoopwaarden expliciet en zonder voorbehoud heeft aanvaard, waardoor bij hem het in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt dat deze waarden niet meer ter discussie zouden worden gesteld.

4.10.

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de historische nieuwprijs en de handelsinkoopwaarde aan de hand van dezelfde koerslijst moeten worden vastgesteld. Het afschrijvingspercentage dat daaruit volgt moet worden toegepast op de bruto bpm van de importauto. Volgens de inspecteur brengt de hogere historische nieuwprijs mee dat van een hogere handelsinkoopwaarde moet worden uitgegaan, omdat rekening moet worden gehouden met een hogere CO₂-uitstoot. De hogere CO₂-uitstoot zal verband houden met de uitvoering of opties van de auto.

4.11.

De inspecteur stelt verder dat waarde van de auto’s moet worden ontleend aan de koerslijsten van Autotelexpro. Uit de inkoopfacturen zou kunnen blijken dat de koerslijsten van Xray niet goed zijn en ook de afwijkende koerslijsten van Autotelexpro vormen volgens de inspecteur een aanwijzing dat aan de koerslijsten van Xray een eigen invulling van koerslijstprovider ten grondslag ligt.

4.12.

De rechtbank stelt voorop dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. De inspecteur heeft niet gesteld en evenmin de indruk gewekt dat hij in een latere fase geen nieuwe of gewijzigde standpunten meer zou innemen ten aanzien van de handelsinkoopwaarde. De inspecteur mag de handelsinkoopwaarden in beroep dus nog ter discussie stellen.

4.13.

Het voorgaande neemt niet weg dat de rechtbank de inspecteur in dit geval niet volgt in zijn standpunten met betrekking tot de handelsinkoopwaarde, waaronder het standpunt dat het afschrijvingspercentage van het referentievoertuig uit de koerslijst zonder meer moet worden toegepast op de bruto bpm van de auto’s. Bij het vaststellen van de historische nieuwprijs moet rekening worden gehouden met de bruto bpm die behoort bij de werkelijke CO₂-uitstoot van de auto’s. Of de hogere CO₂-uitstoot gevolgen heeft voor de handelsinkoopwaarden, moet afzonderlijk worden beoordeeld.

4.14.

De rechtbank constateert dat de koerslijsten van Autotelexpro in dit geval voor beide auto’s minder gunstig zijn dan de koerslijsten van Xray. Belanghebbende mag als uitgangspunt voor de meest gunstige koerslijst kiezen, tenzij de inspecteur aannemelijk maakt dat deze koerslijst verkeerd is ingevuld of niet is gebaseerd op daadwerkelijke handelstransacties. De rechtbank is van oordeel dat de bedragen op de inkoopfacturen en de afwijkende bedragen van de koerslijsten van Autotelexpro onvoldoende aanwijzing zijn dat de koerslijsten van Xray niet kunnen worden gebruikt. De rechtbank gaat dus in haar verdere beoordeling in beginsel uit van de voor belanghebbende meest gunstige koerslijsten, zijnde die van Xray.

4.15.

De mogelijkheid om de afschrijving van een te registreren motorrijtuig te berekenen met gebruikmaking van een koerslijst is beperkt tot een in een koerslijst voorkomend gebruikt motorrijtuig van hetzelfde merk, model, type, uitvoering en leeftijd. Alleen onder die omstandigheden kan ervan worden uitgegaan dat de koerslijstwaarde een representatieve benadering oplevert van de werkelijke waarde van het te registreren motorrijtuig.

4.16.

