Insolventierecht
Voorlopige voorziening toewijzen. Moratorium. Zes maanden. Voldoende aannemelijk dat de lopende huurtermijnen…
Rechtbank Rotterdam, 21 oktober 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:14878 · Rechtbank Rotterdam · 21 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/insolventierecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbrot-2026-14878
Zaakgegevens
Op 21 oktober 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 21 oktober 2026
- Datum publicatie
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL:TZ:2617427:R-RK - NL:TZ:2617431:R-RK
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Insolventierecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:14878
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Voorlopige voorziening toewijzen. Moratorium. Zes maanden. Voldoende aannemelijk dat de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan
Uitspraak
aRECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
Zittingsplaats Rotterdam
Rekestnummers: [nummer 1] - [nummer 2]
Uitspraakdatum: 21 oktober 2026
[verzoekster] ,
wonende te [straatnaam] ,
[postcode] [woonplaats] ,
verzoekster.
1 De procedure
Verzoekster heeft op 29 september 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 29 september 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 14 oktober 2026.
Ter zitting van 14 oktober 2026 zijn verschenen en gehoord:
-
verzoekster;
-
de heer mr. D.A. IJpelaar, advocaat van verzoekster
-
de heer [persoon A] mevrouw [persoon B] en mevrouw [persoon C] , allen werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
Mevrouw mr. E.A.J.M. van der Wijngaard, werkzaam bij SWG Advocaten B.V. heeft namens Stichting Rabobank Pensioenfonds (hierna: verweerster) voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden. In haar verweerschrift heeft verweerster aangegeven niet ter zitting te verschijnen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2 Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 15 juli 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster heeft sinds 1 oktober 2026 een nieuwe baan en zal € 4.600,- bruto per maand gaan verdienen. De huur bedraagt € 1.367,06 per maand. De huur wordt sinds februari 2026 weer betaald. Verzoekster wenst een oplossing voor haar schuldenproblematiek. Zij heeft zich daarom gemeld bij Geldplein voor schuldhulpverlening. Tevens wordt door Geldplein budgetbeheer ingesteld. Daarmee wordt gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen worden voldaan.
3 Het verweer
Verweerster heeft in haar verweerschrift aangevoerd dat zij geen enkel zicht heeft op de financiële situatie van verzoekster en daarom niet kan beoordelen of er sprake is een stabiele situatie waarin de lopende huur de komende maanden kan worden betaald. De lopende huur wordt weliswaar betaald, maar in september is de huur pas op de 21e betaald en bovendien wordt niet de juiste huurprijs betaald. Daarnaast lijkt het moratorium te worden misbruikt om de ontruiming van het gehuurde op de lange baan te schuiven omdat er ook een verzoekschrift tot toelating in de wsnp is ingediend. Verweerster verwijt verzoekster dat zij niet al ten tijde van de vroegsignalering, hulp heeft gezocht.
4 De beoordeling
Beoordelingskader
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 15 juli 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 3 augustus 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 27 oktober 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 15 juli 2026 ten uitvoer kan leggen.
Verweer Stichting Rabobank Pensioenfonds
Anders dan verweerster kennelijk meent, is het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling een vereiste voor de gevraagde voorziening. Indien sprake is van een bedreigende situatie als bedoeld in artikel 287b Fw, kan een verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling tevens een verzoek bevatten tot het geven van een voorlopige voorziening die strekt tot het van toepassing verklaren van de artikel 305 Fw. Dat is in dit geval verzocht.
Volgens de brief in het dossier van 15 april 2026, die namens verweerster aan verzoekster is gestuurd in verband met de huurprijsaanpassing per 1 juli 2026, bedraagt de huurprijs van de woning van verzoekster met ingang van 1 juli 2026 € 1.367,06 per maand. Dit bedrag is door verzoekster ook voldaan. De stelling van verweerster dat verzoekster niet de volledige huurprijs betaalt kan de rechtbank dan ook niet volgen. De door verweerster genoemde huurprijs van € 1.377,06 blijkt niet uit het dossier en is ook ter zitting door verweerder niet nader toegelicht.
Belangenafweging
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster heeft ter zitting een verklaring gegeven voor de te late betaling van de maand september. Verzoekster heeft voor de duur van het moratorium een vaste baan waarbij haar inkomen voldoende is om de lopende huurtermijnen te betalen. Doordat verzoekster gebruik gaat maken van budgetbeheer is ook voldoende gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Ingangsdatum moratorium
Omdat de beslissing op dit verzoek eerder wordt genomen dan de datum waarop de ontruiming is aangezegd, zal de rechtbank de ingangsdatum van deze voorziening bepalen op heden.
Schuldsaneringsverzoek niet-ontvankelijk
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard.
Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5 De beslissing
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 15 juli 2026 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan [straatnaam] te [woonplaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf heden;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.A. Bettonvil, rechter, en in aanwezigheid van T.M.M. de Laat, griffier, in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026.