Insolventierecht
Toewijzing dwangakkoord. Schuldeiser heeft geen inhoudelijk verweerd gevoerd.
Rechtbank Noord-Nederland, 25 maart 2026
ECLI:NL:RBNNE:2026:2495 · Rechtbank Noord-Nederland · 25 maart 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-nederland/civiel-recht/insolventierecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbnne-2026-2495
Zaakgegevens
Op 25 maart 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Groningen
- Datum uitspraak
- 25 maart 2026
- Datum publicatie
- 29 juni 2026
- Zaaknummer
- NL:TZ:2601530:R-RK
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Insolventierecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNNE:2026:2495
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Toewijzing dwangakkoord. Schuldeiser heeft geen inhoudelijk verweerd gevoerd.
Uitspraak
RECHTBANK Noord-Nederland
Team Insolventie
Zittingsplaats Groningen
Rekestnummer: NL:TZ:2601530:R-RK
Vonnis van 25 maart 2026
op het verzoek van
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
verzoeker, hierna te noemen [verzoeker] ,
tegen
Saldodipje,
gevestigd en kantoorhoudende te Líeda, Spanje,
hierna te noemen Saldodipje,
tot het bevelen van voornoemde schuldeiser(s) in te stemmen met een schuldregeling ex artikel 287a Faillissementswet.
1 De procedure
[verzoeker] heeft op 23 januari 2026 twee verzoeken bij de rechtbank ingediend. In de eerste plaats wil [verzoeker] dat de rechtbank Saldodipje een dwangakkoord oplegt. Zij moeten dan meewerken aan de schuldregeling van [verzoeker] . Als de rechtbank dit verzoek afwijst, wil [verzoeker] worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp).
Het verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord is behandeld op de zitting van
16 maart 2026. Hierbij is [verzoeker] verschenen met mevrouw [naam] van de Groningse Kredietbank (hierna: GKB).
De rechtbank heeft bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen.
2 De feiten
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. De totale schuldenlast van [verzoeker] is
€ 5.690,45. [verzoeker] heeft 7 schuldeisers. [verzoeker] heeft met behulp van GKB een voorstel gedaan aan zijn schuldeisers waarbij een deel van de schulden wordt voldaan en het resterende deel door de schuldeisers wordt kwijtgescholden. Dit voorstel is gedaan op 29 juli 2025. De gewone schuldeisers krijgen een uitkering van 14,90 %. Het voorstel is gebaseerd op een saneringskrediet.
Saldodipje is niet met dit voorstel akkoord gegaan. In totaal vordert
Saldodipje € 820,00 van [verzoeker] . Dat is 14,5 % van de totale schuldenlast.
[verzoeker] is 51 jaar oud en alleenstaand. Zijn schulden zijn ontstaan door een periode van dakloosheid. Sinds 25 november 2024 maakt [verzoeker] gebruikt van budgetbeheer bij GKB. Hij ontvangt een participatiewetuitkering van de gemeente. Voor de komende 2 jaar is [verzoeker] ontheven van arbeidsverplichtingen omdat hij op dit moment nog niet in staat is om te werken vanwege zijn mentale en fysieke toestand.
3 Het verweer
Saldodipje heeft zich onthouden van instemming met het voorstel en heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd. De reden tot weigering is daarom niet bekend.
4 De beoordeling van het verzoek tot het vaststellen van een dwangakkoord.
De rechtbank wijst het verzoek om een dwangakkoord op te leggen toe. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot deze beslissing komt.
Beoordelingskader
Een verzoek tot oplegging van een dwangakkoord kan worden toegewezen als aan twee voorwaarden is voldaan. De rechtbank moet ten eerste vaststellen dat de schuldbemiddeling op de juiste wijze is uitgevoerd door een daartoe bevoegde instantie. Ten tweede moet de rechtbank vaststellen dat de weigering van verweerders om in te stemmen met de aangeboden schuldregeling onredelijk is. Hierbij moet de rechtbank de belangen van de weigerende schuldeiser(s), de overige schuldeisers en schuldenaar tegen elkaar afwegen.