De rechtbank constateert dat de motoraanduiding van auto 1 (350D) verschilt van de motoraanduiding van het referentievoertuig in de koerslijst van Xray (400D). Namens belanghebbende is ter zitting onweersproken gesteld dat 400D een luxere uitvoering betreft dan 350D. De rechtbank is daarom van oordeel dat het geconstateerde verschil niet relevant is voor het te registreren motorrijtuig aangezien de handelsinkoopwaarde waarop belanghebbende zich beroept dan in ieder geval niet te hoog is. Verder is voor beide auto’s weliswaar sprake van een verschil in CO₂-uitstoot, maar de rechtbank ziet in deze verschillen geen aanleiding om af te wijken van de waarden in de koerslijsten. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat ook de deskundige van DRZ de koerslijsten van Xray heeft gehanteerd en de betreffende voertuigen blijkbaar geschikt heeft geacht als referentievoertuigen.

4.17.

Gelet op het voorgaande, behoeft hetgeen belanghebbende over de handelsinkoopwaarde verder heeft aangevoerd geen bespreking. De rechtbank wijst ook het verzoek van belanghebbende om de zaken naar een meervoudige kamer te verwijzen af. Hetzelfde geldt voor het in dit verband gedane verzoek om getuigen te horen. Belanghebbende heeft zelf geen poging ondernomen om ervoor te zorgen dat de getuigen ter zitting aanwezig zijn (althans dat is niet gesteld), hoewel de griffier in de uitnodiging voor de zitting belanghebbende heeft gewezen op de mogelijkheid getuigen mee te brengen of bij aangetekende brief of door inschakeling van een deurwaarder op te roepen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de door belanghebbende genoemde getuigen alsnog te horen, omdat hun verklaringen niet kunnen bijdragen aan de beslechting van het onderhavige geschil. Voor zover belanghebbende met dit verzoek een ander doel nastreeft, valt dat buiten het kader van deze procedure.

Tussenconclusie

4.18.

Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat belanghebbende mag uitgaan van de koerslijsten X-Ray en dat de handelsinkoopwaarden in onbeschadigde staat kunnen worden vastgesteld op € 83.190 (auto 1) respectievelijk € 86.335 (auto 2). Dat betekent dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd tot € 2.454, waarvan € 538 betrekking heeft op auto 1 en € 1.916 op auto 2. De belastingrentebeschikking moet dienovereenkomstig worden verminderd.

Vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn

4.19.

Belanghebbende heeft op 24 oktober 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.

4.20.

De rechtbank stelt vast dat in beide zaken (vrijwel) dezelfde geschilpunten ter discussie staan. Ook zijn de zaken gezamenlijk behandeld in de bezwaar- en beroepsfase. Gelet hierop bestaat er voor alle fasen van de procedure samenhang. Dit heeft tot gevolg dat ter vaststelling van het bedrag van de schadevergoeding voor beide zaken eenmaal het tarief van € 500 per half jaar overschrijding van de redelijke termijn wordt gehanteerd.

4.21.

De rechtbank stelt vast dat de inspecteur de bezwaren op 12 mei 2023 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 27 oktober 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 18 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500. Omdat de bezwaarfase afgerond 6 maanden heeft geduurd en daarmee niet te lang, komt het volledige bedrag voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. De beroepen zijn gegrond. Dit betekent dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd tot € 2.454. De belastingrentebeschikking moet dienovereenkomstig worden verminderd. Ook heeft belanghebbende recht op een vergoeding van immateriële schade.

5.1.

Omdat de beroepen gegrond zijn moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten. Ook voor toekenning van de proceskostenvergoeding gaat de rechtbank ervan uit dat de beroepen samenhangen, onder verwijzingen naar de redenen dezelfde redenen als vermeld in overweging 4.20. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart de beroepen gegrond;

  • vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 2.454 en vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig;

  • veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.500;

  • veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende;

  • bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier.

griffier

rechter

De griffier is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen. De uitspraak is daarom alleen ondertekend door de rechter.

De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl en aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.

Vgl. Hoge Raad 21 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0638. Hoge Raad 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472, r.o. 4.3.4. Artikel 8, lid 4, letter b, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 in samenhang met Bijlage I van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992. Hoge Raad 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703. Hoge Raad 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703. Vgl. Hoge Raad 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1666; en Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 27 mei 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:1352, r.o. 4.5. Hoge Raad van 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472