Materieel strafrecht

De rechtbank veroordeelt verdachte wegens brandstichting met gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar dan…

Rechtbank Noord-Nederland, 11 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 11 augustus 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
11 augustus 2026
Datum publicatie
11 augustus 2026
Zaaknummer
18/330726-25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2026:3368
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De rechtbank veroordeelt verdachte wegens brandstichting met gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander. De rechtbank acht verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar. De rechtbank legt aan verdachte op een gevangenisstraf van 15 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest, een proeftijd van drie jaar en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/330726-25

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 11 augustus 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1957 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd te [instelling ] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 juli 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E. van der Meer, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.J. Kemkers.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 3 december 2025 te Groningen opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door open vuur in aanraking te brengen met papier en/of een stoel en/of een gordijn, althans met een brandbare stof, ten gevolge waarvan dat papier en/of die stoel en/of dat gordijn geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten gevaar voor

  • de inventaris van die woning

  • de naast- en/of nabijgelegen woningen

en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten

- de in die naast- en/of nabijgelegen woning(en) aanwezige personen te duchten was.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

  1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 28 juli 2026;

  2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [adres 1] Groningen) d.d. 9 december 2025, opgenomen op pagina 49 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025327158 d.d. 10 december 2025, inhoudend het relaas van verbalisant.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 3 december 2025 te Groningen opzettelijk brand heeft gesticht, door open vuur in aanraking te brengen met papier en een stoel, ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten gevaar voor

  • de inventaris van die woning

  • de naast- en/of nabijgelegen woningen

en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten

- de in die naast- en/of nabijgelegen woningen aanwezige personen te duchten was.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en terwijl daarvan levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. De officier van justitie acht verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar.

Standpunt van de verdediging

De raadsman acht verdachte eveneens sterk verminderd toerekeningsvatbaar en kan zich vinden in de strafeis van de officier van justitie.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de over hem opgemaakt rapportages, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van het feit

Verdachte heeft zich in de avond van 3 december 2024 schuldig gemaakt aan brandstichting in zijn woning aan de [adres 1] in Groningen. Dit betreft een tussenwoning welke direct grensde aan andere woningen.

Gebleken is dat meerdere mensen ten tijde van de brand in deze woningen aanwezig waren. Zonder inzet van de hulpdiensten had de brand zich makkelijk verder kunnen ontwikkelen. Bovendien hebben de hulpdiensten de mensen die zich op dat moment in de naastgelegen woningen bevonden, uit hun woning moeten halen. Dat de uiteindelijk gevolgen van brandstichting beperkt zijn gebleven tot materiële schade, laat onverlet dat er sprake is geweest van levensgevaar voor deze bewoners. Daarbij geldt dat brandstichting in het algemeen gevoelens van onrust en onveiligheid teweegbrengt in de maatschappij.

Documentatie

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Rapportages

In de Pro Justitia rapportage van 12 mei 2026, opgesteld door dr. N. van de Weg, psychiater, staat vermeld dat bij verdachte sprake is van een intellectuele beperking, een psychotische stoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis en cocaïne. Ten tijde van het ten laste gelegde had verdachte psychotische belevingen in de vorm van paranoïde wanen. Waarschijnlijk hebben meerdere factoren een rol gespeeld bij het ontstaan van de psychose, waaronder het gebruik van cannabis en prednison, stress ten gevolge van lichamelijke problemen (onder meer een slecht gebit, pijnklachten en aangezichtsverlamming), onmacht over een door verdachte vermeende medische fout bij het verwijderen van een cyste uit zijn linkerwang en vermissing van zijn portemonnee en ID-bewijs, hetgeen verdachte mede ten gevolge van zijn intellectuele beperking moeilijk kon hanteren. Bovendien was er al gedurende enkele maanden sprake van psychotische belevingen, waaronder paranoïde wanen dat zijn telefoon gehackt was en hij afgeluisterd werd.

Bovenstaande combinatie van factoren heeft verdachte ertoe gebracht om de brand vrij impulsief te stichten, vanuit een wanhopige poging om hulp of erkenning te krijgen van de politie. Geadviseerd wordt om verdachte het ten laste gelegde in sterk verminderde mate toe te rekenen.

De psychiater schat het risico op recidive in als matig. Er is sprake geweest van een opeenstapeling van factoren, waarbij geen van de factoren allesbepalend is geweest. Het risico op herhaling van een vergelijkbaar (uit wanhoop gepleegd) delict zal samenhangen met de kans dat een vergelijkbare opeenstapeling van factoren zich opnieuw voordoet.

Qua interventie wordt vooral gedacht aan psychosebehandeling, abstinentie van middelen en praktische ondersteuning. Dit zou gerealiseerd kunnen worden middels beschermd of begeleid wonen, ambulante psychiatrische behandeling en begeleiding, controle op middelengebruik en eventueel bewindvoering. De psychiater adviseert om dit vorm te geven in het kader van een deels voorwaardelijke straf, gecombineerd met een zorgmachtiging.

De Reclassering Nederland sluit zich in haar advies van 22 mei 2026 aan bij de conclusies van de psychiater. De reclassering merkt daarnaast op dat de leefgebieden huisvesting, psychosociaal functioneren en mogelijk middelengebruik de belangrijkste delictgerelateerde factoren zijn. De reclassering ziet geen beschermende factoren. Bij het ontbreken van een beschermde/begeleide woonomgeving, in combinatie met terugvallen in middelengebruik en het niet innemen van medicatie, wordt het recidiverisico ingeschat als gemiddeld. Door het inzetten van reclasseringsinterventies en een zorgmachtiging met als zorgvorm het innemen van medicatie zal dit risico hoogstwaarschijnlijk verlagen. Bij een veroordeling adviseert de reclassering in het kader van de strafzaak een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling met de mogelijkheid van een kortdurende klinische opname, verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang en beheersing van het middelengebruik.

Conclusie

De rechtbank heeft kennis genomen van bovengenoemde rapportages en standpunten van de deskundigen en neemt de conclusies over. De rechtbank zal het ten laste gelegde feit in sterk verminderde mate aan verdachte toerekenen.

Gelet op het voorgaande en met inachtneming van de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat de strafeis van de officier van justitie passend en geboden is. De rechtbank legt aan verdachte op een gevangenisstraf van 15 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest, een proeftijd van drie jaar en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

  1. dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de Reclassering Nederland, [adres 2] , zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak;

  2. dat de veroordeelde zich ambulant laat behandelen door een nader door de reclassering te bepalen zorgverlener. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek en verslavingsproblematiek.

Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van de veroordeelde dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;

3. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft bij de Spetse Hoeve van Terwille of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;

4. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op zijn middelengebruik en/of het gebruik van alcohol en/of (hard)drugs te leren beheersen. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek en/of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd. Dit kunnen zowel aangekondigde als onaangekondigde controles zijn.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:

  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan de duur van de aan de veroordeelde onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. van der Kuijl, voorzitter, mr. E.P. van Sloten en

mr. T.R. Bosker, rechters, bijgestaan door mr. G. Langius, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 augustus 2026.