Materieel strafrecht

Jeugdstrafrecht; vrijspraak medeplegen poging doodslag; veroordeling medeplegen poging zware mishandeling…

Rechtbank Noord-Nederland, 26 maart 2026

Zaakgegevens

Op 26 maart 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
26 maart 2026
Datum publicatie
20 juli 2026
Zaaknummer
18.172043.25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2026:2946
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Jeugdstrafrecht; vrijspraak medeplegen poging doodslag; veroordeling medeplegen poging zware mishandeling, bedreiging en openlijke geweldpleging; benadeelde partij.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18.172043.25

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 26 maart 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 12 maart 2026.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.G. Knegt, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door A.R. Posthuma.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 24/25 mei 2025 te Sneek, gemeente Súdwest-Fryslân (buiten de tuin/achterplaats van de) woning aan en/of in de steeg bij de [adres] ) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] van het leven te beroven, (- zakelijk weergegeven -) naar de grond heeft gebracht en/of (vervolgens) meermalen en/of met kracht tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24/25 mei 2025 te Sneek, gemeente Súdwest-Fryslân (buiten de (tuin/achterplaats van de) woning aan en/of in de steeg bij de [adres] ) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, (- zakelijk weergegeven -) naar de grond heeft gebracht en/of (vervolgens) meermalen en/of met kracht tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2

hij op of omstreeks 24/25 mei 2025 te Sneek, gemeente Súdwest-Fryslân (in/binnen de woning aan de [adres] ) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen

misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, (- zakelijk weergegeven -) meermalen en/of met kracht op en/of tegen het hoofd

en/of (elders) op en/of tegen het lichaam heeft geslagen en/of tegen het hoofd en/of (elders) tegen het lichaam heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24/25 mei 2025 te Sneek, gemeente Súdwest-Fryslân tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer 1] heeft mishandeld door hem meermalen en/of met kracht op en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam te slaan en/of tegen het hoofd en/of (elders) tegen het lichaam te schoppen;

3

hij op of omstreeks 24/25 mei 2025 te Sneek, gemeente Súdwest-Fryslân [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of zware mishandeling, en/of brandstichting, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen: "als je aangifte gaat doen dan kom ik naar je huis en dan steek ik je neer" en/of "als jij aangifte doet sloop ik je

hele kop, ik neuk je de moeder" en/of "Als je aangifte doet steek ik je huis in brand met je hele familie", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

4

hij op of omstreeks 31 mei 2025/ 1 juni 2025 te Sneek, gemeente Súdwest-Fryslân tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, (- zakelijk weergegeven -) in een wurggreep heeft vastgehouden en/of meermalen en/of met kracht op en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam heeft geslagen en/of naar de grond heeft gebracht en/of meermalen en/of met kracht op en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam heeft geslagen en/of geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

5

hij op of omstreeks 31 mei 2025/ 1 juni 2025 te Sneek, gemeente Súdwest-Fryslân op/aan/bij (een openbare weg) de [adres] , in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3]

welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit (- zakelijk weergegeven -) het meermalen en/of met kracht op en/of tegen het hoofd, althans het lichaam, slaan van die [slachtoffer 3] en/of het meermalen en/of met kracht op en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam slaan en/of schoppen en/of het in de wurgreep nemen/houden en/of het naar de grond brengen van die [slachtoffer 2] ;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

dan wel, en/of hij op of omstreeks 31 mei 2025/1 juni 2025 te Sneek, gemeente Súdwest-Fryslân tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft mishandeld door (- zakelijk weergegeven -) het meermalen en/of met kracht op en/of tegen het hoofd, althans het lichaam, slaan van die [slachtoffer 3] en/of het meermalen en/of met kracht op en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam slaan en/of schoppen en/of het in de wurgreep nemen/houden en/of het naar de grond brengen van die [slachtoffer 2] .

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder feit 1 primair ten laste gelegde. Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat uit de aangifte, de getuigenverklaring van [getuige 1] en de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] volgt dat verdachte met kracht tegen het hoofd van aangever heeft geschopt, waardoor de aanmerkelijke kans op de dood bestond.

