Insolventierecht
Voorlopige voorziening toewijzen. Moratorium. Zes maanden. Voldoende aannemelijk dat de lopende huurtermijnen…
Rechtbank Rotterdam, 21 oktober 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:14876 · Rechtbank Rotterdam · 21 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/insolventierecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbrot-2026-14876
Zaakgegevens
Op 21 oktober 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 21 oktober 2026
- Datum publicatie
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL:TZ:2617432:R-RK - NL:TZ:2617433:R-RK NL:TZ:2617434:R-RK - NL:TZ:2617435:R-RK
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Insolventierecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:14876
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Voorlopige voorziening toewijzen. Moratorium. Zes maanden. Voldoende aannemelijk dat de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan.
Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
Rekestnummers: [nummer 1] - [nummer 2]
[nummer 3] - [nummer 4]
Uitspraakdatum: 21 oktober 2026
[verzoeker ] en
[verzoekster] ,
beiden wonende te [straatnaam],
[postcode] [woonplaats],
verzoekers.
1 De procedure
Verzoekers hebben op 29 september 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 29 september 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 14 oktober 2026.
Ter zitting van 14 oktober 2026 zijn verschenen en gehoord:
-
verzoekers;
-
de heer mr. D.A. IJpelaar, advocaat van verzoekers;
-
de heer [persoon A], namens Stichting Woonstad Rotterdam (hierna: verweerster).
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2 Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 23 juli 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers ten uitvoer te leggen.
Verzoeker is zelfstandige en werkt in de bouw. Hij heeft al lange tijd een vaste opdrachtgever via een uitzendbureau. Verzoeker kan ook de komende zes maanden bij deze opdrachtgever werken. Verzoeker ontvangt een netto salaris van ongeveer € 4.500,-. Dit inkomen is voldoende om maandelijks de huur van € 614,12 te voldoen. De huur wordt al sinds juni 2024 weer betaald. Verzoekster is op zoek naar werk. Verzoeker heeft zich aangemeld bij schuldhulpverlener Zuidweg & Partners. De verwachting bestaat dat het minnelijk traject binnen een periode van zes maanden kan worden afgerond. Zuidweg & Partners neemt daarbij ook de schulden van verzoekster mee. Daarnaast hebben verzoekers er belang bij om met hun twee inwonende minderjarige kinderen in de woning te kunnen blijven wonen.
3 Het verweer
Verweerster heeft ter zitting toegelicht dat het hier gaat om een oude huurschuld. Hoewel verzoekers al sinds juni 2024 de lopende huur betalen, lukt het hen niet om de restschuld af te betalen. Er zijn verschillende betalingsregelingen getroffen die uiteindelijk niet zijn nagekomen. Verweerster heeft de ontruiming aangezegd in de hoop dat verzoekers een oplossing gaan vinden voor hun schuldenproblematiek. Verweerster heeft ter zitting verklaard dat zij kan instemmen met de toewijzing van de verzochte voorziening.
4 De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekers een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 23 juli 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers en een kopie van het exploot van 7 september 2026 hebben overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 7 oktober 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekers, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekers enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekers bestaat erin dat zij samen met hun minderjarige kinderen in de huurwoning kunnen blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekers kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 23 juli 2024 ten uitvoer kan leggen.
Het inkomen van verzoekers is stabiel en toereikend om de huur te betalen en de lopende huur wordt vanaf juni 2024 steeds tijdig door verzoekers betaald. Ook zijn verzoekers gemotiveerd om samen met schuldhulpverlening te werken aan een oplossing voor hun schulden. Verweerster heeft ter zitting verklaard in te stemmen met de gevraagde voorziening. De verzochte voorziening wordt daarom toegewezen.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zullen verzoekers gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard.
Zo nodig kunnen verzoekers te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5 De beslissing
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 23 juli 2024 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekers gelegen aan de [straatnaam] te [woonplaats], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 29 september 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekers de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.A. Bettonvil, rechter, en in aanwezigheid van mr. T.M.M. de Laat, griffier, in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026.