Civiel recht overig
De gedaagden hebben de zorg- en huurovereenkomst niet eenzijdig mogen opzeggen. Er liggen geen gewichtige…
Rechtbank Noord-Nederland, 10 mei 2019
ECLI:NL:RBNNE:2019:2009 · Rechtbank Noord-Nederland · 10 mei 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-nederland/civiel-recht/civiel-recht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbnne-2019-2009
Zaakgegevens
Op 10 mei 2019 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Assen
- Datum uitspraak
- 10 mei 2019
- Datum publicatie
- 9 mei 2019
- Zaaknummer
- C/19/126435 / KG ZA 19-42
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNNE:2019:2009
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De gedaagden hebben de zorg- en huurovereenkomst niet eenzijdig mogen opzeggen. Er liggen geen gewichtige redenen aan de opzegging ten grondslag.
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling privaatrecht
Locatie Assen
zaaknummer / rolnummer: C/19/126435 / KG ZA 19-42
Vonnis in kort geding van 10 mei 2019
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat mr. F. Nieuwenhuis te [woonplaats] ,
tegen
1. vennootschap onder firma
[gedaagde 1] ,
gevestigd te [woonplaats] ,
2. [gedaagde 2],
wonende te [woonplaats] ,
3. [gedaagde 3],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagden,
advocaat mr. E.J.C. de Jong te Utrecht.
Eiser zal hierna [eiser] worden genoemd, gedaagden samen het [gedaagden] en gedaagde sub 2 en 3 [gedaagde 2] en [gedaagde 3] in enkelvoud genoemd worden.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de dagvaarding;
-
de mondelinge behandeling;
-
de pleitnota van [eiser] ;
-
de pleitnota van het [gedaagden] .
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
[dochter] (hierna: [dochter] ) is geboren op [geboortedatum] in [woonplaats] . [dochter] heeft een aangeboren hersenbeschadiging waardoor zij lichamelijk en geestelijk gehandicapt is. [dochter] is aangewezen op 24-uurs zorg.
[eiser] is de vader en wettelijk vertegenwoordiger van [dochter] .
[dochter] woont sinds 20 januari 2010 in het [gedaagden] te [woonplaats] ; een kleinschalige beschermde woonvorm waar 8 gehandicapten samen met elkaar wonen. Het [gedaagden] verleent noodzakelijke zorg en biedt ondersteuning bij de ontwikkeling van haar cliënten.
Het [gedaagden] wordt gerund door de vennootschap onder firma [gedaagde 1] . De vennoten [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben de vennootschap op 1 augustus 2016 overgenomen.
Het [gedaagden] is onderdeel van de franchiseorganisatie [bedrijf] . Het [gedaagden] kwalificeert als een zorginstelling in de zin van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (hierna: Wkkgz).
[eiser] en het [gedaagden] hebben een bewoners- en een huurovereenkomst gesloten. Artikel 8 van de bewonersovereenkomst bepaalt ten aanzien van beëindiging van de overeenkomst onder meer het volgende:
8. Duur en beëindiging van de overeenkomst
De bewonersovereenkomst is een overeenkomst voor onbepaalde tijd.
Het tussentijds beëindigen van de bewonersovereenkomst
? De bewoner en de zorgondernemer kunnen de bewonersovereenkomst tussentijds opzeggen met inachtneming van een opzegtermijn van zes maanden. De opzegging dient schriftelijk te geschieden tegen het einde van de maand.
(…)
Voorwaarden opzegging door zorgondernemer
-
Zorgondernemer heeft naar alle redelijkheid getracht een eventueel zwaardere zorgvraag te voldoen middels coaching, inzetten van orthopedagoog of CCE traject.
-
Zorgondernemer consulteert [bedrijf] over eenzijdige opzegging. Hierbij heeft [bedrijf] de taak te beoordelen of het proces (tot beëindiging) zorgvuldig wordt doorlopen.
Vanaf januari 2017 heeft [eiser] zorgen geuit over de wijze van omgaan met en de begeleiding van [dochter] .