Daarnaast heeft de officier van justitie veroordeling gevorderd voor het onder feit 2 primair ten laste gelegde. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat aangever tegen het hoofd is geslagen en geschopt. Door tegen het hoofd te slaan en te schoppen heeft verdachte voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Voorts heeft de officier van justitie veroordeling gevorderd voor het onder feit 3 ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft daarnaast veroordeling gevorderd voor het onder feit 4 ten laste gelegde. Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat uit het dossier blijkt dat verdachte geweld heeft gepleegd tegen aangever [slachtoffer 2] door hem in een wurggreep te houden, te slaan op zijn rug en te schoppen in zijn maag. Verdachte heeft daarmee voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Tot slot heeft de officier van justitie veroordeling gevorderd voor het onder feit 5 primair ten laste gelegde. De officier van justitie heeft ten aanzien van aangever [slachtoffer 3] aangevoerd dat verdachte een voldoende wezenlijke en significante bijdrage heeft geleverd. Verdachte versterkte niet enkel getalsmatig de groep, maar had ook een aanvallende houding en richtte zijn agressie op aangever [slachtoffer 3] .

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair en subsidiair en feit 2 primair ten laste gelegde. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat er geen sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld welk geweld, door wie, in welke mate, met welke kracht en gerichtheid is uitgeoefend. Bovendien is er sprake van contra-indicaties.

Verdachte droeg sportschoenen, het geweld duurde niet lang, aangever was aanspreekbaar en het letsel is beperkt gebleven.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit heeft de raadsman betoogd dat verdachte partieel dient te worden vrijgesproken. Enkel de bedreiging die te horen is op de beelden kan wettig en overtuigend bewezen worden. Voor de overige uitlatingen is onvoldoende bewijs.

Daarnaast heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het onder feit 4 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat onvoldoende bewijs voorhanden is voor het schoppen tegen het hoofd. Uit de overige gedragingen blijkt niet van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van het onder feit 5 ten laste gelegde.

Oordeel van de rechtbank

Feit 1 primair

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem onder feit 1 primair ten laste is gelegd, namelijk poging tot doodslag. De rechtbank overweegt daartoe dat op basis van het dossier onvoldoende kan worden vastgesteld op welke wijze er tegen het hoofd van aangever is geschopt, zodat zij niet kan vaststellen of er een aanmerkelijke kans bestond dat aangever door het schoppen tegen het hoofd zou kunnen komen te overlijden. De rechtbank spreekt verdachte dan ook vrij van de ten laste gelegde poging tot doodslag.

Feit 1 subsidiair, feit 2 en feit 3 Bewijsmiddelen

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 12 maart 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik word [verdachte] genoemd. U toont mij de beelden. Ik herken mijzelf op de beelden. Ik hoor mijzelf op de beelden zeggen “als je aangifte doet, sloop ik je hele familie”.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 27 mei 2025, opgenomen op pagina 25 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025142915 d.d. 26 juni 2025, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :

Op 24 mei 2025 was ik bij vrienden thuis. Dit was op het adres [adres] . Rond 23:15 uur werd [verdachte] opeens heel erg boos op mij. Ik zag dat [verdachte] mij vanuit het niets begon te slaan. Ik zag dat [verdachte] mij met kracht met gebalde vuisten met beide handen sloeg. Op een gegeven moment heb ik [verdachte] teruggeslagen. Ik herinner mij vanaf dat moment dat ik plotseling vanuit alle kanten werd aangevallen door meerdere mensen tegelijk. Ik kan me herinneren dat ik vanaf alle kanten voelde dat ik werd geslagen. Ik herinner mij dat ik op het parkeerterreintje loop. Ik voel dan dat ik onderuit getrapt word. Ik voel dat ik na aanleiding van het onderuit trappen, op de grond viel. Ik voelde dat ik met kracht op mijn linker bovenbeen geraakt werd. Ik viel op de grond en ik zag dat ik meerdere keren tegen mijn hoofd aan werd geschopt. Ik lag op de grond en voelde dat ik tegen mijn hoofd aangetrapt werd met kracht. Het ging hard. Ik zag schoenen op mij afkomen. Ik weet zeker dat [verdachte] erbij was, omdat ik zijn stem hoorde.

3. Een naar wettelijke voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 juni 2025, opgenomen op pagina 65 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] :

Waar gesproken wordt over NN2 wordt daarmee bedoeld de persoon welke een tweekleurige trui draagt van het merk Banlieu.

