Materieel strafrecht
Veroordeling voor het voorhanden hebben van een vuurwapen met bijbehorende munitie en het aanwezig hebben van…
Rechtbank Noord-Nederland, 21 juli 2026
ECLI:NL:RBNNE:2026:2967 · Rechtbank Noord-Nederland · 21 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-nederland/strafrecht/materieel-strafrecht/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbnne-2026-2967
Zaakgegevens
Op 21 juli 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Assen
- Datum uitspraak
- 21 juli 2026
- Datum publicatie
- 21 juli 2026
- Zaaknummer
- 18.094162.26
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Materieel strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNNE:2026:2967
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling voor het voorhanden hebben van een vuurwapen met bijbehorende munitie en het aanwezig hebben van heroïne en cocaïne tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met oplegging van de geadviseerde bijzondere voorwaarden.
De tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf wordt toegewezen, te weten voor 6 maanden.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18.094162.26
vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18.252156.22
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 21 juli 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd in de [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 7 juli 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. N.I. Dolinski, advocaat te Assen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Veen.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 28 maart 2026 te Hoogeveen, althans in Nederland,
-
een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool (omgebouwd gaspistool), van het merk Zoraki, model 906-TD, kaliber 7,65 mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool; en/of
-
munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten vier kogelpatronen van het merk Sellier & Bellot, kaliber 7,65 mm, voorhanden heeft gehad;
2
hij op of omstreeks 28 maart 2026 te Hoogeveen, althans in Nederland al dan niet opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten
-
10,75 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne; en/of
-
46,03 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, aanwezig heeft gehad.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich voor wat betreft de bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Ieder bewijsmiddel is - ook in onderdelen - slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Deze opgave luidt als volgt:
-
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 7 juli 2026;
-
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 28 maart 2026, opgenomen op pagina 21 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer
PL0100-2026080470 d.d. 30 maart 2026, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] ;
3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal onderzoek wapen d.d. 30 april
2026, opgenomen op pagina 131 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] ;
4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal onderzoek verdovende middelen
d.d. 7 april 2026, opgenomen op pagina 136 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten [verbalisant] , [verbalisant] en [verbalisant] ;
5. een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2026.03.30.189 (aanvraag 001) d.d. 30 maart 2026, opgemaakt door ing. M. Visser-van Leeuwen op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige;
6. een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2026.03.30.189 (aanvraag 002) d.d. 30 maart 2026, opgemaakt door ing. M. Visser-van Leeuwen op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige;
7. een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2026.03.30.189 (aanvraag 003) d.d. 30 maart 2026, opgemaakt door ing. M. Visser-van Leeuwen op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige;
8. een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2026.03.30.189 (aanvraag 004) d.d. 30 maart 2026, opgemaakt door ing. M. Visser-van Leeuwen op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige;
9. een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2026.03.30.189 (aanvraag 005) d.d. 30 maart 2026, opgemaakt door ing. M. Visser-van Leeuwen op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige;
10. een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het
Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2026.03.30.189 (aanvraag 006) d.d. 30 maart 2026, opgemaakt door ing. M. Visser-van Leeuwen op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige;
11. een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het
Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2026.03.30.189 (aanvraag 007) d.d. 30 maart 2026, opgemaakt door ing. M. Visser-van Leeuwen op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige;
12. een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het
Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2026.03.30.189 (aanvraag 008) d.d. 30 maart 2026, opgemaakt door ing. M. Visser-van Leeuwen op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1
hij op 28 maart 2026 te Hoogeveen,
- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool (omgebouwd gaspistool), van het merk Zoraki, model 906-TD, kaliber 7,65 mm,
zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool; en
- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten vier kogelpatronen van het merk Sellier & Bellot, kaliber 7,65 mm, voorhanden heeft gehad.