Op 20 oktober 2017 hebben twee tantes van [dochter] een klacht ingediend bij het [gedaagden] over de zorg tijdens een ziekteperiode van [dochter] in diezelfde maand. Op 26 oktober 2017 heeft [eiser] medegedeeld de klacht te onderschrijven. De klacht is op basis van de Wkkgz in behandeling genomen door een externe klachtenfunctionaris. Op 8 december 2017 stond een gesprek gepland tussen [eiser] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en de klachtenfunctionaris. Het gesprek heeft geen doorgang gevonden omdat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] het niet eens waren met de aanwezigheid van de twee tantes tijdens het gesprek.
Op 16 november 2017 heeft een gesprek plaatsgevonden over de communicatie en de geconstateerde zorgen rondom [dochter] . Partijen hebben dit gesprek ook wel geduid als een verbetertraject. Bij het gesprek waren aanwezig de ouders van [dochter] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , de heer [naam 1] namens [bedrijf] (hierna: [naam 1] ) en mevrouw [naam 2] (hierna: [naam 2] ), orthopedagoge. In het gesprek is de beëindiging van de zorgovereenkomst wegens het moeizaam verlopen van de communicatie aan de orde gekomen. [naam 1] heeft in plaats daarvan aangestuurd op een bemiddelingsgesprek. Als gezamenlijke inspanning om tot betere zorg te komen, hebben partijen afgesproken om de zorg voor [dochter] gedurende drie maanden door middel van filmpjes inzichtelijk te maken.
Op 22 december 2017 heeft [naam 2] in een e-mailbericht over het ingestoken traject als bedoeld onder punt 2.9. onder meer het volgende opgenomen:
Het is voor mij als gedragsdeskundige moeizaam werken als er naar mijn idee geen acties worden uitgevoerd, geen terugkoppeling is en niet methodisch wordt gewerkt.
De adviezen, lijken niet opgepakt te worden. Ten aanzien van de ouderbijeenkomst en nav de bijeenkomst met de fam [eiser] wil ik benoemen dat de beelden die zijn gemaakt wel erg beperkt zijn, op die wijze kun je geen beeld vormen van [dochter] , evenals een verdiepend gesprek voeren over wie ze is en wat [dochter] nodig heeft. (…) Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat de motivatie om het traject te doorlopen weinig is, dat ervaar ik als niet efficiënt en weinig constructief.
In december 2017 hebben de tantes van [dochter] een klacht ingediend bij de Geschilleninstantie Zorggeschil, die geschillen op het gebied van zorg beslecht en een voor partijen bindende uitspraak doet. Het [gedaagden] is op grond van de Wkkgz verplicht aangesloten bij deze geschilleninstantie. [eiser] heeft deze klacht ondersteund.
Nadat op 16 januari 2018 een bespreking tussen partijen heeft plaatsgevonden, heeft het [gedaagden] bij brief van diezelfde datum aan [eiser] medegedeeld dat de zorgovereenkomst met [dochter] per 1 februari 2018 zal worden beëindigd wegens een gebrek aan vertrouwen en een verstoorde relatie met de familie. Daarop heeft [eiser] de klacht met een vierde klachtonderdeel uitgebreid. De klacht bestond uiteindelijk uit vier klachtonderdelen:
1. klachten m.b.t. de zorgverlening;
2. klachten met betrekking tot de klachtenprocedure;
3. klachten m.b.t. de bejegening, en
4. een klacht over de eenzijdige opzegging van de overeenkomst van [dochter] .
Op 18 juni 2018 heeft de Geschilleninstantie Zorggeschil uitspraak gedaan. De klachtonderdelen 1 en 3 zijn ongegrond verklaard. De klachtonderdelen 2 en 4 zijn gegrond verklaard. Ten aanzien van klachtonderdeel 4, de beëindiging van de zorgovereenkomst, heeft de commissie onder meer als volgt overwogen:
Een onherstelbare verstoorde vertrouwensrelatie met familie, waaronder de wettelijk vertegenwoordiger, kan een gewichtige reden zijn voor opzegging. Voordat gesproken kan worden over een onherstelbaar verstoorde vertrouwensrelatie, moeten er de nodige inspanningen zijn gedaan om te komen tot verbetering van die relatie. De zorgaanbieder zal hierbij extra zorgvuldig te werk moeten gaan omdat het de relatie met familie betreft en niet met de cliënt zelf. (…)
De commissie is van oordeel dat Aangeklaagde bij het beëindigen van de
behandelingsovereenkomst niet met de vereiste zorgvuldigheid te werk is gegaan.