Op de camerabeelden zag ik dat NN1 met zijn rechter vuist SL (de rechtbank begrijpt: slachtoffer) tegen zijn hoofd raakt. Op het beeld is te zien dat NN1, bij het geven van deze klap, zijn bovenlichaam volledig meebeweegt. Te zien is dat het hoofd van slachtoffer met veel kracht naar achter wordt geslagen. Na het ontvangen van deze klap is te zien dat slachtoffer zijn evenwicht verliest en naar de grond valt. Terwijl slachtoffer naar de grond valt, is te zien dat NN1 nogmaals met zijn rechterhand met gebalde vuist uithaalt. Ditmaal richting het bovenlichaam van slachtoffer. Terwijl slachtoffer zich overeind houdt aan de tafel is te zien dat NN1 met zijn rechterhand en gebalde vuist tweemaal tegen het achterhoofd van slachtoffer slaat. Hierna is te zien dat slachtoffer achterover valt. NN2 komt met zijn linkerbeen tegen het hoofd van slachtoffer aan. Op beeld is te zien dat ook dit gebeurt met veel kracht, gezien slachtoffer ook hier weer uit balans raakt en zijn hoofd met veel snelheid naar achteren klapt. Vervolgens is te zien dat NN2 afwisselend met zijn linker- en rechterarm en met gebalde vuist tegen het hoofd van slachtoffer slaat,

waarbij in totaal 5 klappen worden uitgedeeld. NN3 slaat meerdere malen met zijn rechterarm en gebalde vuist met veel kracht tegen het achterhoofd van slachtoffer. NN3 slaat daarbij 4 keer tegen het achterhoofd van slachtoffer. Direct hierna is te zien dat NN3 met zijn linkerbeen tegen het bovenlichaam van slachtoffer aanschopt. Slachtoffer zit daarbij nog altijd op de grond. NN2 schopt, terwijl slachtoffer op de grond zit, met zijn rechterbeen tegen het hoofd van slachtoffer aan. Ook daarbij is te zien dat het hoofd met veel kracht wordt geraakt, waarbij het hoofd duidelijk en met veel kracht achterover klapte. NN4 komt naar voren en slaat met zijn linkerarm, met gebalde vuist, twee keer tegen het achterhoofd van slachtoffer aan. NN2 slaat vervolgens 7 keer tegen het achterhoofd van slachtoffer aan. Te zien is dat NN2 daarbij afwisselt met zijn linker- en rechterarm. NN2 slaat daarbij met gebalde vuisten. NN4 slaat vervolgens met zijn linkerarm en gebalde vuist weer met veel kracht tegen het hoofd van slachtoffer aan. NN4 slaat nogmaals met zijn linkerarm en gebalde vuist tegen het hoofd van slachtoffer aan. NN4 schopt met zijn linkerbeen tegen de rug van slachtoffer aan. NN2 slaat met zijn linkerarm en gebalde vuist weer tegen het hoofd van slachtoffer aan. Slachtoffer loopt richting een deur, waarnaar NN2 achter hem aanloopt. Daarbij is te horen dat NN2 zegt “als jij aangifte doet sloop ik je hele kop”.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte d.d. 4 juni 2025, opgenomen op pagina 225 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte] :

P: Droeg jij een wit zwarte trui en had jij een tasje om? V: Ja klopt.

P: Weet je wat het merk was van de trui? V: Banlieu.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 4 juni 2025, opgenomen op pagina 106 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [naam] :

Ik zag dat [verdachte] vervolgens [slachtoffer 3] weer een klap gaf. Ik zag dat [verdachte] met gebalde vuist weer tegen het hoofd van [slachtoffer 3] aansloeg. Ik zag dat [slachtoffer 3] meerdere klappen op zijn hoofd kreeg van [verdachte] . Op het gegeven moment zag ik dat [slachtoffer 3] op de grond viel. Terwijl [slachtoffer 3] op de grond lag zag ik dat hij meerdere malen door zowel [verdachte] als [medeverdachte 2] werd geschopt. Ik zag dat [verdachte] hem meerdere malen hard tegen de buik van [slachtoffer 3] schopte. Ik zag dat [medeverdachte 2] meerdere malen hard tegen de rug van [slachtoffer 3] schopte. Ook kan ik mij herinneren dat hij een paar keer tegen zijn hoofd geschopt is terwijl hij op de grond lag.

Bewijsoverweging

Op basis van voornoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte, samen met anderen, zowel binnen als buiten de woning geweld heeft gepleegd tegen aangever [slachtoffer 1] . Aangever is daarbij meerdere keren geslagen en geschopt, waaronder tegen zijn hoofd. De rechtbank is van oordeel dat verdachte op beide momenten, door te handelen zoals hij heeft gedaan, voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg zoals hier het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aanwezig is indien verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan een dergelijke kans is niet alleen vereist dat verdachte de wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden

van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het behoudens contra indicaties niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

De rechtbank overweegt dat het handelen van verdachte, het meermalen en met kracht slaan tegen het hoofd en het schoppen tegen het hoofd, tezamen met de door de medeverdachten jegens het slachtoffer gepleegde geweldshandelingen, naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans in het leven roept dat het slachtoffer daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Bovendien was die kans voorzienbaar voor verdachte. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een kwetsbaar lichaamsdeel betreft. Naar het oordeel van de rechtbank dienen de gedragingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvormen aangemerkt te worden als zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangever, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard. Van bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank acht daarmee bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel van aangever, zoals onder feit 1 subsidiair en feit 2 primair ten laste is gelegd.

