Insolventierecht
Voorlopige voorziening toewijzen. Moratorium. Zes maanden. Voldoende aannemelijk dat de lopende huurtermijnen…
Rechtbank Rotterdam, 21 oktober 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:14879 · Rechtbank Rotterdam · 21 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/insolventierecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbrot-2026-14879
Zaakgegevens
Op 21 oktober 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 21 oktober 2026
- Datum publicatie
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL:TZ:2617386:R-RK - NL:TZ:2617387:R-RK
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Insolventierecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:14879
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Voorlopige voorziening toewijzen. Moratorium. Zes maanden. Voldoende aannemelijk dat de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan
Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
Zittingsplaats Rotterdam
Rekestnummers: [nummer 1] - [nummer 2]
Uitspraakdatum: 21 oktober 2026
[verzoekster] ,
wonende te [straatnaam],
[postcode] [woonplaats],
verzoekster.
1 De procedure
Verzoekster heeft op 24 september 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 25 september 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 14 oktober 2026.
Ter zitting van 14 oktober 2026 zijn verschenen en gehoord:
-
verzoekster
-
mevrouw [persoon A] en mevrouw [persoon B], werkzaam bij Sociale Dienst Drechtsteden (hierna: schuldhulpverlening);
De heer mr. T. Roelofs, werkzaam bij Hafkamp Groenenwegen Gerechtsdeurwaarders heeft namens [verweerster], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: verweerster) voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een e-mail toegezonden. In haar e-mail heeft verweerster zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en medegedeeld niet ter zitting te verschijnen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2 Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 juli 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster heeft twee banen in de zorg, één voor 32 uur per week en één voor 16 uur per week. Verzoekster ontvangt een netto inkomen tussen de € 3.000 en € 4.000 per maand, afhankelijk van het aantal uren dat zij werkt. De huur bedraagt € 675,68 per maand. De huurtermijnen van augustus, september en oktober 2026 zijn betaald. Verzoekster heeft een beschermingsbewindvoerder gevonden en zal zo snel mogelijk het beschermingsbewind aanvragen. Hierdoor is gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden betaald. Daarnaast heeft verzoekster er belang bij om met haar twee inwonende meerderjarige kinderen in de woning te kunnen blijven wonen.
3 Het verweer
Verweerster heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
4 De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 juli 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 27 juli 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 1 oktober 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij met haar kinderen in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 9 juli 2026 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster heeft werk en haar inkomen is toereikend om de huur te betalen. De lopende huur wordt vanaf augustus 2026 steeds door verzoekster betaald. Verzoekster gaat ook gebruik maken van beschermingsbewind zodat voldoende gewaarborgd is dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster. Het verzoek zal daarom worden toegewezen.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5 De beslissing
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 9 juli 2026 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan het [straatnaam] te [woonplaats], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 25 september 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.A. Bettonvil, rechter, en in aanwezigheid van T.M.M. de Laat, griffier, in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026.