Personen- en familierecht

Verzoek medewerking aan de beëindiging van religieus huwelijk (artikel 1:68 lid 2 BW). Man voert verweer: hij…

Rechtbank Noord-Nederland, 28 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 28 oktober 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
28 oktober 2026
Datum publicatie
3 november 2026
Zaaknummer
C/18/254404
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Advocaat
mr. A. Hashem Jawaheri, mr. J.J. Geuze
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2026:4680
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek medewerking aan de beëindiging van religieus huwelijk (artikel 1:68 lid 2 BW). Man voert verweer: hij betwist gebrek aan medewerking en wil wel een ‘kuhl’. Vorderingen vrouw worden toegewezen. Het standpunt van de man komt neer op een weigering om zijn medewerking te verlenen aan de beëindiging van het religieuze huwelijk. De man wil alleen meewerken op zijn voorwaarden. Deze houding is naar het oordeel van de rechtbank onrechtmatig jegens de vrouw. De man is strafrechtelijk veroordeeld voor een poging tot doodslag op de vrouw, waarvoor hij een gevangenisstraf heeft gekregen van vijf jaar. Het kan in de gegeven omstandigheden niet van de vrouw worden verlangd dat zij instemt met een beëindiging van het huwelijk op een wijze die tot gevolg heeft dat op haar een moreel stigma komt te rusten, zij financieel wordt benadeeld, of de man via het stellen van voorwaarden waar zij het niet mee eens is, de regie krijgt over de beëindiging van het huwelijk en, daarmee, over haar leven en dat van kinderen.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Nederland

Civiel recht

Zittingsplaats Groningen

Zaaknummer: C/18/254404 / HA ZA 26-158

Vonnis van 28 oktober 2026

in de zaak van

[naam vrouw] ,

die woont op een bij de rechtbank bekend adres,

eisende partij,

advocaat: mr. A. Hashem Jawaheri, die kantoor houdt in Amsterdam,

en

[naam man] ,

die volgens de basisregistratie personen (BRP) woont in [plaatsnaam] (Noorwegen), maar feitelijk verblijft in de penitentiaire inrichting PI [plaatsnaam] ,

gedaagde partij,

advocaat: mr. J.J. Geuze, die kantoor houdt in Best.

Partijen worden hierna "de vrouw" en "de man" genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 8 juli 2026;

- de mondelinge behandeling van 7 oktober 2026, waarbij zijn verschenen en gehoord partijen en hun advocaten. De vrouw werd bijgestaan door een tolk, [naam tolk] (tolkennummer: [tolkennummer] ) en de man werd bijgestaan door een tolk, [naam tolk] (tolkennummer: [tolkennummer] ).

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De rechtbank zal bij de beoordeling van het geschil uitgaan van de navolgende feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of niet voldoende betwist tussen partijen vaststaan.

2.2.

Partijen zijn op [datum] 2006 met elkaar getrouwd op het consulaat van de Islamitische Republiek van Afghanistan gevestigd in [plaatsnaam] (Iran).

2.3.

Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, locatie 's-Hertogenbosch, van 26 augustus 2025 is de echtscheiding van het tussen partijen in Iran gesloten huwelijk uitgesproken. Die beschikking is op 16 januari 2026 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.4.

De echtscheiding in Nederland is in Afghanistan (nog) niet erkend en het Afghaanse religieuze huwelijk tussen partijen is (nog) niet ontbonden.

2.5.

De man heeft de Noorse nationaliteit heeft en de vrouw de Nederlandse nationaliteit.

2.6.

De man is strafrechtelijk veroordeeld wegens poging doodslag van de vrouw. De man heeft een gevangenisstraf van vijf jaar opgelegd gekregen. Hij is in dat verband gedetineerd.

3 Het geschil

3.1.