De rechtbank stelt verder vast dat ten aanzien van de bewezenverklaarde gedragingen onder feit 1 subsidiair en feit 2 primair sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte(n), zodat ten aanzien van de poging zware mishandeling telkens sprake is van medeplegen. Verdachte en zijn medeverdachte(n) hebben immers allemaal geweld gebruikt tegen aangever.

Daarnaast stelt de rechtbank op grond van de beschrijving van de videobeelden en de verklaring van verdachte vast dat hij aangever heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door hem de woorden toe te voegen “als jij aangifte doet sloop ik je hele kop”. De rechtbank acht daarmee het onder feit 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Voor de overige ten laste gelegde uitlatingen ziet de rechtbank onvoldoende bewijs.

Feit 4 en feit 5

Partiële vrijspraak ten aanzien van aangever [slachtoffer 3]

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte geweld heeft toegepast jegens aangever [slachtoffer 3] . Hoewel zowel aangever [slachtoffer 2] , als getuige [getuige 2] verklaren dat aangever [slachtoffer 3] door twee verdachten is geslagen, gaat de rechtbank uit van de gedetailleerde en specifieke verklaring van aangever [slachtoffer 3] , waaruit volgt dat hij eenmaal is geslagen. Uit het dossier blijkt dat de medeverdachte degene is geweest die aangever [slachtoffer 3] heeft geslagen. De rechtbank kan onvoldoende vaststellen wat de rol van verdachte hierbij is geweest en kan daarmee evenmin vaststellen dat verdachte een voldoende wezenlijke en significante bijdrage heeft geleverd aan het door de medeverdachte gepleegde geweld jegens aangever [slachtoffer 3] . De rechtbank zal verdachte dan ook ten aanzien van aangever [slachtoffer 3] vrijspreken van de onder feit 5 primair ten laste gelegde openlijke geweldpleging en de onder feit 5 subsidiair ten laste gelegde mishandeling.

Bewijsmiddelen

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Ieder bewijsmiddel is ook in onderdelen slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 12 maart 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

U toont mij de beelden. Ik zie dat ik de man om zijn hals vasthoud. Ik zie dat er klappen worden uitgedeeld terwijl ik de man vasthoud.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte bij de rechter-commissaris d.d. 6 juni 2025, inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte] :

Ik heb die tweede man geslagen en een trap in zijn buik gegeven.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 1 juni 2025, opgenomen op pagina 119 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2] :

Op 31 mei 2025 bevond ik mij op de [adres] . Ik zag een man twee jongens aanspreken. Zij waren in gesprek en vervolgens sloegen de twee jongens de man. Ik sprak de twee jongens aan dat ze moeten stoppen. Vervolgens stond ik tegenover een van de twee jongens en deze sloeg mij direct. Hij sloeg mij vol in mijn gezicht. Daarna werd ik door de andere jongen ook aangevallen. Ik heb meerdere klappen gehad van beide jongens. Ik ben naar de grond gewerkt en heb toen ook klappen gehad.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 1 juni 2025, opgenomen op pagina 122 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 3] :

Ik zag dat een voor mij onbekende getuige kwam aanlopen. Ik zag dat de getuige slachtoffer werd van de mishandeling door beide verdachten. Ik zag dat beide verdachten hem meermaals sloegen. Ik zag dat hij op de grond belande en op de grond ook werd aangevallen door beide verdachte. Hij werd meermaals geslagen en geschopt.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 1 juni 2025, opgenomen op pagina 134 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 2] :

Ik zag dat beide jongens op [slachtoffer 2] in begonnen te slaan. Ik zag vervolgens dat [slachtoffer 2] op de grond viel. Beide jongens begonnen toen [slachtoffer 2] te schoppen terwijl hij op de grond lag.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 juni 2025, opgenomen op pagina 143 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] :

Videofragment 1

Op het eerste videofragment zien wij aangever [slachtoffer 2] over de weg rennen in de richting van [slachtoffer 3] en de twee jongens. Vervolgens loopt deze jongen naar aangever [slachtoffer 2] en wij zien dat hij zonder aanleiding aangever [slachtoffer 2] slaat met gebalde vuist in de richting van zijn gezicht.