2
hij op 28 maart 2026 te Hoogeveen opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten
-
10,75 gram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne; en
-
46,03 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, aanwezig heeft gehad.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
-
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen en munitie van categorie III;
-
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. De officier van justitie heeft voorts gevorderd aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf de bijzondere voorwaarden te verbinden zoals door de reclassering geadviseerd in haar rapport van 28 mei 2026.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om bij de strafoplegging in strafmatigende zin rekening te houden met de jonge leeftijd en psychische kwetsbaarheid van verdachte, de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en het feit dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Gelet daarop dient aan verdachte een gevangenisstraf op te worden gelegd waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur die verdachte op de datum van de uitspraak reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, aldus de raadsvrouw. De raadsvrouw heeft voorts bepleit aan het voorwaardelijk op te leggen deel de bijzondere voorwaarden te verbinden zoals door de reclassering geadviseerd. De raadsvrouw heeft benadrukt dat het van groot belang is dat de hulpverlening en behandeling van verdachte zo snel als mogelijk aanvangen.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het reclasseringsadvies van 28 mei 2026, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie (het strafblad) van 23 juni 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich op 28 maart 2026 schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en bijbehorende munitie. Het ongecontroleerde bezit van (vuur)wapens vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen en veroorzaakt bovendien gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Voorts is er een reëel risico dat het bezit van een (vuur)wapen leidt tot het gebruik daarvan, met alle gevolgen van dien. Dit geldt in het onderhavige geval des te meer nu het vuurwapen halfgeladen en grijpklaar in de onderbroek van verdachte zat tijdens een nachtelijk discotheekbezoek met vele bezoekers. Bij de rechtbank is de indruk ontstaan dat verdachte niet doordrongen is van de ernst hiervan en de gevaren die dit met zich meebrengt. De rechtbank rekent dit verdachte dan ook zwaar aan.
Daarnaast heeft verdachte verschillende verdovende middelen voorhanden gehad, te weten 10,75 gram heroïne en 46,03 gram cocaïne. Verdachte heeft met zijn handelen een bijdrage geleverd aan het in stand houden van de productie van harddrugs, terwijl het algemeen bekend is dat harddrugs zeer verslavend en schadelijk voor de volksgezondheid zijn. Drugscriminaliteit leidt bovendien vaak tot andere vormen van criminaliteit die de samenleving ontwrichten. Zo ook in onderhavige zaak, waarbij verdachte niet alleen harddrugs voorhanden had, maar er ook sprake was van vuurwapenbezit. Deze combinatie van strafbare feiten acht de rechtbank dan ook bijzonder zorgelijk. Verdachte heeft enorme risicos genomen en zich
uiterst onverantwoordelijk gedragen. Het voornoemde rekent de rechtbank verdachte aan, te meer nu verdachte geen volledige verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen en ook tegenover de rechtbank geen openheid van zaken wilde geven over de precieze gang van zaken met betrekking tot het vuurwapen en de harddrugs.
De persoon van verdachte
Verder houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De reclassering schrijft in het advies van 28 mei 2026 dat er op diverse leefgebieden zorgen zijn. De reclassering schrijft verder dat verdachte een pro-criminele houding laat zien, terwijl verdachte zich nog in zijn proeftijd bevond en hij recentelijk een werkstraf heeft voltooid. Ook is verdachte gediagnosticeerd met een autismespectrumstoornis (PDD-NOS) en heeft verdachte hiervoor vanaf zijn kinderjaren reeds diverse behandelingen gekregen. De reclassering vermeldt voorts dat verdachte in een sociaal netwerk verkeert dat aangemerkt kan worden als criminogeen en daarmee het risico op recidive verhoogt. Verdachte is daar niet open over. Het risico op recidive wordt daarom door de reclassering ingeschat als hoog. Het risico op letsel kan door de reclassering niet goed worden ingeschat. De reclassering geeft aan dat verdachte zich wel responsief opgesteld heeft ten aanzien van een reclasseringstoezicht met voorwaarden. Het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt derhalve door de reclassering vooralsnog ingeschat als laag. Uit het advies volgt tot slot dat verdachte geen drugs gebruikt, beperkt alcohol drinkt en een goede band met zijn familie heeft. Gelet op al het voornoemde adviseert de reclassering om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen en daaraan de volgende bijzondere voorwaarden te verbinden: een meldplicht, een gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden, ambulante behandeling, dagbesteding en dat verdachte openheid van zaken geeft over zijn sociale netwerk.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard gemotiveerd te zijn om zijn leven op de rit te krijgen en mee te willen werken aan de hulpverlening van de reclassering. Ook heeft verdachte ter terechtzitting benadrukt dat hij tegenover de reclassering openheid van zaken zal geven over zijn sociale netwerk.