-
Er heeft geen verbetertraject plaatsgevonden, gericht op de verbetering van de relatie tussen zorgaanbieders en familie, nadat is vastgesteld dat sprake was van een verstoorde relatie.
-
Er hebben geen bemiddelingsgesprekken plaatsgevonden, althans niet met intensiteit en de insteek zoals verwacht mag worden.
-
Er heeft geen laatste waarschuwing plaatsgevonden;
-
Het voornemen om de overeenkomst op te zeggen is niet voorgelegd aan [bedrijf] althans dat blijkt nergens uit. Er ontbreekt een oordeel van [bedrijf] voorafgaand aan de daadwerkelijk opzegging, dat het proces zorgvuldig is doorlopen. Dit ondanks dat dit een contractuele voorwaarde is voor opzegging.
Dc commissie is om bovenstaande redenen van oordeel dat Aangeklaagden de overeenkomst niet had mogen opzeggen. De zorgovereenkomst eindigt niet door de opzegging en Aangeklaagde dient de zorgovereenkomst na te komen.
Oordeel
De Commissie is van oordeel dat dit onderdeel van de klacht gegrond is.
Bij brief van 9 juli 2018 heeft de advocaat van [eiser] de gemachtigde van het [gedaagden] aangeschreven en verzocht om een afspraak in te plannen om te bezien hoe de zorg van [dochter] verder vorm kan worden gegeven. Een gesprek tussen de ouders van [dochter] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] heeft niet plaatsgevonden.
Op advies van [bedrijf] heeft het [gedaagden] de heer [naam 3] (hierna: [naam 3] ), werkzaam in een [gedaagden] in Friesland, ingeschakeld voor begeleiding bij de communicatie tussen partijen. Daarnaast heeft het [gedaagden] orthopedagoog, de heer [naam 4] (hierna: [naam 4] ), ingeschakeld om aan de hand van de SEO-R methode te bezien wat de zorgbehoefte van [dochter] is.
Onder begeleiding van [naam 3] heeft op 22 november 2018 in aanwezigheid van [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , de ouders van [dochter] en [naam 4] een gesprek plaatsgevonden. Tijdens het gesprek zijn onder meer de bevindingen van [naam 3] en [naam 4] besproken. Van het gesprek is een verslag gemaakt, waarin mede is opgenomen:
[naam 3] geeft aan dat duidelijk de communicatie tussen ouders en zorgondernemers heel erg is beschadigd, naar zijn mening onherstelbaar.
[naam 3] ziet daarin geen vooruitgang of een mogelijkheid om te repareren. (…)
Moeder vraagt haar af waarom we nu niet met z'n allen goed kunnen communiceren en evalueren met het team om de bevindingen van [naam 4] toe te passen. Als je dat wilt, moet het toch kunnen! Moeder geeft aan bereid te zijn een nieuwe start te maken.
[naam 3] geeft aan dat de afgelopen anderhalf jaar de kloof onherstelbaar groot is geworden.
[naam 3] geeft aan dat deze niet meer te herstellen is, daar is teveel voor gebeurd, geschreven en gezegd. Je kan nog heel veel energie steken in het proberen te repareren, maar je moet je afvragen in wie zijn belang dat is. Het is natuurlijk erg treurig zoals het nu gaat over de rug van [dochter] .
De conclusie moet zijn dat het voor alle partijen beter is om te kijken naar een andere woonomgeving voor [dochter] , waarbij een nieuwe start gemaakt kan worden door alle partijen. (…)
Moeder vraagt aan [gedaagde 3] / [naam 7] waarom niet opnieuw te kunnen beginnen met communiceren met ouders. Dat zou een start kunnen zijn. [naam 3] geeft aan dat in de afgelopen "klachtenregen" die er is geweest met de bewoordingen en conclusies het niet mogelijk zal zijn om bij elkaar te komen. Dat gaat niet lukken. Bewoordingen als geestelijke mishandeling hebben er behoorlijk ingehakt en zijn niet terug te draaien. Het heeft de afstand vanuit [gedaagde 3] , [naam 7] en haar team naar ouders alleen maar groter gemaakt.