Videofragment 2

Hierbij is te zien dat verdachte 1 en verdachte 2 met aangever [slachtoffer 2] in een gevecht zijn verwikkeld. Bij het begin van het fragment zien wij verdachte 1 met aangever [slachtoffer 2] op de grond. Verdachte 2 begint vervolgens op aangever [slachtoffer 2] in te slaan. Hij slaat hem op zijn gezicht met gebalde vuist. Verdachte 2 pakt aangever [slachtoffer 2] bij zijn nek en neemt hem in een wurg greep.

Terwijl verdachte 2 aangever [slachtoffer 2] nog in een wurg greep heeft en aangever hierdoor gebukt staat, slaat verdachte 1 vijfmaal met gebalde vuist op de rug van aangever. Aangever weet weer overeind te komen en wordt nog steeds door beide verdachten aangevallen . Verdachte 1 slaat aangever nogmaals

met gebalde vuist in zijn gezicht.

Bewijsoverweging ten aanzien van aangever [slachtoffer 2]

Op basis van voornoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte, samen met een ander, geweld heeft gepleegd jegens aangever [slachtoffer 2] . Dit geweld bestond onder meer uit het met kracht slaan tegen het hoofd en lichaam, het schoppen in de maag en het toepassen van een wurggreep. De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier onvoldoende is komen vast te staan dat aangever tegen zijn hoofd is geschopt. Zoals hiervoor onder feit 1 en feit 2 overwogen is, is om tot een bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling te kunnen komen, vereist dat verdachte opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel van aangever. De rechtbank is van oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Naar het oordeel van de rechtbank roept het gepleegde geweld de aanmerkelijke kans in het leven dat aangever zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht. Aangever is met kracht op de rug geslagen en met kracht in zijn maag geschopt. Verdachte heeft die kans ook bewust aanvaard. Van bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel moeten leiden, is de rechtbank niet gebleken.

De rechtbank stelt daarnaast vast dat ten aanzien van de bewezenverklaarde gedragingen onder feit 4 sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte, zodat ten aanzien van de poging zware mishandeling sprake is van medeplegen. Verdachte en zijn medeverdachte hebben beide geweld gebruikt tegen aangever.

Aangezien het geweld op de openbare weg heeft plaatsgevonden en verdachte een voldoende wezenlijke en significante bijdrage heeft geleverd aan het geweld, komt de rechtbank eveneens tot een bewezenverklaring van openlijke geweldpleging jegens aangever [slachtoffer 2] , zoals onder feit 5 primair ten laste is gelegd.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder feit 1 subsidiair, feit 2 primair, feit 3, feit 4 en feit 5 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1. subsidiair

hij op 24/25 mei 2025 te Sneek, buiten de woning aan de [adres] , tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, - zakelijk weergegeven - naar de grond heeft gebracht en vervolgens meermalen tegen het hoofd en tegen het lichaam heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. primair

hij op 24/25 mei 2025 te Sneek, in de woning aan de [adres] , tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, - zakelijk weergegeven - meermalen en met kracht tegen het hoofd en tegen het lichaam heeft geslagen en geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

?

hij op 24/25 mei 2025 te Sneek, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen: "als jij aangifte doet sloop ik je

hele kop";

?

hij op 31 mei 2025/ 1 juni 2025 te Sneek, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, (- zakelijk weergegeven -) in een wurggreep heeft vastgehouden en meermalen en met kracht tegen het hoofd en tegen het lichaam heeft geslagen en naar de grond heeft gebracht en meermalen en met kracht tegen het lichaam heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

5. primair

hij op 31 mei 2025/ 1 juni 2025 te Sneek, aan de [adres] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit - zakelijk weergegeven - het meermalen en met kracht tegen het hoofd slaan en tegen het lichaam slaan en schoppen en het in de wurgreep nemen/houden en het naar de grond brengen van [slachtoffer 2] .

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

  1. subsidiair medeplegen van poging tot zware mishandeling;

  2. primair medeplegen van poging tot zware mishandeling;

  3. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

  4. medeplegen van poging tot zware mishandeling;

  5. primair openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van feit 4 en feit 5 primair sprake is van eendaadse samenloop in de zin van artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder feit 1 primair, feit 2 primair, feit 3, feit 4 en feit 5 primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 47 dagen waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie heeft daarbij gevorderd dat aan het voorwaardelijke strafdeel de door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna ook: de Raad) geadviseerde voorwaarden worden verbonden met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat, naast de jeugddetentie, ook een werkstraf van 100 uren aan verdachte wordt opgelegd. Bij de formulering van de strafeis heeft de officier van justitie er rekening mee gehouden dat de feiten in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor oplegging van een jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest en een (deels) voorwaardelijke werkstraf of geldboete met oplegging van de door de Raad geadviseerde voorwaarden. Daartoe heeft de raadsman onder meer aangevoerd dat in strafmatigende zin rekening dient te worden gehouden met het feit dat verdachte lang geschorst is geweest onder strenge voorwaarden, hetgeen vrijheidsbeneming in de zin van artikel 5 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) met zich meebrengt.