Op te leggen straf
Gelet op de aard, ernst en combinatie van de bewezenverklaarde feiten kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het voorarrest, zoals voorgesteld door de raadsvrouw. De feiten rechtvaardigen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, passend en geboden. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk deel een proeftijd van 3 jaren verbinden, gelet op het door de reclassering ingeschatte hoge recidiverisico en gelet op het feit dat verdachte ten tijde van het plegen van de onderhavige feiten in een proeftijd liep. Gelet op het advies van de reclassering ziet de rechtbank voorts aanleiding aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf de bijzondere voorwaarden te verbinden zoals door de reclassering geadviseerd. De verdachte heeft zich ter terechtzitting bereid verklaard zich aan de door de reclassering geformuleerde voorwaarden te conformeren.
Beslag
Met de officier van justitie en raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat de Nokia telefoon, de Apple telefoon en het geldbedrag ad 295,00 aan verdachte teruggegeven dienen te worden.
Vordering na voorwaardelijke veroordeling
Bij onherroepelijk vonnis van 10 februari 2025 van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Nederland te Assen, is verdachte veroordeeld tot - onder meer - een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 25 februari 2025. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.
De officier van justitie heeft bij vordering van 12 juni 2026 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de onder parketnummer 18.252156.22 voorwaardelijk aan verdachte opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, ten uitvoer zal worden gelegd.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair bepleit de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen. De voorwaardelijke straf is namelijk opgelegd voor andersoortige strafbare feiten, gepleegd in 2022.
De raadsvrouw heeft subsidiair bepleit de vordering tot tenuitvoerlegging slechts gedeeltelijk toe te wijzen en de gevangenisstraf daarbij om te zetten in een taakstraf. Aangevoerd is dat een taakstraf kan bijdragen aan een zinvolle dagbesteding van verdachte en verdachte bovendien reeds eerder heeft laten zien dat hij een taakstraf positief kan afronden.
Oordeel van de rechtbank
Nu veroordeelde de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten heeft begaan voor het einde van de proeftijd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van deze voorwaardelijke straf. De rechtbank ziet geen aanleiding de vordering tot tenuitvoerlegging deels toe te wijzen noch de ten uitvoer te leggen gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 4 (vier) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
-
dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak;
-
dat de veroordeelde gedurende de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie Cognitieve Vaardigheden (CoVa) of een soortgelijke gedragstraining die is gericht op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering en zolang de reclassering de training nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen zoals die gedurende deze gedragsinterventie door of namens de trainer aan de veroordeelde zullen worden gegeven;
-
dat de veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan diagnostiek en zich onder behandeling stelt van de forensische poli van de GGZ, of een soortgelijke instelling, te bepalen door de reclassering. De behandeling start na aanmelding en duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, en/of andere problematiek die na de diagnosestelling nodig wordt geacht. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die
de zorgverlener geeft voor de behandeling;
4. dat de veroordeelde zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur;
5. dat de veroordeelde openheid geeft over zijn sociaal netwerk.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
-
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
-
medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Beslag
Gelast de teruggave van de volgende in beslag genomen en nog niet teruggegeven goederen aan verdachte:
- Geld, groot 295,00 euro (PL0100-2026080468-G1925559)
-
1 STK GSM (Omschrijving: PL0100-2026080468-1925565, Zwart, merk: Nokia)
-
1 STK GSM (Omschrijving: PL0100-2026080468-1925567, Grijs, merk: Apple)
Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 18.252156.22:
Gelast de tenuitvoerlegging van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen van 10 februari 2025, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. van Sloten, voorzitter, mr. R. Depping en mr. L.M.B. Soppe, rechters, bijgestaan door mr. F.A. Bussman, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 juli 2026.
Mr. E.P. van Sloten is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.