Personen- en familierecht

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing. De kinderrechter betrekt bij de beoordeling ook de uitvoering van…

Rechtbank Noord-Nederland, 22 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 22 oktober 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
22 oktober 2026
Datum publicatie
2 november 2026
Zaaknummer
C/18/260785
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2026:4662
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing. De kinderrechter betrekt bij de beoordeling ook de uitvoering van de machtiging. Een tijdelijke plaatsing zonder voldoende waarborgen voor passende professionele begeleiding kan slechts als overbrugging worden aanvaard. Bij een volgend verlengingsverzoek wordt de uitvoering opnieuw beoordeeld.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Groningen

Zaaknummer: C/18/260785 / JE RK 26-1607

Datum uitspraak: 22 oktober 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming.

regio Noord-Nederland, locatie Leeuwarden,

die hierna "de Raad" wordt genoemd.

die betrekking heeft op

[naam minderjarige 1] ,

die is geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] ,

en die hierna " [naam minderjarige 1] " wordt genoemd, en

[naam minderjarige 2] ,

die is geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] ,

en die hierna " [naam minderjarige 2] " wordt genoemd.

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

die woont in [plaatsnaam] ,

en die hierna "de moeder" wordt genoemd,

advocaat mr. H.D. Postma, die kantoor houdt in Leeuwarden,

[naam vader] ,

die verblijft in de PI in [plaatsnaam] ,

en die hierna "de vader" wordt genoemd,

de gecertificeerde instelling

Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering,

die is gevestigd in Leeuwarden,

en die hierna "de Gl" wordt genoemd.

1 Het (verdere) procesverloop

1.1.

Bij beschikking van 10 september 2026 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [naam minderjarige 1] en [naam minderjarige 2] verleend voor de duur van dag en nacht, met ingang van 22 september 2026 tot 26 oktober 2026. De kinderrechter heeft de GI verzocht om te informeren over de mogelijkheden voor een passende vervolgplek voor [naam minderjarige 1] en [naam minderjarige 2] en de beslissing over het resterende deel van de machtiging aangehouden.

1.2.

De kinderrechter heeft op 8 oktober 2026 gesproken met [naam minderjarige 1] en [naam minderjarige 2] .

1.3.

De rechtbank heeft op 9 oktober 2026 een brief van de GI ontvangen.

1.4.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2026. De kinderrechter heeft toen gesproken met de moeder, bijgestaan door haar advocaat, [naam vertegenwoordigers GI] , die de GI vertegenwoordigen en [naam vertegenwoordiger Raad] , die de Raad vertegenwoordigt. De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen tijdens de mondelinge behandeling.

1.5.

Ten slotte is bepaald dat vandaag deze beschikking wordt gegeven.

2 De (verdere) beoordeling

2.1.

De Raad heeft op 27 augustus 2026 verzocht om een voorlopige ondertoezichtstelling van [naam minderjarige 1] , [naam minderjarige 2] en hun broertjes en om een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [naam minderjarige 1] en [naam minderjarige 2] , beide voor de duur van drie maanden. De voorlopige ondertoezichtstelling is uitgesproken voor de maximale duur van drie maanden. De machtiging tot uithuisplaatsing is aanvankelijk verleend voor vier weken en bij beschikking van 10 september 2026 verlengd tot 26 oktober 2026. De beslissing op het resterende deel van het verzoek, tot 26 november 2026, is aangehouden.

2.2.

Te beoordeling staat nu of de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam minderjarige 1] en [naam minderjarige 2] voor de resterende duur van het verzoek moet worden verlengd. De kinderrechter is van oordeel dat aan de wettelijke voorwaarden voor verlenging is voldaan en dat de verlenging in het belang van beide kinderen noodzakelijk is. De kinderrechter verwijst naar de overwegingen in de tussenbeschikking van 10 september 2026, die hier als herhaald en ingelast worden beschouwd. Deze overwegingen zijn nog onverkort van toepassing. De kinderrechter wijst het resterende deel van het verzoek van de Raad daarom toe en verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing tot 26 november 2026.