Oordeel van de rechtbank

Algemeen

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich in de nacht van 24 op 25 mei 2025 samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van aangever [slachtoffer 1] . Tijdens een avond waarop verdachte, aangever en anderen als vrienden bijeen waren, is een handgemeen ontstaan tussen verdachte en aangever, wat uiteindelijk is geëscaleerd in fors en buitenproportioneel groepsgeweld jegens aangever. Ook wanneer aangever weerloos op de grond terecht komt, gaat het geweld tegen hem door. Toen aangever de woning had verlaten, is verdachte achter hem aangelopen en heeft hij, samen met een ander, opnieuw geweld gepleegd tegen hem door hem naar de grond te werken en hem onder meer tegen zijn hoofd te schoppen. Met zijn handelen heeft verdachte een forse en grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. Als gevolg van de mishandeling heeft aangever meerdere haematomen in het gezicht en een hersenschudding opgelopen. Dat de gevolgen voor aangever niet vele malen ernstiger zijn geweest, is een geluk en niet aan verdachte te danken. Dat het feit voor aangever bovendien ontzettend beangstigend en vernederend is geweest, is zonder meer voorstelbaar, maar blijkt ook uit de onderbouwing van het verzoek tot schadevergoeding.

Een week later, in de nacht van 31 mei op 1 juni 2025, heeft verdachte zich wederom schuldig gemaakt aan een geweldsmisdrijf. Verdachte en zijn medeverdachte zorgden voor overlast op het treinstation.

Wanneer een omstander verdachte en medeverdachte aanspreekt op hun gedrag, kiest de medeverdachte ervoor geweld toe te passen. Een omstander wil het slachtoffer te hulp schieten, maar wordt vervolgens door verdachte en zijn medeverdachte belaagd. Verdachte en zijn medeverdachte hebben hierbij fors geweld toegepast. Met zijn handelen heeft verdachte een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. De feiten zijn daarnaast gepleegd in de openbare ruimte en zorgen daarmee voor gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de samenleving. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de feiten zijn gepleegd op een treinstation, een plek waar mensen zich veilig moeten kunnen voelen. De rechtbank neemt dit alles verdachte kwalijk en rekent hem dit aan.

Persoon van verdachte

Naast de ernst van de feiten houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft de bewezenverklaarde feiten gepleegd toen hij 16 jaar oud was. Uit de justitiële documentatie van 12 februari 2026 blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsdelicten. Bovendien heeft verdachte de bewezenverklaarde feiten gepleegd terwijl hij in een proeftijd liep van een voorwaardelijke jeugddetentie met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden. De eerdere veroordelingen en de dreiging van een jeugddetentie hebben verdachte er kennelijk niet van weerhouden om opnieuw soortgelijke feiten te plegen.

De rechtbank heeft daarnaast gelet op het psychologisch Pro Justitiarapport van 9 oktober 2025, opgemaakt door drs. L. Aa, GZ-psycholoog. Uit het rapport blijkt dat bij verdachte sprake is van een psychotrauma- of stressor-gerelateerde stoornis, een normoverschrijdende gedragsstoornis en een zwakbegaafd intelligentieniveau. De psycholoog heeft geconcludeerd dat deze stoornissen ook tijdens het plegen van de feiten aanwezig waren en de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte op dat moment hebben beïnvloed. De psycholoog adviseert dan ook om de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank neemt het advies van de psycholoog over en concludeert dan ook dat alle feiten in verminderde mate aan verdachte zijn toe te rekenen. De rechtbank zal hiermee rekening houden bij het bepalen van de straf.

