Materieel strafrecht

Vrijspraak van de impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord, veroordeling voor de impliciet…

Rechtbank Noord-Nederland, 14 juli 2026

Zaakgegevens

Op 14 juli 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
14 juli 2026
Datum publicatie
13 juli 2026
Zaaknummer
18.225978.25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2026:2759
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vrijspraak van de impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord, veroordeling voor de impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot doodslag voor het met een mes in de buik steken van een volstrekt willekeurig slachtoffer.

Ontslag van alle rechtsvervolging wegens volledige ontoerekeningsvatbaarheid. Terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Gedeeltelijke toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18.225978.25

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 14 juli 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats] , wonende te [adres ] ,

thans gedetineerd te [instelling] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 30 juni 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A. Smid, advocaat te Winschoten.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. Roggen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 19 augustus 2025 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in zijn buik, althans zijn bovenlichaam, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat hetgeen verdachte impliciet primair ten laste is gelegd, te weten poging tot moord, niet wettig en overtuigend kan worden bewezen en dat hij daarvan dient te worden vrijgesproken. De aan verdachte impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot doodslag acht zij wel wettig en overtuigend te bewijzen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord. Ten aanzien van de vraag of de impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend kan worden bewezen, heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak van de impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord

De rechtbank is van oordeel dat de impliciet primair aan verdachte ten laste gelegde poging tot moord niet wettig en overtuigend kan worden bewezen en spreekt hem daarvan vrij.

Veroordeling voor de impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot doodslag

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 29 augustus 2025, opgenomen op pagina 124 e.v. van het dossier van politie Noord-Nederland met nummer 2025224022 d.d. 27 oktober 2025, inhoudend als verklaring van [slachtoffer] :

Dinsdagavond 19 augustus 2025 rond 22:30 uur liep ik met mijn neefje naar zijn vaders huis toe in [adres ] te Groningen. Er kwam een man naar ons toe. Hij vroeg waar station Noord was. Ik wees aan en zei hoe hij moest lopen. Ik pakte ook mijn Google Maps erbij op mijn telefoon en typte station Noord in. Dat liet ik hem zien. Toen keek hij mij aan en zei: "Fuck you man" en toen stak hij mij uit het niets in mijn buik en toen rende hij weg. Ik heb snel mijn telefoon gepakt en 112 gebeld. Ik ben op de grond gaan liggen en heb mijn buik gepakt om te zorgen dat ik niet dood zou bloeden. Mijn neefje [naam 1] heeft het verder opgepakt en nu lig ik hier in het ziekenhuis. Ik ben drie keer gereanimeerd. Mijn maag is geperforeerd. Mijn dikke darm, blinde darm en alvleesklier zijn geraakt. Ik krijg sondevoeding.

2. Een schriftelijk bescheid, inhoudende de letselrapportage forensische geneeskunde Forensische dienst 3Noord d.d. 23 augustus 2025, opgesteld door [arts] (forensisch arts), opgenomen op pagina 349 e.v. (digitaal) als bijlage 6 bij het forensisch dossier, voor zover inhoudend:

Bij [slachtoffer] is op 23 augustus 2025 een letselonderzoek uitgevoerd.

Beoordeling: uitgebreid darmletsel (met afsterving van darmweefsel), massaal bloedverlies, kortdurende reanimatiesetting.

3. Een schriftelijk bescheid, inhoudende een kennisgeving van inbeslagneming d.d. 20 augustus 2025, opgenomen op pagina 289 van voornoemd dossier, voor zover inhoudend:

Inbeslagneming

Plaats: [adres ] te Groningen.

Datum en tijd: 20 augustus 2025 te 00:26 uur. Goednummer: PL01002025224022-1858061.

Object: mes.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal forensisch onderzoek stukken van overtuiging (Balkengracht 3 Assen) d.d. 20 augustus 2025, opgenomen op pagina 318 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van de verbalisant:

Het mes met goednummer PL0100-2025224022-1858061 heb ik ten behoeve van nader onderzoek voorzien van SIN AAAE8742NL.

5. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2025.08.20.100 (aanvraag 001), van 22 augustus 2025, opgenomen op pagina 379 e.v. van voornoemd dossier, opgemaakt door ing. H.M. van Beerendonk, op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudend als zijn/haar verklaring:

Onderstaand materiaal is ontvangen van de politie:

SIN

Omschrijving

AAAE8742NL

Mes

Onderstaande bemonsteringen zijn onderworpen aan een DNA-onderzoek:

SIN

Omschrijving bemonstering

AAAE8742NL#01

deel van een bloedspoor van zijde 1 van het

lemmet

AAAE8742NL#02

mogelijk weefselspoor op zijde 1 van het lemmet

AAAE8742NL#03

deel van een bloedspoor van zijde 2 van het

lemmet nabij de punt

AAAE8742NL#04

dactyloscopisch spoor #D01 op het heft nabij het

lemmet

AAAE8742NL#05

resterende deel van het heft van het mes

In onderstaande tabel staan de resultaten van het (vergelijkend) DNA-onderzoek:

AAAE8742NL#04

dactyloscopisch spoor #D01 op het heft nabij het lemmet

DNA kan afkomstig zijn van: minimaal één persoon:

- verdachte [verdachte]

Bewijskracht:

- meer dan 1 miljard

AAAE8742NL#05

resterende deel van het heft van het mes

DNA kan afkomstig zijn van: minimaal één persoon:

- verdachte [verdachte]

Bewijskracht:

- meer dan 1 miljard

AAAE8742NL#04 (dactvloscopisch spoor #D01 van het heft nabij het lemmet)

Voor deze bemonstering is de bewijskracht ten aanzien van verdachte [verdachte] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van één persoon.

DNA-profiel AAAE8742NL#04 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van verdachte [verdachte] , dan wanneer het DNA afkomstig is van een willekeurige onbekende persoon.

AAAE8742NL#05 (resterende deel van het heft van het mes)

Voor deze bemonstering is de bewijskracht ten aanzien van verdachte [verdachte] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van één persoon.

DNA-profiel AAAE8742NL#05 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van verdachte [verdachte] , dan wanneer het DNA afkomstig is van een willekeurige onbekende persoon.

6. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2025.08.20.100 (aanvraag 002), van 30 september 2025, opgenomen op pagina 387 e.v. van voornoemd dossier, opgemaakt door ing. H.M. van Beerendonk, op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudend als zijn/haar verklaring:

Forensische Opsporing Politie Eenheid Noord-Nederland heeft verzocht om het referentiemateriaal WALZ5151NL van slachtoffer [slachtoffer] te onderwerpen aan een DNA-onderzoek en het verkregen DNA-profiel te vergelijken met de eerder verkregen DNA-profielen van sporenmateriaal uit aanvraag 001 van deze zaak. Het doel van dit onderzoek is om vast te stellen of de bemonsteringen DNA bevatten dat van slachtoffer [slachtoffer] afkomstig kan zijn.

mes AAAE8742NL

AAAE8742NL#01

deel van een bloedspoor van de rechterzijde van het lemmet

DNA kan afkomstig zijn van: minimaal 1 persoon:

- slachtoffer [slachtoffer]

Getest op type celmateriaal:

- bloed

Bewijskracht:

- meer dan 1 miljard

Testresultaat:

- positief

AAAE8742NL#02

DNA kan afkomstig zijn van: minimaal 1 persoon:

- slachtoffer [slachtoffer]

Getest op type celmateriaal:

- bloed

Bewijskracht:

- meer dan 1 miljard

Testresultaat:

- positief

AAAE8742NL#03

DNA kan afkomstig zijn van: minimaal 1 persoon:

- slachtoffer [slachtoffer]

Getest op type celmateriaal:

- bloed

Bewijskracht:

- meer dan 1 miljard

Testresultaat:

- positief

AAAE8742NL#01 (deel van een bloedspoor van de rechterzijde van het lemmet) AAAE8742NL#02 (mogelijk weefselspoor op de rechterzijde van het lemmet) AAAE8742NL#03 (deel van een bloedspoor aan de linkerzijde van het lemmet nabij de punt)

Voor deze bemonsteringen is de bewijskracht ten aanzien van slachtoffer [slachtoffer] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonsteringen DNA bevatten van één persoon.

