Vreemdelingenrecht
terugkeerbesluit zonder vertrektermijn, inreisverbod, ongegrond
Rechtbank Noord-Nederland, 4 augustus 2023
ECLI:NL:RBNNE:2023:3277 · Rechtbank Noord-Nederland · 4 augustus 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-nederland/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbnne-2023-3277
Zaakgegevens
Op 4 augustus 2023 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 4 augustus 2023
- Datum publicatie
- 4 augustus 2023
- Zaaknummer
- NL23.3787
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNNE:2023:3277
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
terugkeerbesluit zonder vertrektermijn, inreisverbod, ongegrond
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.3787
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
geboren op [geboortedatum] ,
van Indonesische nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. M.F. Wijngaarden),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. J.A. Rossingh).
Procesverloop
Bij besluit van 13 januari 2023 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris aan eiser een terugkeerbesluit, zonder vertrekmijn, en een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2023. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens was een tolk aanwezig. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. De rechtbank beoordeelt de oplegging van het terugkeerbesluit en het inreisverbod aan eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
Bestreden besluit
2. In het terugkeerbesluit heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat eiser onrechtmatig in Nederland verblijft. Daartoe is onder meer gewezen op gevaar voor de openbare orde, vanwege een aanhouding van een misdrijf, het niet beschikken van middelen van bestaan, het arbeid verrichten in strijd met de Wet Arbeid Vreemdelingen en het niet kunnen tonen van een geldig paspoort.
Verder heeft de staatssecretaris aan eiser een vertrektermijn onthouden vanwege een risico op onttrekking en daaraan zware en lichte gronden ten grondslag gelegd, te weten dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
4a. zich niet aan één of meer andere voor de vreemdeling geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet Arbeid vreemdelingen.
Het oordeel van de rechtbank
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hoewel eiser terecht stelt dat verweerder niet langer de schending van de openbare orde aan de maatregel ten grondslag legt, is het terugkeerbesluit terecht aan eiser opgelegd omdat hij geen rechtmatig verblijf heeft. Dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft is ook niet in geschil.
4. Daarnaast is aan eiser niet ten onrechte een vertrektermijn onthouden. Op grond van artikel 6.1 van het Vb 2000 kan risico op onttrekking worden aangenomen indien ten minste twee van de grond van als bedoeld in artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vb 2000 op de vreemdeling van toepassing zijn. De niet bestreden gronden (3b, 4a, 4c, 4d en 4f) zijn voldoende om het onthouden van de vertrektermijn te dragen.
5. De stelling dat aan eiser geen terugkeerbesluit en inreisverbod kan worden opgelegd omdat eiser op grond van paragraaf A3/6.3 van de Vreemdelingencirculaire niet kan worden uitgezet volgt de rechtbank niet. Dit onderdeel van de Vreemdelingencirculaire gaat over uitzetting en niet over het opleggen van een terugkeerbesluit en inreisverbod. Daarnaast heeft de DT&V inmiddels aan eiser laten weten dat de DT&V het vonnis van de rechtbank in de strafzaak afwacht voordat de DT&V over gaat tot terugkeer van eiser naar Indonesië zodat ook eisers betoog dat het terugkeerbesluit en inreisverbod inbreuk maken op zijn vermoeden van onschuld/recht op het bijwonen van een strafzaak niet kan slagen.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Boerlage-van den Bosch, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Aissa, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.