De psycholoog heeft verder geconcludeerd dat de kans op recidive matig tot hoog is. Verdachte is onder druk en bij groepsinvloed verhoogd beïnvloedbaar. In risicovolle, ongestructureerde situaties neemt deze kwetsbaarheid verder toe. Om de kans op recidive duurzaam te verlagen, is het noodzakelijk dat verdachte gericht behandeld zal worden voor de bij hem vastgestelde normoverschrijdende gedragsstoornis en de stressor-gerelateerde stoornis, waarbij de behandeling zich dient te richten op het versterken van emotieregulatie, het verwerken van onderliggend trauma en het doorbreken van disfunctionele gedragspatronen die mede ten grondslag liggen aan het grensoverschrijdende gedrag. De psycholoog adviseert de reeds ingezette behandelingen bij [instelling] voort te zetten. Daarnaast acht de psycholoog ook verdere behandeling noodzakelijk, waarbij expliciet aandacht zal zijn voor het terugdringen van het gebruik van alcohol. Gezien de combinatie van psychische problematiek en zwakbegaafd cognitief functioneren is het van belang dat verdachte langdurig ondersteund blijft in het ontwikkelen en behouden van praktische vaardigheden. Het is dan ook wenselijk dat de begeleiding binnen zorgcentrum [naam zorgcentrum] , waar verdachte momenteel verblijft, zal worden voortgezet. De psycholoog adviseert bovengenoemde interventies ambulant in de vorm van bijzondere voorwaarden in te zetten, zodat wordt voorkomen dat verdachte uit zijn stabiele en ondersteunende leefomgeving bij zorgcentrum [naam zorgcentrum] wordt gehaald.

Daarnaast heeft de rechtbank gelet op het rapport van de Raad van de Kinderbescherming van 26 februari 2026. De voorlopige hechtenis van verdachte is met ingang van 19 juni 2025 onder voorwaarden geschorst. De schorsingsperiode verloopt positief. Verdachte is per oktober 2025 geplaatst binnen zorgcentrum [naam zorgcentrum] , waar verdachte veel baat heeft bij de rust, structuur en begeleiding.

Inmiddels heeft verdachte werk en is hij op positieve wijze bezig met zijn toekomst. De Raad acht het wenselijk dat het toezicht en de begeleiding van de jeugdreclassering zal worden voortgezet, zodat de kans op recidive kan worden verminderd en laag blijft. Een voorwaardelijke jeugddetentie acht de Raad niet noodzakelijk. Gelet op de persoon van verdachte is een voorwaardelijke werkstraf afdoende. Bij veroordeling adviseert de Raad een jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest en een deels voorwaardelijke werkstraf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de jeugdreclassering, het volgen van onderwijs of dagbesteding, een middelenverbod voor zolang verdachte nog minderjarig is, een contactverbod met de slachtoffers en de medeverdachten, het meewerken aan plaatsing bij zorgcentrum [naam zorgcentrum] , het meewerken aan behandeling door [instelling] en het meewerken aan hulpverlening.

Ter zitting heeft de Raad het advies nader toegelicht. De Raad heeft het advies in die zin gewijzigd dat het middelenverbod van toepassing dient te zijn voor zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt. Ook wanneer verdachte meerderjarig wordt, is het van belang dat het middelenverbod in stand zal blijven, mocht de jeugdreclassering dat nodig vinden.

Op te leggen straf

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het volgende oordeel. Ondanks het advies van de Raad, acht de rechtbank een deels voorwaardelijke jeugddetentie, gelet op de ernst van de feiten, passend. De rechtbank zal verdachte geen langere onvoorwaardelijke jeugddetentie opleggen dan dat het voorarrest heeft geduurd. Aan verdachte wordt een deels voorwaardelijke jeugddetentie opgelegd, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, te weten 17 dagen. De rechtbank is met de deskundigen van oordeel dat het van essentieel belang is dat verdachte de juiste behandeling en begeleiding krijgt, zodat het recidiverisico kan worden verminderd en laag blijft. Uit de rapportages blijkt immers dat verdachte een strak kader nodig heeft waarbij zal worden ingezet op behandeling. Daarnaast legt de rechtbank een werkstraf van 140 uren op aan verdachte. De rechtbank komt daarmee tot een hogere werkstraf dan door de officier van justitie is geëist. Een werkstraf van kortere duur doet naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht aan de ernst van de feiten.

