Materieel strafrecht
Bewezenverklaring van bedreiging en wederrechtelijke vrijheidsberoving. Conform het advies Pro Justitia van…
Rechtbank Noord-Nederland, 19 april 2022
ECLI:NL:RBNNE:2022:5579 · Rechtbank Noord-Nederland · 19 april 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-nederland/strafrecht/materieel-strafrecht/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbnne-2022-5579
Zaakgegevens
Op 19 april 2022 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Assen
- Datum uitspraak
- 19 april 2022
- Datum publicatie
- 14 oktober 2024
- Zaaknummer
- 18-122282-21
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Materieel strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNNE:2022:5579
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Bewezenverklaring van bedreiging en wederrechtelijke vrijheidsberoving. Conform het advies Pro Justitia van de gedragsdeskundigen van [instelling 2] oordeelt de rechtbank dat het bewezenverklaarde niet aan verdachte kan worden toegerekend. Volgt ontslag van alle rechtsvervolging. Aan verdachte wordt de maatregel van tbs van overheidswege opgelegd. De totale duur van de maatregel is niet in tijd beperkt.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18.122282-21
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 19 april 2022 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd in [instelling 1] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen van 19 oktober 2021 en (na heropening van het onderzoek bij tussenvonnis van 2 november 2021) van
5 april 2022.
Verdachte is in persoon (bij videoconferentie) verschenen ter terechtzittingen van 19 oktober 2021 en 5 april 2022, telkens bijgestaan door mr. J.B. Pieters, advocaat te Hoogeveen.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting van 19 oktober 2021 vertegenwoordigd door mr. T. Pitstra en ter terechtzitting van 5 april 2022 door mr. M.H.G. Scharenborg.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 7 mei 2021 te Beilen, gemeente Midden-Drenthe [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door
(terwijl hij richting die [slachtoffer 1] liep) stekende bewegingen te maken met zijn handen en/of al dan niet tegelijkertijd die [slachtoffer 1] de volgende woorden te doen toekomen:
-
“ ik ga je neersteken”, en/of
-
“ ik vermoord je”, en/of
-
“ ik sla je dood”,
althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
2
hij op of omstreeks 7 mei 2021 te Beilen, gemeente Midden-Drenthe opzettelijk [slachtoffer 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door
-
die [slachtoffer 2] mee te lokken naar de badkamer en/of die [slachtoffer 2] zich naar de badkamer te laten bewegen, en/of (vervolgens)
-
de badkamer te betreden, en/of (vervolgens)
-
de deur van de badkamer op slot te draaien, en/of (vervolgens)
-
( meermalen) die [slachtoffer 2] bij haar armen en/of van achteren vast te pakken, en/of
-
( meermalen) die [slachtoffer 2] te beletten alarm te slaan, en/of
-
constant bij die [slachtoffer 2] in de buurt te zijn en/of te blijven, in ieder geval door die
[slachtoffer 2] gedurende een periode, in elk geval gedurende enige tijd, te belet(ten) om zich vrij te bewegen en/of om zich aldaar te verwijderen en/of zich aan de situatie te onttrekken;
3
hij op of omstreeks 7 mei 2021 te Beilen, gemeente Midden-Drenthe ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer 2] te dwingen tot het
ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , immers heeft hij, verdachte,
-
die [slachtoffer 2] meegelokt naar de badkamer, en/of die badkamerdeur vervolgens op slot gedraaid, en/of
-
die [slachtoffer 2] bij haar armen en/of van achteren en/of om haar middel vastgepakt, en/of
-
de rits van de jas van die [slachtoffer 2] (een stuk) open gedaan, en/of
-
tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd: “ik ga je verkrachten”, althans woorden van gelijke
dreigende strekking en/of aard,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 7 mei 2021 te Beilen, gemeente Midden-Drenthe [slachtoffer 2] heeft bedreigd met verkrachting, door
-
die [slachtoffer 2] bij haar armen en/of van achteren en/of om haar middel vast te pakken, en/of
-
de rits van de jas van die [slachtoffer 2] (een stuk) te doen, en/of
-
de volgende woorden naar haar te uiten: “Ik ga je verkrachten”, althans woorden van gelijke dreigende strekking en/of aard.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de feiten 1, 2 en 3 subsidiair met uitzondering van hetgeen bij het laatste gedachtestreepje is vermeld, te weten:
"- de volgende woorden naar haar te uiten: “Ik ga je verkrachten”, althans woorden van gelijke dreigende strekking en/of aard".
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft op gronden als vermeld in de pleitnota betoogd dat verdachte ter zake van het onder 3 primair en subsidiair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Verdachte ontkent stellig dat het zijn bedoeling was aangeefster te verkrachten of te bedreigen met verkrachting en dit opzet kan ook niet worden afgeleid uit de uiterlijke verschijningsvorm van de gebeurtenissen.