De vrouw vordert om bij vonnis, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man te veroordelen:

  1. om binnen veertien dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis zijn volledige en onvoorwaardelijk medewerking te verlenen aan het tot stand komen van de Afghaanse religieuze echtscheiding, waaronder in ieder geval wordt verstaan het verschijnen tijdens een (nog te maken) afspraak met geestelijke en het inschrijven van de echtscheiding bij de Afghaanse ambassade te 's-Gravenhage, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel dat gedaagde weigert aan deze verplichting te voldoen, met een maximum van € 500.000,00; en

  2. in de kosten van deze procedure met bepaling dat, als deze kosten niet binnen zeven dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis worden voldaan, daarover vanaf de achtste dag na dagtekening van het vonnis, wettelijke rente is verschuldigd.

3.2.

De man voert verweer. De man concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw met compensatie van de proceskosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De zaak heeft een internationaal karakter. Partijen zijn in 2006 getrouwd in Iran op het Afghaanse consulaat en de man heeft de Noorse nationaliteit. De vrouw heeft haar gewone verblijfplaats in Nederland. De vorderingen van de vrouw om medewerking van de man aan de beëindiging van het religieuze huwelijk zijn gebaseerd op het leerstuk van de onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). De Nederlandse rechter is op grond van artikel 6 aanhef en onder e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevoegd om van dit geschil kennis te nemen nu de gestelde weigering tot medewerking door de man en de gestelde gevolgen daarvan zich in elk geval in Nederland voordoen omdat de vrouw hier haar woonplaats heeft. De rechtbank zal Nederlands recht toepassen. Dit volgt uit de toepassing van artikel 4 lid 1 van de Europese Verordening Rome II in samenhang met artikel 10:159 BW en het feit dat het centrum van de belangen van de vrouw in Nederland is gelegen (Hoge Raad 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1054). Partijen zijn ook tot de conclusie gekomen dat de Nederlandse rechter bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is.

4.2.

De rechtbank overweegt als volgt over de vorderingen van de vrouw.

4.3.

Bij beschikking van 26 augustus 2025 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze echtscheiding is op [datum] 2026 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Naar Afghaans recht zijn partijen nog religieus met elkaar getrouwd. De vrouw wil ook dit huwelijk beëindigen. De rechtbank begrijpt dat zij in dat verband een gerechtelijke echtscheiding naar Afghaans recht wil aanvragen en dat zij wil dat de man daaraan zijn medewerking verleent.

4.4.

Van belang is dat artikel 1:68 BW bepaalt dat een partij bij een religieuze of levensbeschouwelijke verbintenis is gehouden tot het verlenen van medewerking aan het teniet doen gaan van die verbintenis als een andere partij daarom verzoekt, tenzij dit gelet op zwaarwegende belangen in redelijkheid niet kan worden gevergd. De Hoge Raad heeft in 1982 al geoordeeld dat de weigering om het nodige te doen om tot een religieuze echtscheiding te komen, onrechtmatig kan zijn als dat in strijd is met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer jegens de ander in acht moet worden genomen (Hoge Raad 22 januari 1982, ECLI:NL:PHR:1982:AG4319).

4.5.

De man voert aan dat hij wil meewerken aan de beëindiging van het religieuze huwelijk via de procedure van de ‘kuhl’. De vrouw kan die procedure, aldus de man, zelf aanhangig maken, en hij zal daaraan meewerken. Er is dan ook geen sprake van weigering tot meewerken of van enig onrechtmatig handelen, aldus de man.

4.6.

Tijdens de mondelinge behandeling is gesproken over de verschillende procedures die kunnen worden ingezet om het religieuze huwelijk te beëindigen. De vrouw heeft uitgelegd waarom zij geen kuhl wil. De vrouw wil een gerechtelijke echtscheiding. Zij heeft verteld dat een kuhl voor haar financieel nadelig is en dat de sociale en religieuze gemeenschap deze procedure zo kan opvatten dat haar een verwijt van de echtscheiding treft. De man heeft dit niet betwist. Integendeel, het bleek dat de man inderdaad om die redenen wel een kuhl wil, maar niet de gerechtelijke procedure die de vrouw in gang wil zetten. Tijdens de mondelinge behandeling bleek ook dat de man überhaupt voorwaarden verbindt aan zijn medewerking. Hij is boos en verontwaardigd over het feit dat hij geen omgang heeft met de kinderen en is bang dat de vrouw met hen naar het buitenland vertrekt als zijn ouderlijk gezag is beëindigd - de procedure daartoe is aanhangig -. Hij heeft uitgelegd dat hij wil dat de vrouw ervoor zorgt dat er contact komt met de kinderen en dat hij wil wat hem financieel toekomt.