Daarnaast houdt de rechtbank in strafverzwarende zin rekening met de rol van verdachte bij de feiten. Verdachte heeft ten aanzien van aangever [slachtoffer 1] een leidende rol gehad in het gepleegde geweld en heeft bovendien het meest forse geweld toegepast. In strafmatigende zin heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat de feiten in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend. Anders dan door de raadsman is betoogd ziet de rechtbank geen aanleiding om in strafmatigende zin rekening te houden met het feit dat de voorlopige hechtenis van verdachte onder voorwaarden is geschorst. De rechtbank is van oordeel dat de schorsingsvoorwaarden niet van dien aard zijn geweest dat sprake is van vrijheidsbeneming in de zin van artikel 5 EVRM.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie van 47 dagen, met aftrek van de dagen doorgebracht in voorarrest, waarvan 30 dagen voorwaardelijk passend en oplegging daarvan geboden is. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke strafdeel de door de reclassering in haar rapport geformuleerde bijzondere voorwaarden verbinden, met dien verstande dat het middelenverbod duurt voor zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt, waaraan verdachte zich gedurende een proeftijd van twee jaren moet houden. De rechtbank ziet geen aanleiding om een contactverbod op te leggen met aangever [slachtoffer 2] . In tegenstelling tot aangever [slachtoffer 1] , kende verdachte aangever [slachtoffer 2] niet. Het is de rechtbank niet gebleken dat een contactverbod met aangever [slachtoffer 2] zal bijdragen aan het verlagen van het recidiverisico. De rechtbank zal, naast de deels voorwaardelijke jeugddetentie, een werkstraf voor de duur van 140 uren aan verdachte opleggen.

Benadeelde partij

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 108,17 ter vergoeding van materiële schade en 1.550,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk toegewezen kan worden te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank is ten aanzien van de materiële schade van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van de bewezen verklaarde feiten. De vordering waarvan de hoogte niet is betwist, zal daarom worden toegewezen.

Immateriële schade

De rechtbank is ten aanzien van de immateriële schade van oordeel dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van de bewezen verklaarde feiten. Aangezien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, heeft hij op grond van artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij pijn heeft gehad en letsel heeft opgelopen. Gelet op de onderbouwing van de vordering en gelet op bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend, acht de rechtbank het gevorderde bedrag van

1.550,00 billijk. De rechtbank zal de gevorderde immateriële schade dan ook geheel toewijzen.

Hoofdelijkheid

De rechtbank stelt vast dat verdachte het bewezenverklaarde samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door één of meer medeverdachten is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk opleggen om te bevorderen dat verdachte de schalde zal vergoeden. Het aantal dagen dat gijzeling kan worden toegepast bepaalt de rechtbank vanwege de toepassing van het jeugdstrafrecht op

nul.

Veroordeling in kosten

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over het toegewezen schadebedrag toewijzen vanaf de datum van het ontstaan van de schade. Ook ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel zal dit worden bepaald.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 primair ten laste is gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder feit 1 subsidiair, feit 2 primair, feit 3, feit 4 en feit 5 primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een jeugddetentie voor de duur van 47 dagen.

Bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 30 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden gedurende de proeftijd:

1. dat de veroordeelde zich op de door de jeugdreclassering te bepalen plaatsen en tijdstippen zal melden bij de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (WSSjbjr), telefoonnummer 088-5260000, zo vaak en zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering en werkt mee aan de gemaakte afspraken.

2. dat de veroordeelde onderwijst volgt en/of dagbesteding heeft.

3. dat de veroordeelde geen drugs en/of alcohol gebruikt, voor zolang de jeugdreclassering dit nodig vindt en meewerkt aan controles op dit verbod op de door de jeugdreclassering te bepalen wijze.

4. dat de veroordeelde op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met aangever [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum] 2007) en de medeverdachten [medeverdachte 1] (geboren op [geboortedatum] 2007), [medeverdachte 2] (geboren op [geboortedatum] 2007) en [medeverdachte 3] (geboren op [geboortedatum] 2008), zolang de jeugdreclassering dit nodig vindt.

5. dat de veroordeelde zal verblijven bij zorgcentrum [naam zorgcentrum] te [plaats] , of een soortgelijke instelling, zulks ter bepaling van de jeugdreclassering, voor zover en zolang de jeugdreclassering nodig vindt.

6. dat de veroordeelde meewerkt aan behandeling, training en/of therapie door [instelling] of een soortgelijke instelling, zulks ter bepaling door de jeugdreclassering, voor zover en zolang de jeugdreclassering dit nodig vindt.

7. dat de veroordeelde meewerkt aan hulpverlening door een door de jeugdreclassering te bepalen instelling, voor zover en zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt.

Geeft aan de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht

ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 140 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 70 dagen zal worden toegepast.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 1], feit 1 subsidiair en feit 2 primair

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 1] te betalen:

  • het bedrag van 1.658,17 (zegge: duizend zeshonderd achtenvijftig euro en zeventien eurocent);

  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 mei 2025 tot de dag van algehele voldoening;

  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.658,17 (zegge: duizend zeshonderd achtenvijftig euro en zeventien eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 mei 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 108,17 aan materiële schade en 1.550,00 aan immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 0 dagen kan worden toegepast.

Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.T. Kooistra, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. K. Bunk en mr. C.A.M. Veenbaas, rechters, bijgestaan door mr. R.D. Ensel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 maart 2026.