Voor de feiten 1 en 2 kan een bewezenverklaring volgen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht feit 3 primair en subsidiair niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank acht met name in zowel het primair als subsidiair ten laste
gelegde niet bewezen dat verdachte de daarin opgenomen woorden “ik ga je verkrachten” daadwerkelijk heeft gebezigd. Aangeefster heeft dat zelf ook niet verklaard. De overige opgenomen handelingen in de tenlastelegging kunnen naar het oordeel van de rechtbank weliswaar bewezen worden verklaard maar zij leiden niet tot de conclusie dat verdachte (reeds) daarmee een begin van de uitvoering van de verkrachting heeft gemaakt. Evenmin zijn deze handelingen, zonder de toevoeging van de woorden “ik ga je verkrachten”, voldoende voor een bewezenverklaring van een bedreiging (met verkrachting).
De rechtbank acht de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
1. De bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 oktober 2021;
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 9 mei 2021, opgenomen op pagina 22 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2021118843 d.d. 9 mei 2021, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 1] .
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 9 mei 2021, opgenomen op pagina 17 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 2] .
Bewezenverklaring
De rechtbank acht feit 1 en feit 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1. ?
hij op 7 mei 2021 te Beilen, gemeente Midden-Drenthe [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door (terwijl hij richting die [slachtoffer 1] liep) stekende bewegingen te maken met zijn handen en al dan niet tegelijkertijd die [slachtoffer 1] de volgende woorden te doen toekomen:
-
“ ik ga je neersteken”, en
-
“ ik vermoord je”, en
-
“ ik sla je dood”.
2
hij op 7 mei 2021 te Beilen, gemeente Midden-Drenthe opzettelijk [slachtoffer 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door
-
die [slachtoffer 2] te lokken naar de badkamer en die [slachtoffer 2] zich naar de badkamer te laten bewegen, en vervolgens
-
de badkamer te betreden, en vervolgens
-
de deur van de badkamer op slot te draaien, en vervolgens
-
die [slachtoffer 2] bij haar armen en van achteren vast te pakken, en
-
meermalen die [slachtoffer 2] te beletten alarm te slaan, en
-
constant bij die [slachtoffer 2] in de buurt te zijn en te blijven, en zo die [slachtoffer 2] te beletten zich vrij te bewegen en zich aldaar te verwijderen en zich aan de situatie te onttrekken;
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
-
Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
-
Opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven of beroofd houden.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de feiten 1, 2 en 3 subsidiair wordt ontslagen van alle rechtsvervolging en dat hem de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidsweg wordt opgelegd.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft aangegeven dat verdachte voor de feiten 1 en 2 dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hem die feiten niet kunnen worden toegerekend.
Aan verdachte kan de maatregel van terbeschikkingstelling worden opgelegd met verpleging van overheidswege. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de maatregel voor maximaal vier jaren opgelegd kan worden nu gelet op de feiten 1 en 2 een gewelds-component ontbreekt.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de rapportage pro Justitia van het NIFP, locatie [instelling 2] , uitgebracht op 22 februari 2022, opgemaakt door B.H. Boer, klinisch psycholoog, en A.Z. Botermans, psychiater (onder supervisie van dr. F.R. Kruisdijk, psychiater).
De conclusie van het rapport luidt, zakelijk weergegeven, dat bij verdachte sinds zijn jonge volwassenheid sprake is van een ernstige psychische stoornis, namelijk schizofrenie. Bij verdachte is sinds jaren sprake van verschillende type wanen, akoestische hallucinaties, echolalie bij het spreken, sociaal isolement en forse beperkingen in het dagelijks leven. Er is sprake van een gecombineerde vorm van schizofrenie van het paranoïde en gedesorganiseerde type waarbij, naast de genoemde wanen en hallucinaties, emotionele vervlakking en onvoorspelbaarheid in zijn handelen aanwezig zijn.
Op grond van de beschikbare informatie kan worden vastgesteld dat naast schizofrenie sprake is van een stoornis in het gebruik van middelen, namelijk alcohol, cocaïne en cannabis.
Ten tijde van het ten laste gelegde was er dan ook sprake van een psychotisch toestandsbeeld vanuit zijn schizofrene stoornis.
Onderliggend heeft verdachte een psychotisch wereldbeeld, dat zijn overwegingen, motieven en daaruit voortvloeiend ook zijn handelen beïnvloedt: de realiteitstoetsing van verdachte is ernstig verstoord en de motieven voor zijn handelen vloeien voort uit dit psychotisch toestandsbeeld. Dat is het geval bij alle huidige ten laste gelegde feiten.