DNA-profielen AAAE8742NL#01, AAAE8742NL#02 en AAAE8742NL#03 zijn elk meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer] , dan wanneer het DNA afkomstig is van een willekeurige onbekende persoon.

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 augustus 2025, opgenomen op pagina 153 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van de verbalisant:

Door de officier van justitie werden de gegevens gevorderd van de volgende OV-chipkaart: "Meedoen-pas" van [verdachte] . Er werd data gevorderd van 19 en 20 augustus 2025.

De resultaten:

Bewegingen 19 augustus 2025:

  • Ingecheckt om 18:58:33 uur in [plaats] .

  • Uitgecheckt om 19:43:14 uur op hoofdstation Groningen

  • Ingecheckt om 23:05:51 uur op station Groningen Noord

  • Controle om 23:10:04 uur, hier staat bij Groningen zonder locatie code, dit betreft een controle in de trein.

  • Uitgecheckt om 23:15:16 uur in Sauwerd.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte heeft elke betrokkenheid bij het ten laste gelegde ontkend en hij heeft verklaard dat hij in de avond van 19 augustus 2025 thuis was op zijn woonadres in [plaats] . Op basis van de gebezigde bewijsmiddelen acht de rechtbank echter wettig en overtuigend bewezen dat verdachte die bewuste avond wel degelijk in Groningen aanwezig was. Zo blijkt uit de opgevraagde historische verkeersgegevens van de bij verdachte in gebruik zijnde OV-chipkaart dat deze kaart in de avond van 19 augustus 2025 gebruikt is om van [plaats] naar Groningen te reizen, waarbij er om 18:58:33 uur is ingecheckt op station [plaats] en om 19:43:14 uur is uitgecheckt op het hoofdstation in Groningen. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij de enige is die deze OV-chipkaart gebruikt, die bovendien bij zijn aanhouding bij hem is aangetroffen. Omstreeks 23:05:51 uur is er met de OV-chipkaart van verdachte ingecheckt op station Noord in Groningen, zijnde een tijdstip binnen zeer korte tijd na het steekincident en bovendien zijnde een locatie nabij de plaats delict.

Verdachte is bovendien door meerdere personen herkend als zijnde de manspersoon die te zien is op de door de politie verspreide beelden van de bewakingscamera van [bedrijf] van de avond van 19 augustus 2025 van circa 23:00 uur s avonds, zijnde wederom een locatie nabij het plaats delict, hetgeen de rechtbank sterkt in haar overtuiging dat verdachte die avond in Groningen was.

Voorts is er door het NFI forensisch onderzoek verricht aan het die avond nabij de plaats delict in beslag genomen mes. Van het lemmet van het mes werden bemonsteringen genomen voor onderzoek naar biologische sporen en DNA. Uit twee bemonsteringen van het lemmet (AAAE8742NL#01 en #03) is een DNA-profiel verkregen van minimaal één persoon. Op basis van indicatieve testen, de visuele kenmerken van het spoor en het resultaat van het (vergelijkend) DNA-onderzoek is geconcludeerd dat de bemonsteringen (AAAE8742NL#01 en #03) bloed bevatten dat afkomstig kan zijn van slachtoffer [slachtoffer] . Het DNA-profiel uit de bemonsteringen is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer kort gezegd het slachtoffer de donor is van dit bloed dan wanneer dit niet zo is. De rechtbank concludeert

hieruit, met inachtneming van de rest van het dossier, dat er bloed van het slachtoffer op het lemmet van het aangetroffen mes zat.

Van een vingerspoor op het heft (nabij het lemmet) en het resterende deel van het heft werden bemonsteringen genomen voor DNA-onderzoek. Uit beide bemonsteringen (respectievelijk AAAE8742NL#04 en #05) is een DNA-profiel verkregen van (minimaal) één persoon. Het DNA-profiel van verdachte komt overeen met dit profiel. Het DNA-profiel uit de bemonsteringen is 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer kort gezegd verdachte de donor is dan wanneer dit niet zo is. De rechtbank concludeert hieruit, met inachtneming van de rest van het dossier, dat verdachte donor is van het celmateriaal op het heft van het mes. Verdachte zelf heeft geen verklaring kunnen geven voor de aanwezigheid van dit celmateriaal op de heft van het mes.

