Bestuursstrafrecht

Wahv. Drie parkeerovertredingen. Eén beroep ingetrokken op zitting. Andere twee beroepen gegrond. Met…

Rechtbank Noord-Nederland, 18 juni 2026

Zaakgegevens

Op 18 juni 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland uitspraak gedaan in een zaak over bestuursstrafrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
18 juni 2026
Datum publicatie
12 augustus 2026
Zaaknummer
11854462 BU VERZ 25-1981 11909794 BU VERZ 25-2068
Procedure
Mondelinge uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2026:3410
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Wahv. Drie parkeerovertredingen. Eén beroep ingetrokken op zitting. Andere twee beroepen gegrond. Met terugwerkende kracht is een vergunning verleend door de gemeente, dus kunnen de boetes niet in stand blijven.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Leeuwarden

Bestuursrecht

beschikkingsnummers: 270218358, 268999048 en 269997473

zaaknummers: 11854462 BU VERZ 25-1981, 11909794 BU VERZ 25-2068 en 11909823 BU VERZ 25-2069

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van
18 juni 2026

in de zaken van

[betrokkene] (de betrokkene),

die woont in [woonplaats],

gemachtigde: mr. F.Y. van der Pol.

Inleiding

1. Aan betrokkene zijn drie boetes opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv).

1.1.

De eerste verkeersovertreding (25-1981) waarvoor een boete is opgelegd is:
R584 – ‘een voertuig parkeren waar dat niet mag (bord E1, parkeerverbod(szone))’, verricht op 24 oktober 2024, om 21:30 uur, op het Beursplein in Leeuwarden, met een personenauto, met kenteken [kenteken]. De opgelegde boete bedraagt € 129,00 (inclusief administratiekosten).

1.2.

De tweede verkeersovertreding (25-2068) waarvoor een boete is opgelegd is:
R400AE – ‘bij een blauwe streep parkeren zonder duidelijk zichtbare parkeerschijf achter de voorruit’, verricht op 28 augustus 2024, om 13:18 uur, op [straatnaam] in Leeuwarden, met een personenauto, met kenteken [kenteken]. De opgelegde boete bedraagt € 129,00 (inclusief administratiekosten).

1.3.

De derde verkeersovertreding (25-2069) waarvoor een boete is opgelegd is:
R400AE – ‘bij een blauwe streep parkeren zonder duidelijk zichtbare parkeerschijf achter de voorruit’, verricht op 17 oktober 2024, om 13:31 uur, op [straatnaam] in Leeuwarden, met een personenauto, met kenteken [kenteken]. De opgelegde boete bedraagt € 129,00 (inclusief administratiekosten).

1.4.

Betrokkene heeft tegen de boetes beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep in 25-1981 niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. In de andere twee zaken is het administratief beroep ongegrond verklaard. Tegen alle drie de beslissingen heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.

1.5.

De kantonrechter heeft de beroepen op 18 juni 2026 op de zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: de gemachtigde (tevens zus van betrokkene) en als vertegenwoordiger van de officier van justitie mr. P. Belopavlovic.

1.6.

Na afloop van het onderzoek op de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de kantonrechter

Standpunten

2. De gemachtigde geeft aan dat in 25-1981 per abuis beroep is ingesteld en trekt dit beroep in. In de zaken die betrekking hebben op [straatnaam] in Leeuwarden voert de gemachtigde aan dat de verlenging van betrokkenes parkeervergunning altijd werd geregeld door hun moeder, maar dat zij eind 2023 – rond de tijd dat de vergunning verlengd moest worden – plotseling is overleden. Betrokkene heeft het geld van de vergunning betaald omdat die anders beëindigd zou worden, maar het is haar door de omstandigheden niet opgevallen dat verlenging via de website van de gemeente had gemoeten, zoals in een brief is geschreven. De vergunning is daardoor niet verlengd, maar de gemeente heeft het geld maanden onder zich gehouden zonder bericht. Hun moeder was ook beheerder van DigiD, waardoor online verlengen niet mogelijk was geweest. Omdat met terugwerkende kracht een vergunning is verleend, vindt de gemachtigde de boetes onterecht. Zij verzoekt om een proceskostenvergoeding.

3. De vertegenwoordiger stelt dat de gemeente duidelijk heeft gecommuniceerd over de procedure met de brief over de verlenging. Betrokkene had daarom kunnen weten dat verlenging met DigiD moest en niet door een enkele betaling. Aangezien met terugwerkende kracht een vergunning is verleend omdat wel is betaald, stelt de vertegenwoordiger een matiging van de boetes met 50% voor.

Overwegingen

4. Aangezien het beroep in 25-1981 is ingetrokken, doet de kantonrechter geen uitspraak in die zaak. Over de andere zaken overweegt de kantonrechter als volgt.

5. De kantonrechter stelt voorop dat betrokkene uit goede wil handelde. Betrokkenes moeder, die DigiD en andere zaken beheerde, is overleden en toch heeft betrokkene gewoon betaald. Het gaat hier om een gemeentelijke aangelegenheid en de gemeente heeft zelf aangegeven dat er is betaald en heeft met terugwerkende kracht een vergunning verleend. De kantonrechter oordeelt daarom dat de boetes niet in stand kunnen blijven en verklaart de beroepen in 25-2068 en 25-2069 gegrond.

6. Omdat de kantonrechter deze beide beroep gegrond verklaart, veroordeelt hij de officier van justitie in de proceskosten van betrokkene. De vergoeding wordt beperkt tot de kantonfase, aangezien de vernietiging van de boetes niet het gevolg is van een aan de verbalisant te wijten onrechtmatigheid. Vanwege de onderlinge samenhang van de zaken kent de kantonrechter één vergoeding toe voor beide zaken. Hij kent twee punten ter waarde van € 934,00 toe voor het indienen van het beroepschrift en het bijwonen van de zitting. Gelet op de aard van de zaak past de kantonrechter de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe.

6.1.

De berekening van de proceskostenvergoeding is als volgt: 2 (punten) x € 934,00 (waarde) x 0,5 (wegingsfactor, licht) = € 934,00.

Conclusie

De kantonrechter:

  • verklaart de beroepen tegen de beslissingen van de officier van justitie in 25-2068 en 25-2069 gegrond;

  • vernietigt die beslissingen;

  • verklaart de beroepen tegen de inleidende beschikkingen in 25-2068 en 25-2069 gegrond;

  • vernietigt die beschikkingen;

  • bepaalt dat betrokkene de zekerheidstelling terugkrijgt;

  • veroordeelt de officier van justitie in de proceskosten van € 934,00.

Waarvan proces-verbaal,

mr. M.D. Hellinga, griffier mr. P.G. Wijtsma, kantonrechter

De griffier is buiten staat om

dit proces-verbaal te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het

gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:

a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of

b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.

Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.

De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.