Bij verdachte is al met al ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten sprake van een psychotische drijfveer, die heeft geleid tot geplande acties, die weloverwogen lijken, maar zijn ingegeven vanuit psychotische motieven.
Verdachte was ten tijde van de ten laste gelegde feiten volledig onder invloed van zijn psychotisch toestandsbeeld en heeft vanuit psychotische motieven gehandeld. Concluderend wordt geadviseerd om verdachte de ten laste gelegde feiten (indien bewezen) niet toe te rekenen.
De rechtbank kan zich met deze conclusies verenigen en neemt deze over en concludeert met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte dat het bewezen verklaarde aan verdachte niet kan worden toegerekend. Verdachte zal voor de bewezen verklaarde feiten worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Motivering van de maatregel
De rechtbank zal aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling opleggen.
Blijkens de hiervoor genoemde rapportage pro Justitia van het NIFP bestond bij verdachte tijdens het begaan van het bewezen verklaarde een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Het door verdachte begane feit onder 2 is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en het feit onder 1 betreft een misdrijf als omschreven in artikel 37a lid 1 onder 2 van het Wetboek van Strafrecht.
Het feit onder 2 betreft naar het oordeel van de rechtbank een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, in de zin van artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte heeft het slachtoffer een aantal malen vastgepakt waardoor zij niet weg kon en dat gegeven is te beschouwen als een aantasting van de lichamelijke integriteit van personen. Overigens is wederrechtelijke vrijheidsberoving naar zijn aard een geweldsdelict, en vormt daarmee per definitie een aantasting van de lichamelijke integriteit.
Gelet op het voorgaande kan de totale duur van de maatregel daarom een periode van vier jaar te boven gaan.
Verder eist de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de oplegging van die maatregel.
De rechtbank is voorts van oordeel dat verdachte tevens van overheidswege moet worden verpleegd omdat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verpleging eist.
De rechtbank heeft haar oordeel gegrond op het advies van voormelde gedragsdeskundigen. Het advies houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:
De aanwezigheid van ernstige psychopathologie bij verdachte en de daaruit voortvloeiende matig tot hoge kans op herhaling van gedragingen als de ten laste gelegde feiten maken langdurige, klinische behandeling noodzakelijk om het recidivegevaar te verlagen.
Er wordt geadviseerd om verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging op te leggen. Vanwege de aard, hardnekkigheid en omvang van de al langer bestaande stoornis wordt ingeschat dat langdurige behandeling, met een klinisch begin, nodig zal zijn om verdachte dusdanig te stabiliseren dat resocialisatie zou kunnen starten.
De rechtbank kan zich met de inhoud en de conclusie van het advies verenigen en neemt deze over.
Benadeelde partij
[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 8,-- ter vergoeding van materiële schade en 1.000,--ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de vordering voldoende onderbouwd en toewijsbaar met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat schadevergoeding in beginsel voor rekening van de werkgever dient te komen nu de schade naar aanleiding van een werksituatie is ontstaan. De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank waar het gaat om vaststelling van de immateriële schade en heeft ter terechtzitting van 5 april 2022 verzocht om in geval van oplegging van de schadevergoedingsmaatregel het aantal dagen gijzeling op nul te bepalen. Verdachte heeft in feite geen geld en gijzeling dient in zijn situatie geen enkel doel.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht de benadeelde partij ontvankelijk in haar vordering omdat het haar vrij staat een vordering in te dienen tegen degene die een onrechtmatige daad jegens haar heeft gepleegd. Dat een werkgever die schade zou moeten dragen, is onvoldoende onderbouwd.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte onvoldoende door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 mei 2021.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedings-maatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden. De rechtbank zal daarbij het aantal dagen gijzeling bepalen op nul.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b, 57, 282 en 285 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 3 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld, maar verdachte daarvoor niet strafbaar.
Ontslaat verdachte ter zake van alle rechtsvervolging.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.
De totale duur van de maatregel van terbeschikkingstelling is niet in tijd beperkt.
Ten aanzien van 18.122282-21, feit 2:
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van 1.008,-- (zegge: eenduizend acht euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 mei 2021.
Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] te betalen een bedrag van 1.008,-- (zegge: eenduizend acht euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 mei 2021, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door gijzeling voor de duur van 0 dagen.
Dit bedrag bestaat uit 8,-- aan materiële schade en 1.000,-- aan immateriële schade.
Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.
Dit vonnis is gewezen door mr. R. Depping, voorzitter, mr. H.R. Bracht en mr. C. Krijger, rechters, bijgestaan door D.C. Witvoet, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 april 2022.
Mrs. Bracht en Krijger zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.