Het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, maakt dat er voor de rechtbank geen twijfel over bestaat dat het verdachte is geweest die het slachtoffer die avond heeft neergestoken in [adres ] en zij acht de impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot doodslag dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij, op 19 augustus 2025 te Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] , van het leven te beroven, die [slachtoffer] met een mes in zijn buik heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde verdachte niet kan worden toegerekend, zodat hij daarvoor niet strafbaar is en van alle rechtsvervolging dient te worden ontslagen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich met voornoemd standpunt van de officier van justitie verenigd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennisgenomen van de zich in het dossier bevindende rapportages Pro Justitia, opgemaakt door de daartoe benoemde psycholoog en psychiater.

Uit de door R.A. Sterk (klinisch psycholoog) opgemaakte rapportage Pro Justitia d.d. 26 maart 2026 volgt dat verdachte herhaaldelijk heeft geweigerd mee te werken aan het door deze deskundige te verrichten onderzoek. De psycholoog heeft aangegeven de gestelde vragen daardoor niet te kunnen beantwoorden en heeft verwezen naar de door de psychiater opgemaakte rapportage Pro Justitia, nu deze deskundige wel succesvol heeft kunnen rapporteren.

Uit de door D.T. van der Werf (psychiater) opgemaakte rapportage Pro Justitia d.d. 23 maart 2026 is de rechtbank inderdaad gebleken dat verdachte aan dit onderzoek wel heeft meegewerkt. Door de psychiater is geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een psychische stoornis in de zin van schizofrenie van het overwegend gedesorganiseerde type met een chronisch intermitterend beloop. De psychiater heeft voorts geconcludeerd dat het zeer aannemelijk is dat deze stoornis ook aanwezig was ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde én dat deze stoornis de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte op dat moment heeft beïnvloed. De psychiater acht het zeer aannemelijk dat verdachte voorafgaand aan en tijdens het ten laste gelegde in een gedesorganiseerd psychotisch toestandsbeeld verkeerde, welk toestandsbeeld zijn oordelend en kritisch vermogen en zijn zelfsturing hoogstwaarschijnlijk volledig bepaalden. Verdachte is zich hier zelf (nog) niet van bewust en lijkt hier ook niet echt onder te lijden.

Vanuit dit toestandsbeeld is te verklaren dat verdachte vanuit hoogstpersoonlijke (maar voor de buitenwereld onnavolgbare en abrupte) impulsen tot het ten laste gelegde is gekomen zonder dat daartoe in de buitenwereld objectief een redelijke oorzaak of doelmatig motief aangewezen kan worden. Gelet op het voorgaande is door de psychiater geadviseerd om het ten laste gelegde niet aan verdachte toe te rekenen.

De rechtbank kan zich, gelet op de inhoud van de rapportage en de vaststelling dat de conclusies logisch voortvloeien uit de onderzoeksbevindingen, met het advies van de psychiater verenigen. De rechtbank neemt de conclusies en het advies uit de rapportage over en is daarmee van oordeel dat verdachte ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde als volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. De rechtbank acht verdachte daarom niet strafbaar, zodat hij moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Overwegingen ten aanzien van de maatregel

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, conform het advies van de deskundige, gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een (niet gemaximeerde) maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangegeven zich niet te verzetten tegen de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege aan verdachte.

Oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich in de avond van 19 augustus 2025 schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag gericht tegen de destijds zestienjarige [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) door hem met een mes in zijn buik te steken, ten gevolge waarvan het slachtoffer levensbedreigend gewond is geraakt. Dit door verdachte uitgeoefende geweld vond ogenschijnlijk plaats zonder enige aanleiding. Verdachte en het slachtoffer kenden elkaar niet en het was dan ook toeval dat hun wegen elkaar die avond kruisten, waarbij verdachte het slachtoffer aansprak en hem de weg vroeg naar station Noord. Toen het slachtoffer de route naar station Noord vervolgens op zijn telefoon aan verdachte toonde, haalde verdachte uit het niets naar hem uit met een mes om er vervolgens vandoor te gaan.