Het [gedaagden] heeft bij brief van 29 november 2018 de overeenkomst met [dochter] opgezegd per 1 december 2018. Als redenen voor de opzegging is kort gezegd genoemd een verstoorde relatie en daarnaast een veranderde dynamiek in de groep, waardoor [dochter] de aansluiting in de groep is kwijtgeraakt.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 19 december 2018 duidelijk gemaakt dat niet zal worden ingestemd met de eenzijdige beëindiging van de overeenkomst. Voorgesteld is om in overleg te treden over de voortzetting van de zorg voor [dochter] .
Het [gedaagden] heeft afwijzend op het voornoemde voorstel gereageerd. De gemachtigde van het [gedaagden] heeft schriftelijke medegedeeld dat het [gedaagden] enkel in gesprek wenst te treden over de wijze waarop een en ander moet worden afgewikkeld.
3 Het geschil
[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, het [gedaagden] :
primair:
a. te gelasten om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de zorgverlening
en de nakoming van de zorg- en huurovereenkomst integraal en gaaf voort te zetten;
subsidiair:
b. te gelasten om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de zorgverlening en de nakoming van de zorg- en huurovereenkomst integraal en gaaf voort te zetten, althans voort te zetten tot het moment dat [eiser] een andere voor [dochter] [eiser] passende en geschikte woonruimte heeft gevonden;
primair en subsidiair:
c. hoofdelijk te veroordelen tot voldoening van een dwangsom aan [eiser] voor € 1.000,-- per overtreding van het gevorderde onder sub a en/of b met een maximum van € 200.000,-- - alsmede een dwangsom van € 1.000,-- per dag voor iedere dag of gedeelte daarvan dat het [gedaagden] met het onder a en/of b met een maximum van € 200.000,-- in gebreke is na betekening van het vonnis;
d. hoofdelijk te veroordelen aan [eiser] de nakosten ten bedrage van € 131,-- zonder betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis, vermeerderd met € 68,-- in geval van betekening, te betalen;
e. hoofdelijk, te veroordelen aan [eiser] de proceskosten te betalen.
[eiser] heeft - zakelijk weergegeven - aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de opzegging van de overeenkomst niet legitiem is en daarnaast niet op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De opzegging kan daarom niet in stand blijven.
Het [gedaagden] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4 De beoordeling
Het spoedeisend belang bij de onderhavige vorderingen vloeit naar het oordeel van de voorzieningenrechter uit de aard van de zaak voort.
Ter beoordeling ligt voor de vraag of het [gedaagden] de bewoners- en huurovereenkomst met betrekking tot [dochter] eenzijdig heeft kunnen en mogen opzeggen. Het ligt op de weg van het [gedaagden] om in het kader van dit kort geding voldoende aannemelijk te maken dat sprake is van zodanige gewichtige redenen dat deze de opzegging voldoende rechtvaardigen, in die zin dat van het [gedaagden] in redelijkheid niet kan worden gevraagd dat de overeenkomst wordt voortgezet.
In het midden kan blijven of de onderhavige zorgovereenkomst kan worden aangemerkt als een geneeskundige behandelingsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Partijen zijn het erover eens dat de tussen hen gesloten overeenkomst kan worden bestempeld als een duurovereenkomst die slechts tussentijds mag worden opgezegd als daar gewichtige redenen voor zijn.