De rechtbank neemt daarbij als uitgangspunt dat een schuldeiser mag weigeren om mee te werken aan een door de schuldenaar aangeboden schuldregeling waarbij de schuldenaar maar een deel van de vordering hoeft te betalen. Alleen in bijzondere gevallen kan een schuldeiser gedwongen worden om akkoord te gaan met zo'n betalingsvoorstel. Het is dan aan de schuldenaar om deze bijzondere feiten en omstandigheden te stellen en, waar nodig, te bewijzen. Het moet duidelijk zijn dat de weigering van de schuldeiser om in te stemmen met het akkoord niet redelijk is. Om dit te kunnen beoordelen weegt de rechtbank de belangen van alle betrokkenen tegen elkaar af.
Bevoegde instantie
De rechtbank stelt vast dat het voorstel is ingediend en getoetst door GKB. GKB heeft vooral gekeken naar de positie van de schuldeisers wanneer er geen dwangakkoord tot stand zou komen maar een schuldsaneringsregeling zou worden uitgesproken GKB is volgens de rechtbank een onafhankelijke en deskundige partij. Naar het oordeel van de rechtbank is het voorstel goed en betrouwbaar uitgelegd met documenten en voldoende onderbouwd.
Maximaal haalbare?
Het voorstel van [verzoeker] is wel het maximaal haalbare. Nu [verzoeker] voor de komende 2 jaar ontheven is van de arbeidsverplichting gaat het inkomen de komende tijd niet veranderen. Dat wil zeggen dat het niet te verwachten valt dat de schuldeisers van [verzoeker] binnen korte tijd een beter aanbod kunnen verwachten.
Deze regeling is in het belang van de andere schuldeisers
De schuldeisers die wel met het voorstel van [verzoeker] hebben ingestemd, vertegenwoordigen samen ruim 85,5% van de totale schuldenlast. Omdat [verzoeker] een maximaal haalbaar voorstel heeft gedaan, moeten de belangen van deze schuldeisers zwaarder wegen dat de belangen van verweerders omdat zij een groter percentage in de totale schuldenlast vertegenwoordigen.
Deze regeling is gunstiger dan de Wsnp
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat als [verzoeker] zou worden toegelaten tot de Wsnp, zijn schuldeisers aan het einde van de Wsnp geen hogere uitkering kunnen verwachten dan in de aangeboden schuldregeling. De Wsnp leidt tot hogere kosten, doordat de vergoeding van de bewindvoerder uit het gespaarde saldo wordt voldaan. De bemiddelingskosten die GKB in rekening brengt zijn lager dan de kosten van een bewindvoerder in de Wsnp. Hierdoor blijft in de schuldregeling een hoger bedrag over voor de schuldeisers dan in de Wsnp.
Omdat het aanbod van [verzoeker] goed en betrouwbaar is gedocumenteerd, voldoende is onderbouwd, de Wsnp Saldodipje geen beter vooruitzicht biedt dan de aangeboden schuldregeling en de overige schuldeisers met het voorstel hebben ingestemd, is de rechtbank van oordeel dat de weigering van Saldodipje om akkoord te gaan niet redelijk is. Dat geldt temeer omdat Saldodipje niet heeft toegelicht waarom zij niet met het voorstel heeft ingestemd. Eventuele andere belangen van Saldodipje heeft de rechtbank dan ook niet kunnen meewegen. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord zal toewijzen.
Omdat het verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord zal worden toegewezen, hoeft het verzoek tot toelating tot de Wsnp niet meer besproken te worden. De rechtbank beschouwt het verzoek tot toelating tot de Wsnp als ingetrokken.
5 De beslissing
- beveelt Saldodipje in te stemmen met de hierboven genoemde schuldregeling;
Dit is een beslissing van mr. M.G. Groenewegen, bijgestaan door de griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.