Dat het slachtoffer het jegens hem toegepaste geweld heeft overleefd, is te danken aan het doortastende optreden van zijn destijds nog maar dertien jaar oude neefje die bij het incident aanwezig was en die de instructies opvolgde die hem telefonisch door de centralist van de (112-)meldkamer werden gegeven en voorts aan alle andere betrokken hulp- en zorgverleners.

Met zijn handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer en hem niet alleen letsel, maar ook een enorm traumatische ervaring bezorgd. Uit de ter terechtzitting namens het slachtoffer voorgelezen slachtofferverklaring is ook op indringende wijze duidelijk geworden dat hij nog immer fysieke en mentale problemen ondervindt van hetgeen hem door verdachte is aangedaan. Dat niet alleen het slachtoffer zelf, maar ook zijn naasten nog dagelijks geconfronteerd worden met de gevolgen van hetgeen er is gebeurd, is ter terechtzitting door zijn moeder benadrukt. Zowel verdachte als zijn moeder hebben ter terechtzitting de wens uitgesproken dat verdachte voor altijd uit de maatschappij wordt geweerd, temeer nu zij ervan op de hoogte zijn geraakt dat verdachte zich in het verleden al eens eerder schuldig heeft gemaakt aan een soort gelijk geweldsincident en dat hij daarvoor destijds een tbs-maatregel opgelegd heeft gekregen.

Zoals de rechtbank in dit vonnis reeds eerder heeft geoordeeld, is het bewezenverklaarde in het geheel niet aan verdachte toe te rekenen. Dit betekent dat aan hem geen straf kan worden opgelegd.

Het Wetboek van Strafrecht maakt het wel mogelijk om aan een verdachte bij wie tijdens het begaan van het feit een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, zoals hier het geval is, (wederom) de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen.

Daarvoor is in de eerste plaats vereist dat sprake is van een misdrijf waarvoor een gevangenisstraf van vier jaren of meer kan worden opgelegd. Aan dat vereiste is voldaan.

In de tweede plaats is vereist dat de samenleving tegen verdachte beschermd moet worden zolang er door de stoornis een reëel gevaar bestaat dat hij in herhaling valt. De rechtbank is van oordeel dat ook aan dit vereiste is voldaan. De rechtbank wijst in dit verband op de eerder al genoemde rapportage Pro Justitia

d.d. 23 maart 2026 waarin de psychiater heeft aangegeven dat bij het persisteren van het huidige (vooral gedesorganiseerde) psychotische toestandsbeeld de kans op nieuwe soortgelijke geweldsuitbarstingen blijft bestaan. Uit de methodische risicotaxatie HKT-R kwam de totaalscore ruim uit boven de drempelwaarde van de categorie hoog, hetgeen betekent dat de kans dat verdachte een soortgelijk delict zal plegen hoog is te achten in het geval hij zonder behandeling terug zou keren in de maatschappij. Bovendien zijn er volgens de psychiater nagenoeg geen beschermende factoren aanwezig in het leven van verdachte.

[afbeelding niet beschikbaar]Om het recidiverisico te kunnen beperken acht de psychiater het noodzakelijk dat verdachte wordt behandeld binnen een klinische setting.. Hij heeft de rechtbank geadviseerd om deze behandeling plaats te laten vinden binnen het juridische kader van een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege. In voornoemde rapportage heeft hij dit advies als volgt gemotiveerd:

“Met het oog op delict-preventie is het van allergrootst belang dat de psychotische verschijnselen bij verdachte zo spoedig mogelijk en zo lang mogelijk bestreden worden. Verdachte zelf () acht zich mentaal gezond en ziet daartoe op dit moment geen enkele reden () Ook in het verleden heeft bij verdachte dergelijke weerstand bij psychotische episodes gespeeld en ontkwam men bij verdachte dan ook niet aan dwangopname en/of dwangbehandeling. Een opname binnen de reguliere GGZ met een WvGGZ-maatregel is overwogen, maar binnen de reguliere GGZ ontbeert men te zeer de forensisch-psychiatrische deskundigheid (zoals specifiek delict-risico-management), zoals die bij verdachte absoluut wel nodig is; zeker nog de eerste jaren. Aangezien voorwaardelijke maatregelen bij verdachte nu volkomen onhaalbaar zijn (gezien zijn pertinente ontkenning van mentale problemen) resteert in dit geval helaas (wederom) terbeschikkingstelling met dwangverpleging; mede gezien de ernst van het hem ten laste gelegde”.

Gelet op dit advies van de deskundige, en dan met name de vaststelling dat lichtere vormen van behandeling volkomen onhaalbaar worden geacht om het gevaar op herhaling voldoende te beteugelen, is er ter beveiliging van de samenleving, in het bijzonder de veiligheid van anderen, naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen andere mogelijkheid dan (opnieuw) het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege aan verdachte. De rechtbank zal deze maatregel dan ook aan verdachte opleggen. Nu deze maatregel wordt opgelegd wegens het plegen van poging tot doodslag, een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam, is de duur van de terbeschikkingstelling niet op voorhand gemaximeerd.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:

  1. [slachtoffer], wettelijk vertegenwoordigd door [naam 2] en bijgestaan door mr. W.D. de Boer, tot een bedrag van 23.973,83 ter zake van materiële schade en 96.600,00 (primair) dan wel 70.400,00 (subsidiair) ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. De benadeelde partij vordert ook de proceskosten die tot op heden zijn begroot op 1.210,00;

  2. [naam 1], wettelijk vertegenwoordigd door [naam 3] en bijgestaan door mr. W.D. de Boer, tot een bedrag van 11.875,00 (primair) dan wel 6.875,00 (subsidiair) ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen integraal kunnen worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voorts heeft zij de rechtbank verzocht ten aanzien van beide vorderingen te bepalen dat de zogenaamde BEM-clausule wordt toegepast.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de door benadeelde partij [slachtoffer] ingediende vordering tot schadevergoeding heeft de raadsvrouw zich ten aanzien van de vraag of de gevorderde materiële schade voor toewijzing in aanmerking komt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van de materiële schadepost “huishoudelijke hulp”. Dit deel van de vordering dient volgens de raadsvrouw niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu deze schadepost onvoldoende is onderbouwd.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schadevergoeding heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat het toe te wijzen bedrag gematigd dient te worden.

Tot slot heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht het gevorderde bedrag van 1.210,00 aan proceskosten (zijnde de gemaakte kosten voor het laten opstellen van een medisch advies) af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren omdat onduidelijk is gebleven waarom het laten opstellen van dit advies noodzakelijk was om de schade vast te stellen en waarom niet kon worden volstaan met de kosteloos bij de medisch specialisten op te vragen medische stukken.

Ten aanzien van de door benadeelde partij [naam 1] ingediende vordering tot schadevergoeding heeft de raadsvrouw betoogd dat het toe te wijzen bedrag aan gevorderde shockschade dient te worden gematigd.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer]

Ten aanzien van de door benadeelde partij [slachtoffer] gevorderde materiële schadevergoeding is de rechtbank van oordeel dat deze dient te worden toegewezen, met uitzondering van de materiële schadepost “huishoudelijke hulp” omdat het aandeel dat de benadeelde partij in het huishouden verrichte en de precieze omvang van de door hem verrichte huishoudelijke taken onvoldoende is onderbouwd.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij zowel fysiek als geestelijk letsel heeft opgelopen door het bewezenverklaarde handelen van verdachte. De rechtbank neemt, gelet op de overgelegde stukken, voor het fysieke letsel categorie 4.9. onder c (sub 2) en categorie 10 onder b van de Rotterdamse schaal als uitgangspunt en voor het geestelijke letsel betreft dit categorie 14.2 onder d. Daarnaast kijkt de rechtbank ook naar de hoogte van de schadevergoedingen die worden toegekend in soortgelijke zaken. In de onderhavige zaak kent de rechtbank bij het bepalen van het toe te wijzen bedrag ook gewicht toe aan de jonge leeftijd van het slachtoffer (de benadeelde partij). De rechtbank acht alles afwegende een bedrag van 60.000,00 aan immateriële schadevergoeding billijk en zal dat bedrag dan ook toewijzen.