Voorop wordt gesteld dat het onderhavige conflict aanwezig is tussen [eiser] (ofwel de ouders van [dochter] ) en het [gedaagden] en derhalve niet tussen [dochter] en het [gedaagden] . Een dergelijk conflict kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter slechts in uitzonderlijke situaties een reden tot opzegging opleveren. Daarvan zou sprake kunnen zijn indien [eiser] ernstig grensoverschrijdend gedrag kan worden verweten en/of sprake zou zijn van een situatie dat vanwege het gedrag van [eiser] in redelijkheid niet van de hulpverlener gevraagd kan worden dat de zorgovereenkomst met de cliënt wordt voortgezet. Van dat laatste geval zou sprake kunnen zijn indien de verhoudingen zo ernstig verstoord zijn dat de hulpverlener herstel van de vertrouwensrelatie uitgesloten acht en andere oplossingen hebben gefaald. Voor beide situaties geldt dat de lat daarbij voor de hulpverlener zeer hoog ligt voordat de zorgovereenkomst met de cliënt kan worden opgezegd en dat alleen in uitzonderlijke gevallen naar de opzeggingsmogelijkheid gegrepen kan worden.
Bij de beoordeling van het antwoord op de vraag of het [gedaagden] gewichtige redenen had, is voor de voorzieningenrechter van belang dat personen als [dochter] kwetsbare mensen zijn, die in bijzondere mate belang hebben bij een stabiele en vertrouwde omgeving. Het belang van [dochter] staat bij de beoordeling dan ook voorop.
Het [gedaagden] heeft zich op het standpunt gesteld dat het de zorgovereenkomst op de juiste gronden heeft opgezegd bij brief van 29 november 2018. Er is volgens het [gedaagden] sprake van een gewichtige reden gelegen in een diepe vertrouwenscrisis, waardoor een onwerkbare situatie is ontstaan tussen [gedaagde 2] en [gedaagde 3] enerzijds en de naasten van [dochter] anderzijds. Verder heeft zij als gewichtige reden naar voren gebracht dat [dochter] de aansluiting bij de groep is kwijtgeraakt.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet voldoende aannemelijk geworden dat de vertrouwensrelatie tussen [eiser] en het [gedaagden] onherstelbaar is beschadigd, zoals door het [gedaagden] is gesteld, en door [eiser] gemotiveerd is bestreden. Weliswaar is er sprake van een conflictsituatie tussen partijen maar dit rechtvaardigt vooralsnog niet de conclusie dat sprake is van een onherstelbare vertrouwensbreuk.
De voorzieningenrechter constateert dat [eiser] vanaf januari 2017 klachten heeft geuit over de zorg die [dochter] ontvangt. In oktober 2017 hebben twee tantes van [dochter] een klacht ingediend bij het [gedaagden] , welke klacht [eiser] heeft onderschreven. Het feit dat [eiser] heeft geklaagd, mag op zichzelf niet bijdragen aan het aannemen van een gewichtige reden voor opzegging. Artikel 13 Wkkgz beoogt immers een effectieve en laagdrempelige opvang en afhandeling van klachten mogelijk te maken. Hieraan zou afbreuk worden gedaan als klachten vervolgens worden opgevoerd als gewichtige redenen voor opzegging. In dit kader mag van het [gedaagden] als ondernemer het nodige worden verwacht, waaronder - zoals voorgeschreven in de wet - het uitvoeren van een zorgvuldig onderzoek over de geuite klacht(en). Dit onderzoek heeft niet plaatsgevonden.
De Geschilleninstantie Zorggeschil heeft in het onder 2.12. genoemde besluit bindend tussen partijen vastgesteld dat de klachten over de procedure bij het [gedaagden] en over de opzegging per 1 december 2018 gegrond zijn. Volgens de Geschilleninstantie is het [gedaagden] niet met de vereiste zorgvuldigheid te werk is gegaan. Naar het oordeel van de Geschilleninstantie heeft het [gedaagden] de stappen, die minimaal moeten worden doorlopen om van een zorgvuldige opzegging te kunnen spreken, niet doorlopen. De mogelijkheden om tot verbetering van de relatie te komen zijn niet verkend, er hebben geen bemiddelingsgesprekken plaatsgevonden, een laatste waarschuwing is achterwege gebleven en het voornemen om de overeenkomst op te zeggen, is niet voorgelegd aan [bedrijf] .