2.3.

De kinderrechter gaat er bij deze beslissing van uit dat de Raad op korte termijn alsnog zal rapporteren en, zoals tijdens de mondelinge behandeling is besproken, om nadere kinderbeschermingsmaatregelen zal verzoeken. Om een voortvarende behandeling daarvan mogelijk te maken, is tijdens de mondelinge behandeling alvast een datum en tijdstip vastgesteld voor de behandeling van het onderzoeksrapport en de daarop gebaseerde verzoeken. Een voortvarende behandeling is in het belang van [naam minderjarige 1] en [naam minderjarige 2] en hun ouders.

2.4.

Ten aanzien van de plaatsing van [naam minderjarige 1] en [naam minderjarige 2] overweegt de kinderrechter verder als volgt.

2.5.

Het wettelijke stelsel gaat ervan uit dat de GI verantwoordelijk is voor de uitvoering van een machtiging tot uithuisplaatsing. De kinderrechter bepaalt in beginsel niet op welke wijze de GI daaraan uitvoering geeft. Dit uitgangspunt kan echter op gespannen voet komen te staan met de bescherming van de fundamentele rechten die zijn gewaarborgd in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Daardoor kan spanning ontstaan tussen de beslissingsruimte die de wet aan de kinderrechter toekent en diens taak om deze verdragsrechtelijk gewaarborgde rechten te beschermen.

2.6.

De kinderrechter stelt voorop dat bepalingen van deze verdragen die naar hun inhoud eenieder kunnen verbinden, op grond van de artikelen 93 en 94 van de Grondwet rechtstreeks doorwerken in de Nederlandse rechtsorde. Wettelijke voorschriften blijven buiten toepassing voor zover de toepassing daarvan niet verenigbaar is met deze verdragsbepalingen.

2.7.

Artikel 8 EVRM is een dergelijke rechtstreeks werkende bepaling. Dit artikel beschermt het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven. Een kinderbeschermingsmaatregel die in dit recht ingrijpt, moet voldoen aan de voorwaarden van het tweede lid. Een van die voorwaarden is dat de inmenging bij wet is voorzien.

2.8.

Daarnaast bepaalt artikel 3, eerste lid, IVRK dat de belangen van het kind bij alle maatregelen die kinderen betreffen een eerste overweging moeten vormen.

2.9.

Tegen deze achtergrond acht de kinderrechter het in dit concrete geval noodzakelijk ook de beoogde uitvoering van de uithuisplaatsing bij de beoordeling te betrekken. Daarbij zijn de belaste voorgeschiedenis en de verzwaarde zorgbehoefte van beide kinderen van belang. De aandacht gaat in het bijzonder uit naar [naam minderjarige 2] , omdat voor [naam minderjarige 1] inmiddels een vervolgplek is gevonden.

2.10.

Op grond van de Jeugdwet rust op de verantwoordelijke gemeente de verplichting om te voorzien in passende en toereikende jeugdhulp. Deze hulp moet zodanig worden ingericht dat de veiligheid, de ontwikkeling en het welzijn van het kind worden gewaarborgd. Ook de hulp die in het kader van een uithuisplaatsing wordt geboden, moet voldoen aan de daarvoor geldende wettelijke kwaliteitseisen.

2.11.

De Jeugdwet verplicht jeugdhulpaanbieders verantwoorde hulp te bieden. Daaronder wordt verstaan: hulp van goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en is afgestemd op de reële behoefte van het kind. Dit brengt onder meer mee dat de aanbieder voldoende personeel inzet dat beschikt over de voor die hulp noodzakelijke kennis en deskundigheid.

2.12.

Het Besluit Jeugdwet werkt de eisen aan de kwaliteit en de verantwoorde uitvoering van jeugdhulp nader uit. Bij de beoordeling van de geboden hulp zijn onder meer een veilig leefklimaat, de borging van de kwaliteit en de inzet van voldoende deskundig personeel van belang. Bij kinderen met complexe gedragsproblematiek kan dit betekenen dat specifieke deskundigheid en intensieve professionele begeleiding noodzakelijk zijn.

