Materieel strafrecht

Veroordeling voor het gooien van een vuurwerkbom door een raam van een woning waardoor een ontploffing en…

Rechtbank Noord-Nederland, 20 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 20 augustus 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
20 augustus 2026
Datum publicatie
20 augustus 2026
Zaaknummer
18.394859.24
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2026:3530
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Veroordeling voor het gooien van een vuurwerkbom door een raam van een woning waardoor een ontploffing en brand is ontstaan.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18.394859.24

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 20 augustus 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 06 augustus 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P. Bonthuis, advocaat te Haskerdijken.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H. Mous.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. ?

hij op of omstreeks 11 april 2024 te Easterein, in de gemeente Súdwest-Fryslân, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg

heeft gebracht op de benedenverdieping van een woning (gelegen aan de aan [adres] ) door een fles met brandbare (vloei)stof en/of (daarbij) een hoeveelheid vuurwerk, althans een explosief, aan te steken en/of (vervolgens) in voornoemde woning te gooien/plaatsen, terwijl daarvan

  • gemeen gevaar voor goederen, te weten overige delen/vertrekken van voornoemde woning en/of

  • levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoner van voornoemde woning, te duchten was;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte] op of omstreeks 11 april 2024 te Easterein, in de gemeente Súdwest-Fryslân, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht op de benedenverdieping van een woning (gelegen aan de aan [adres] ) door een fles met brandbare (vloei)stof en/of (daarbij) een hoeveelheid vuurwerk, althans een explosief, aan te steken en/of (vervolgens) in voornoemde woning te gooien/plaatsen, terwijl daarvan

  • gemeen gevaar voor goederen, te weten overige delen/vertrekken van voornoemde woning en/of

  • levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoner van voornoemde woning, te duchten was

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, op of omstreeks 11 april 2024, althans in de maand april 2024, op het traject tussen de plaatsen Rotterdam en Easterein en/of (elders) in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door:

- voornoemde fles met brandbare (vloei)stof en/of (daarbij) een hoeveelheid vuurwerk, althans een explosief, en/of een hoeveelheid kleding en/of lucifers en/of een aansteker en/of een baksteen

te verstrekken aan voornoemde [medeverdachte]

- voornoemde [medeverdachte] naar de plaats vervoeren waar voornoemde explosie heeft plaatsgevonden;

?

hij op of omstreeks 11 april 2024, althans in de maand april 2024, te Rotterdam, althans in Nederland, (van) een geldbedrag (te weten 200,- euro)

Sub b

  • heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of

  • gebruik heeft gemaakt

terwijl hij, verdachte, wist dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van feit 1 primair. Hij heeft zich daarbij gebaseerd op de verklaring van verdachte dat hij wist wat er ging gebeuren en dat hij enkel als chauffeur heeft gefungeerd. Op basis van die verklaring kan niet worden gezegd dat sprake was van een intensieve samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte(n), noch dat de rollen inwisselbaar waren. Van medeplegen is derhalve geen sprake. Door de officier van justitie is een veroordeling gevorderd voor de onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid.

Er dient wel een veroordeling te volgen van feit 1 subsidiair omdat verdachte als medeplichtige heeft gehandeld.

De officier van justitie heeft tevens veroordeling gevorderd van feit 2. Verdachte heeft verklaard dat hij wist wat er zou gaan gebeuren en heeft geld ontvangen afkomstig van een misdrijf.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1 primair. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de rol van verdachte te klein is geweest om te komen tot medeplegen. Zo is verdachte niet betrokken geweest bij de uitvoering en is van een inwisselbare rol geen sprake geweest.

Oordeel van de rechtbank

Feit 2

De rechtbank acht feit 2 niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe dat uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen niet blijkt dat het geld dat verdachte heeft gekregen van enig misdrijf afkomstig is. Evenmin kan op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet worden gesteld dat het niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is.

Feit 1

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 6 augustus 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik heb in opdracht van iemand anders in de nacht van 11 april 2024 een jongen met de auto naar Easterein gebracht. Ik heb hier geld voor gekregen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van verdachte

d.d. 11 april 2024, opgenomen op pagina 271 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [medeverdachte] :

Ik ben in Easterein gebracht. Ik werd opgehaald en ik kreeg die materialen in die auto. Ik zou er geld voor krijgen. Achterin de auto lag op de achterbank de fles met Cobras in een tas.

Hij haalde mij s nachts uit Rotterdam. Toen stopte hij bij een adres in Rotterdam Oost. Ik weet niet waar hij naartoe is gelopen. Hij is nog een tweede keer gestopt. De spullen lagen in de auto sinds ik was ingestapt. Na de eerste stop kwam hij terug met een soort baksteen. Ik moest die steen door het raam gooien van het adres waar ik naartoe moest. Ik heb het eerste raam ingegooid naast de deur. Ik heb de fles door het gaatje gegooid dat door de steen was ontstaan. Ik heb één Cobra aangestoken. De fles rook naar benzine.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 16 april 2024, opgenomen op pagina 223 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024094315 d.d. 7 oktober 2024, inhoudend als verklaring van [aangever] :

Ik doe aangifte van brandstichting in mijn woning gelegen aan [adres] , binnen de gemeente Sudwest-Fryslân op 11 april 2024.