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter had het naar aanleiding van de uitspraak van de Geschilleninstantie Zorggeschil op de weg van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] , als professioneel zorgverleners, gelegen om inspanningen te verrichten om tot een betere, werkbare relatie en herstel van het vertrouwen met [eiser] te komen. Het had in elk geval op hen weg gelegen om persoonlijk met [eiser] over de inhoud van de uitspraak en de gevolgen hiervan voor de zorg van [dochter] in gesprek te gaan. Dit is niet gebeurd, terwijl de advocaat van [eiser] hierom uitdrukkelijk heeft verzocht. Dit klemt te meer nu het [gedaagden] in de eerdere, door de Geschilleninstantie onzorgvuldig geoordeelde, procedure om onbegrijpelijke redenen verstek had laten gaan bij een bemiddelingsgesprek.
De voorzieningenrechter heeft notie genomen van het standpunt van het [gedaagden] dat het naar aanleiding van de uitspraak van de Geschilleninstantie Zorggeschil een aantal acties heeft ondernomen, waaronder het inschakelen van [naam 3] en [naam 4] . Het is evenwel de vraag of deze acties kunnen worden aangemerkt als inspanningen gericht op het herstel van de relatie en het voortzetten van het verblijf van [dochter] .
Op 22 november 2018 heeft een gesprek plaatsgevonden met [naam 3] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , de ouders van [dochter] en [naam 4] . Van dit gesprek is een verslag gemaakt. Voor de voorzieningenrechter is onduidelijk gebleven welke rol [naam 3] heeft toebedeeld gekregen tijdens het gesprek. Het [gedaagden] heeft weliswaar gesteld dat hij is ingeschakeld als bemiddelaar om te bezien of het mogelijk zou zijn om de verhoudingen te herstellen, maar indachtig het verslag zet de voorzieningenrechter hierbij zijn vraagtekens. Uit het verslag (punt 2.15. van de feiten) maakt de voorzieningenrechter op dat [naam 3] kennelijk van mening was dat de communicatie tussen de ouders van [dochter] en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] was verstoord en wel zodanig dat deze niet meer te herstellen zou zijn. Dit terwijl [eiser] ter zitting heeft toegelicht dat het de eerste keer was dat hij [naam 3] sprak en dat partijen na de uitspraak van de Geschilleninstantie Zorggeschil met elkaar in gesprek zijn gegaan. Het is op zijn minst opmerkelijk te noemen dat [naam 3] zo stellig meent te weten dat "de kloof onherstelbaar groot is geworden". Zeker nu de echtgenote van [eiser] meermaals (zoals opgenomen in het verslag) heeft verzocht om een nieuwe start te maken. Het verslag geeft dan ook geen beeld van het ingaan van het gesprek met open vizier om daadwerkelijk de mogelijkheden tot verbetering van de relatie te verkennen. Het gesprek van 22 november 2018 kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook niet als één van de voorgeschreven stappen als bedoeld door de Geschilleninstantie Zorggeschil worden aangemerkt.
Mede bezien tegen de belangen van [dochter] die spelen in deze kwestie, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het op de weg van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] had gelegen om de ontstane situatie met meer bereidheid en inspanningen tegemoet te treden en niet direct na het gesprek van 22 november 2018 opnieuw de overeenkomst op te zeggen. Van de bedoelde inspanningen is de voorzieningenrechter niet of nauwelijks gebleken. Het [gedaagden] heeft naar het zich laat aanzien voortgeborduurd op de eerdere opzegging en heeft niet getracht om de situatie daadwerkelijk om te draaien en ten goede te keren.
Dat er sprake is geweest van een "klachtenregen" van de kant van [eiser] , zoals genoemd in gespreksverslag van 22 november 2018 (hetgeen overigens niet is onderbouwd), kan niet aan [eiser] worden tegengeworpen. De voorzieningenrechter verwijst naar wat hij eerder heeft overwogen over dat dit afbreuk zou doen aan de door de wet geëiste effectieve en laagdrempelige klachtenregeling.
De voorzieningenrechter sluit zijn ogen niet voor het feit dat ook [eiser] , getuige het verslag van 22 november 2018, grote woorden als :"geestelijk mishandeling" jegens [gedaagde 2] en [gedaagde 3] heeft gebruikt en dat de verhoudingen daardoor (verder) op scherp zijn komen te staan. Dit kan evenwel mede worden toegeschreven aan de tussen partijen in de tijd ontstane dynamiek en is onvoldoende reden om in dit stadium tot opzegging van de overeenkomst over te gaan. Dat er een negatieve situatie tussen partijen is ontstaan, mag dan ook niet enkel worden toegeschreven aan [eiser] .