Het voorgaande maakt dat de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal 81.476,66. Dit bedrag bestaat uit 21.476,66 aan materiële schade en 60.000,00 aan immateriële schade. De rechtbank verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Tot slot, voor wat betreft de gevorderde proceskosten die tot op heden begroot zijn op een bedrag van 1.210,00 (zijnde de kosten voor het laten opstellen van een medisch advies), is de rechtbank van oordeel dat deze kunnen worden toegewezen. Dit zijn redelijke kosten, gemaakt om de hoogte van de schade te kunnen vaststellen.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op 1.210,00, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De rechtbank bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van de minderjarige benadeelde partij [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2009) te openen spaarrekening met een zogenoemde BEM-clausule. Een dergelijke BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijk vertegenwoordiger kunnen aldus slechts met toestemming van de kantonrechter over het saldo van deze rekening van de minderjarige benadeelde partij beschikken.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [naam 1]

De benadeelde partij heeft de gevorderde immateriële schadevergoeding die ziet op shockschade onderbouwd met stukken. Uit deze stukken en onderbouwing is in voldoende mate komen vast te staan dat hij geestelijk letsel heeft opgelopen door zijn confrontatie met de schokkende gebeurtenis, te weten het incident waarbij zijn neef voor zijn ogen werd neergestoken door verdachte en waarbij de benadeelde partij vervolgens zelf eerste hulp heeft moeten verlenen. Er is bij hem PTSS vastgesteld. De rechtbank neemt categorie 14.2 onder d van de Rotterdamse schaal als uitgangspunt. Deze categorie heeft een schaal die loopt van 2.675,00 tot 5.500,00. Gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde handelen van verdachte en de jonge leeftijd van de benadeelde partij zal de rechtbank deze schaal met 25

% verhogen en vaststellen dat het bij de benadeelde partij objectief vastgestelde letsel tot een toewijzing aan de bovenkant van de schaal leidt.

De rechtbank acht een bedrag van 6.875,00 billijk en zal dat bedrag toewijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en vermeerderd met de wettelijk rente vanaf 19 augustus 2025. De rechtbank verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De rechtbank bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van de minderjarige benadeelde partij [naam 1] (geboren op [geboortedatum] 2011) te openen spaarrekening met een zogenoemde BEM-clausule. Een dergelijke BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijk vertegenwoordiger kunnen aldus slechts met toestemming van de kantonrechter over het saldo van deze rekening van de minderjarige benadeelde partij beschikken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart verdachte niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging.

Gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd.

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer] te betalen:

  • het bedrag van 81.476,66 (zegge: eenentachtig duizend vierhonderd zesenzeventig euro en zesenzestig eurocent);

  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 augustus 2025 tot de dag van algehele voldoening;

  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op 1.210,00.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 81.476,66 (zegge: eenentachtig duizend vierhonderd zesenzeventig euro en zesenzestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 augustus 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 21.476,66 aan materiële schade en

60.000,00 aan immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 311 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort

op een ten behoeve van [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2009) te openen spaarrekening met een BEM-clausule.

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [naam 1] te betalen:

  • het bedrag van 6.875,00 (zegge: zesduizend achthonderd vijfenzeventig euro);

  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 augustus 2025 tot de dag van algehele voldoening;

  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [naam 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 6.875,00 (zegge: zesduizend achthonderd vijfenzeventig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 augustus 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 59 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort

op een ten behoeve van [naam 1] (geboren op [geboortedatum] 2011) te openen spaarrekening met een BEM-clausule.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.J. Bosker, voorzitter, mr. M.S. van der Kuijl en mr. H.H. Kielman, rechters, bijgestaan door mr. L. van der Weide, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 juli 2026.

Mrs. Bosker en Kielman zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.