Insolventierecht
Voorlopige voorziening afwijzen. Moratorium. Onvoldoende aannemelijk dat de lopende huurtermijnen kunnen en…
Rechtbank Rotterdam, 21 oktober 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:14871 · Rechtbank Rotterdam · 21 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/insolventierecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbrot-2026-14871
Zaakgegevens
Op 21 oktober 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 21 oktober 2026
- Datum publicatie
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL:TZ:2616023:R-RK - NL:TZ:2616024:R-RK
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Insolventierecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:14871
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Voorlopige voorziening afwijzen. Moratorium. Onvoldoende aannemelijk dat de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan.
Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: afwijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
Zittingsplaats Rotterdam
Rekestnummers: [nummer 1] - [nummer 2]
Uitspraakdatum: 21 oktober 2026
[verzoeker] ,
wonende te [straatnaam],
[postcode] [woonplaats],
verzoeker.
1 De procedure
Verzoeker heeft op 15 juli 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 15 juli 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 22 juli 2026, waarna deze datum op herhaald verzoek van verzoeker, steeds kort voor de zitting, driemaal is gewijzigd en uiteindelijk is bepaald op 14 oktober 2026.
Ter zitting van 14 oktober 2026 is verschenen en gehoord:
- mevrouw [persoon A], werkzaam bij Sociale Dienst Drechtsteden (hierna: schuldhulpverlening).
Verzoeker is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.
Bij mailbericht van 18 augustus 2026 heeft de heer mr. T. Roelofs, werkzaam bij Hafkamp Groenenwegen Gerechtsdeurwaarders, namens Stichting Woonkracht10, gevestigd te Zwijndrecht (hierna: verweerster) laten weten dat verweerster zich refereert aan het oordeel van de rechtbank. Verweerster is niet ter zitting verschenen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2 Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 16 april 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
De schulden van verzoeker zijn ontstaan door een terugval van inkomsten. Verzoeker heeft zich aangemeld bij de Sociale Dienst Drechtsteden voor hulp bij zijn schulden. In het verzoekschrift wordt een netto inkomen van verzoeker opgegeven van € 2.850 per maand. De lopende huur bedraagt € 848,11 per maand.
3 Het verweer
Verweerster heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
4 De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 16 april 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 13 mei 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 16 juli 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 16 april 2026 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan. Het is onduidelijk of verzoeker de afgelopen maanden de huur heeft betaald en er is ook geen inzicht in de huidige inkomenssituatie van verzoeker. Hetgeen daarover in het verzoekschrift is vermeld, is niet te controleren. Verzoeker is bovendien niet ter zitting verschenen om een toelichting te geven.
Daarnaast blijkt uit de verklaring van schuldhulpverlening ter zitting, dat de communicatie met verzoeker uiterst moeizaam verloopt en dat zij ondanks herhaalde pogingen nog geen afspraak met verzoeker hebben kunnen maken om de schuldhulpverlening op te starten. Schuldhulpverlening heeft geen inzicht in de inkomsten en uitgaven van verzoeker en de schuldenlast. Budgetbeheer is niet opgestart. Daarom ontbreekt de overtuiging dat verzoeker zich zal inspannen om een oplossing te vinden voor zijn gestelde problematische schuldensituatie.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het belang van verweerster zwaarder dient te wegen dan het belang van verzoeker. De verzochte voorziening zal dan ook worden afgewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5 De beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.A. Bettonvil, rechter, en in aanwezigheid van T.M.M. de Laat, griffier, in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026.