De voorzieningenrechter volgt het [gedaagden] evenmin in zijn (overigens pas later ingenomen) standpunt dat de opzegging gebaseerd mocht worden op het missen door [dochter] van aansluiting in de groep. Het [gedaagden] heeft dit standpunt, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door [eiser] , onvoldoende onderbouwd. Het [gedaagden] heeft ter onderbouwing van zijn standpunt weliswaar verwezen naar een oordeel van [naam 4] over het missen van aansluiting in de groep maar [eiser] heeft hiertegenover gesteld dat emeritus hoogleraar orthopedagogiek [naam 6] van de Rijksuniversiteit [woonplaats] vraagtekens bij dit oordeel en de gebruikte onderzoeksmethode heeft geplaatst, waardoor in het kader van dit kort geding niet is komen vast te staan dat [dochter] de aansluiting in de groep mist. Zeker gelet op het feit dat [dochter] al ruim 9 jaren in het [gedaagden] woont, valt ook niet in te zien om welke reden zij thans de aansluiting in de groep zou missen.
Dit alles leidt tot de slotsom dat niet aannemelijk is geworden dat het [gedaagden] voldoende gewichtige redenen had om de bewoners- en huurovereenkomst eenzijdig op te zeggen. Dit betekent dat de eenzijdige opzegging door het [gedaagden] naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen stand houdt. De overeenkomst is dan ook nog steeds van kracht, zodat de primaire vordering, te gelasten de zorgverlening en de nakoming van de zorg- en huurovereenkomst integraal en gaaf voort te zetten, zal worden toegewezen.
[gedaagde 2] heeft ter zitting toegelicht dat zij geen vertrouwen en ruimte (meer) ziet om uitvoering te geven aan de overeenkomst en aangegeven zelfs te stoppen met de onderneming indien de vordering zal worden toegewezen. Het mag zo zijn dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] aan het eind van hun latijn zijn, dit doet naar het oordeel van de voorzieningenrechter evenwel geen afbreuk aan de verplichtingen die op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst op het [gedaagden] als professionele zorgverlener rusten. Het [gedaagden] zal zijn contractuele verplichtingen jegens [dochter] en de andere bewoners van het [gedaagden] in beginsel gewoon moeten nakomen.
Mede nu ongewis is of het [gedaagden] de overeenkomst zal nakomen, zal de gevorderde oplegging van dwangsommen worden toegewezen, zoals in het dictum te melden. Voor zover het [gedaagden] meent dat de reikwijdte van het gebod tot integraal en gaaf voorzetten van de overeenkomst tot onduidelijkheid en geschillen in verband met de executie kan leiden, is de mogelijkheid tot het starten van een executiegeschil een voldoende remedie. De voorzieningenrechter gaat er vanuit dat de gematigde dwangsom een voldoende prikkel tot nakoming vormt.
Het [gedaagden] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, hoofdelijk in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:
- dagvaarding € 107,09
- griffierecht € 297,00
- salaris advocaat € 980,00
Totaal € 1.380,09
De meegevorderde nakosten zijn eveneens toewijsbaar.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter:
- veroordeelt het [gedaagden] om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de zorgverlening en de nakoming van de zorg- en huurovereenkomst integraal en gaaf voort te zetten,
- veroordeelt het [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van een dwangsom van € 1.000,00 per dag voor het geval dat niet aan de hoofdveroordeling wordt voldaan, een maximum van € 100.000,00,
- veroordeelt het [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de proceskosten, tot deze uitspraak aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 1.380,09,
- veroordeelt het [gedaagden] hoofdelijk in de nakosten aan de zijde van [eiser] , vastgesteld op € 157,00 zonder betekening, te verhogen met een bedrag van € 82,00 met betekening van dit vonnis,
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
- wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.W. van Weringh en in het openbaar uitgesproken op 10 mei 2019.