2.13.

Ook de toepasselijke gemeentelijke regelgeving en de afspraken over de kwaliteit van de ingezette jeugdhulp zijn in dit verband van belang. De keuze voor een tijdelijke voorziening ontslaat de betrokken instanties niet van hun verantwoordelijkheid om de veiligheid, de kwaliteit van de hulp en het toezicht daarop te waarborgen.

2.14.

Tegen deze achtergrond is de kinderrechter van oordeel dat de beschreven plaatsing van [naam minderjarige 2] in een vakantiehuisje, zonder aantoonbare inzet van voldoende gekwalificeerd personeel en zonder aantoonbare kwaliteitsborging, onvoldoende waarborgen biedt voor haar veiligheid en ontwikkeling. Niet de aard van de accommodatie op zichzelf, maar het ontbreken van deze waarborgen is daarbij doorslaggevend. Gelet op haar problematiek heeft [naam minderjarige 2] juist behoefte aan een omgeving waarin passende professionele hulp en begeleiding zijn verzekerd.

2.15.

Op basis van de beschikbare informatie is onvoldoende gebleken dat de huidige uitvoering van de uithuisplaatsing voldoet aan de toepasselijke eisen van de Jeugdwet, het Besluit Jeugdwet en de gemeentelijke regelgeving. Schaarste aan passende voorzieningen en de complexiteit van de zorgvraag kunnen verklaren waarom voor deze oplossing is gekozen, maar rechtvaardigen niet dat de wettelijke kwaliteitseisen terzijde worden geschoven. Deze omstandigheden roepen daarom ook de vraag op of de uitvoering van de maatregel zich verdraagt met de bescherming die artikel 8 EVRM biedt.

2.16.

Tegelijkertijd onderkent de kinderrechter dat de huidige plaatsing voor beide kinderen een overbruggingsfunctie vervult. Voor [naam minderjarige 1] is inmiddels een vervolgplek gevonden. Voor [naam minderjarige 2] kan voortzetting van de huidige plaatsing slechts als tijdelijke overbrugging worden aanvaard, waarbij deze niet langer mag duren dan strikt noodzakelijk is. Haar behoefte aan passende professionele hulp en begeleiding maakt dat met spoed naar een geschikte vervolgplek moet worden toegewerkt.

2.17.

De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing daarom voor de hierna te bepalen duur verlengen. Daarmee is niet gegeven dat de huidige wijze van uitvoering ook bij een volgend verlengingsverzoek aanvaardbaar zal worden geacht. Bij een dergelijk verzoek zal de kinderrechter opnieuw beoordelen of de uitvoering van de maatregel, mede gelet op de duur van de tijdelijke plaatsing en de dan beschikbare waarborgen, verenigbaar is met de rechten en belangen van de kinderen.

2.18.

De verantwoordelijkheid van de betrokken instanties om passende, veilige en kwalitatief verantwoorde jeugdhulp te realiseren, blijft onverkort bestaan. Praktische en organisatorische beperkingen kunnen niet zonder meer rechtvaardigen dat kinderen verstoken blijven van de hulp en bescherming die zij nodig hebben.

3 De beslissing

De kinderrechter:

3.1.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam minderjarige 1] en [naam minderjarige 2] gedurende dag en

nacht tot 26 november 2026;

3.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. B.R. Tromp, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2026, in aanwezigheid van mr. R.A. Bakker als griffier.

Als u het niet eens bent met de beslissing die de kinderrechter heeft genomen met betreling tot de machtiging tot uithuisplaatsing kunt u in hoger beroep. U kunt niet in hoger beroep tegen de beslissing over de voorlopige ondertoezichtstelling. Let op! Hoger beroep kunt u niet zelf instellen. U moet daarvoor naar een advocaat. Een advocaat kan voor u hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Belangrijk is dat u snel naar een advocaat gaat. Hoger beroep moet meestal binnen drie maanden na de dag van de uitspraak worden ingesteld.