4.7.

Het standpunt van de man komt neer op een weigering om zijn medewerking te verlenen aan de beëindiging van het religieuze huwelijk. De man wil alleen meewerken op zijn voorwaarden. Deze houding is naar het oordeel van de rechtbank onrechtmatig jegens de vrouw. De man is strafrechtelijk veroordeeld voor een poging tot doodslag op haar, waarvoor hij een gevangenisstraf heeft gekregen van vijf jaar. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat de kinderen aanwezig zijn geweest bij het ernstige gewelddadige incident waarbij de man haar met een mes heeft gestoken. De vrouw heeft toegelicht welke impact dit op haar en op de kinderen heeft. Het kan in de gegeven omstandigheden niet van de vrouw worden verlangd dat zij instemt met een beëindiging van het huwelijk op een wijze die tot gevolg heeft dat op haar een moreel stigma komt te rusten, zij financieel wordt benadeeld, of de man via het stellen van voorwaarden waar zij het niet mee eens is, de regie krijgt over de beëindiging van het huwelijk en, daarmee, over haar leven en dat van de kinderen.

4.8.

De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat de man zal moeten meewerken aan de beëindiging van het huwelijk zoals de vrouw dat wil. De man handelt onrechtmatig en in het verlengde hiervan draagt hij geen zwaarwegende belangen aan zoals in artikel 1:68 BW lid 2 wordt bedoeld. Bij deze beoordeling is ook acht geslagen op de belangen van de kinderen. Op grond van artikel 3 lid 1 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind heeft de rechtbank aanzienlijk gewicht toe te kennen aan die belangen. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling uitgelegd dat de kinderen bang zijn voor de man en hem niet willen zien. De man heeft, gevraagd naar wat in het belang van de kinderen is, vooral benadrukt dat hij het recht heeft om de kinderen te zien. Het is duidelijk dat het in het belang van de kinderen is dat het religieuze huwelijk wordt beëindigd zodat de moeder, die voor de kinderen zorgt, vrij is om haar leven in te richten op een manier die veilig is voor haar en de kinderen. Ook zijn bij de beoordeling de verplichtingen betrokken die de Nederlandse overheid jegens slachtoffers van huiselijk geweld heeft op basis van het Verdrag van Istanbul.

De dwangsom

4.9.

De rechtbank zal aan de veroordeling een dwangsom verbinden om de man tot nakoming te bewegen, zoals de vrouw heeft gevorderd. De man moet verschijnen bij de afspraak met de geestelijke, die de geestelijke die door de vrouw wordt ingeschakeld tijdig aan de man bekendmaakt, en de noodzakelijke handelingen verrichten om de gerechtelijke religieuze echtscheiding tot stand te brengen en te laten inschrijven bij de Afghaanse ambassade in Den Haag. Gelet op de detentie van de man en zijn naar verwachting beperkte financiële middelen, stelt de rechtbank de dwangsom vast op € 50,- per dag dat hij, nadat hij daartoe in de gelegenheid is gesteld, niet aan de veroordeling voldoet, met een maximum van € 5.000,-.

De proceskosten

4.10.

De proceskosten zullen tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt de man om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis zijn volledige en onvoorwaardelijk medewerking te verlenen aan het tot stand komen van de Afghaanse religieuze echtscheiding, waaronder in ieder geval wordt verstaan het verschijnen tijdens een (nog te maken) afspraak met geestelijke en het inschrijven van de echtscheiding bij de Afghaanse ambassade te 's-Gravenhage, onder verbeurte van een dwangsom van

€ 50,00 per dag dat hij weigert aan deze verplichting te voldoen, met een maximum van

€ 5.000,00;

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Dijkstra en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2026.

!

!

!