Ik hoorde iets rinkelen. Ik ging naar het raam en zag dat het voorraam kapot was. Ik zag dat er iemand iets naar binnen gooide en dat dat op de grond kwam en explodeerde. Daardoor stond de woonkamer over

de volle breedte in brand. Ik heb de vlammen gevoeld. Ik heb brandwonden op mijn gezicht. Ik stond op ongeveer twee meter afstand van de molotowcocktail die op de grond viel. Ik had last van mijn hoofd en oorsuizen.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 april 2024, opgenomen op pagina 21 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als bevindingen van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :

Ik, verbalisant [verbalisant] , ben in gesprek gegaan met het slachtoffer. Het slachtoffer genaamd [aangever] , kon mij dit vertellen over het incident:

Op donderdag 11 april omstreeks 05.15 lag ik op bed. Ik lag beneden. Ik lag in een kamer vlakbij de woonkamer. Ik hoorde een knal uit de woonkamer komen. Ik liep naar de woonkamer toe en zag een persoon bij mijn voorraam staan.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van brandonderzoek d.d. 10 juni 2024, opgenomen op pagina 55 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :

Wij hebben een onderzoek ingesteld naar aanleiding van een explosie en brand in een woning gelegen aan [adres] . Op de vloer in de woonkamer werd een steen aangetroffen. De brandhaard was gelegen in de woonkamer. Op de fauteuil en de salontafel werden brandbevorderende middelen aangetoond. Een deel van de houten tafelpoot werd verwijderd en er werd een monster veiliggesteld en voorzien van een sticker met SIN AAES2902NL en de poot van de fauteuil werd bemonsterd en voorzien van een sticker met SIN AAES2901NL. Er was schade ontstaan aan het object (opstal) en de zich daarin bevindende goederen. Er is gemeen gevaar voor goederen te duchten geweest.

Tijdens het incident was er één persoon aanwezig in het object. Nadat hij wakker was geworden van een klap liep hij naar de woonkamer. Rond de deuropening volgde kort daarna een explosie. Vanwege ontstaan letsel moest hij zich medisch laten behandelen. Er is levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten geweest.

6. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2024.04.19.052, d.d. 14 mei 2024 opgemaakt door ing. J. Dogger, op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudend als zijn/haar verklaring:

Het onderzochte materiaal betreft de monsters met SIN AAES2901NL en SIN AAES2902NL. In beide monsters zijn vluchtige stoffen aangetoond die afkomstig zijn van motorbenzine.

Bewijsoverweging

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met andere(n). Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.

Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Bij de beoordeling van het bewijs is de rechtbank uitgegaan van de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] die zij authentiek en betrouwbaar acht en die wordt ondersteund door ander objectief bewijs. Uit die verklaring blijkt dat de rol van verdachte groter was dan het enkel door een ander ingezet worden als chauffeur. Zo heeft verdachte geregeld of toegestaan dat de voor de ontploffing noodzakelijke spullen in zijn auto klaar stonden. En heeft hij een steen geregeld waarmee medeverdachte [medeverdachte] een gat in het raam heeft kunnen maken waarna de vuurwerkbom door het raam is gegooid. Op grond hiervan is de rechtbank - anders dan de officier van justitie en de raadsman - van oordeel dat de bijdrage van verdachte aan het ten laste gelegde van zodanig gewicht is dat dit kan worden aangemerkt als medeplegen.

De rechtbank verwerpt het verweer en acht feit 1 primair wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feit 1 primair wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1. primair

hij op 11 april 2024 te Easterein, in de gemeente Súdwest-Fryslân, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk brand heeft gesticht en een ontploffing teweeg heeft gebracht op de benedenverdieping van een woning (gelegen aan [adres] ) door een fles met brandbare vloeistof en daarbij een hoeveelheid vuurwerk aan te steken en vervolgens in voornoemde woning te gooien, terwijl daarvan

  • gemeen gevaar voor goederen, te weten overige delen/vertrekken van voornoemde woning en

  • levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoner van voornoemde woning, te duchten was.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. primair medeplegen van opzettelijk brand stichten en een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1 subsidiair en 2 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 423 dagen waarvan 420 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van 3 jaren en oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Daarnaast heeft de officier van justitie oplegging van een werkstraf van 240 uren gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest en een lagere voorwaardelijke gevangenisstraf dan door de officier van justitie is gevorderd. Dit geldt ook voor de duur van de op te leggen werkstraf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringsrapport d.d. 13 mei 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met een of meer anderen een Cobra in combinatie met een fles motorbenzine aangestoken en door het raam van een woning gegooid. Daardoor is er een ontploffing ontstaan en is er brand veroorzaakt in de woning. Door de brand is enorme schade aan de woning (en de inboedel) ontstaan en is deze onbewoonbaar geworden. Het slachtoffer, de bewoner van de woning, kwam af op glasgerinkel doordat het raam werd ingegooid. Hij stond op twee meter afstand van de plek waar de vuurwerkbom terecht kwam. Had hij verder naar voren gestaan dan was het niet gebleven bij brandwonden in zijn gezicht, maar had de vuurwerkbom hem geraakt. In dat geval had hij zwaar lichamelijk letsel kunnen oplopen of was zijn leven mogelijk in gevaar gekomen.

Dat deze gebeurtenis veel impact heeft gehad op de slachtoffer is aannemelijk en blijkt ook uit de verklaring die ter zitting is voorgelezen. Naast de lichamelijke gevolgen zijn er ook psychische gevolgen voor het slachtoffer. Zo heeft hij extra begeleiding en ondersteuning gekregen om te verwerken wat hem is overkomen. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij zich bij zijn handelen enkel heeft laten leiden door het geld dat hij hiervoor kreeg en zich in het geheel niet heeft bekommerd om de gevolgen voor de woning en het slachtoffer.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat hij niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld.

Door de reclassering is over verdachte gerapporteerd. Uit het rapport blijkt dat er criminogene risicofactoren worden gezien in de financiële situatie, het sociale netwerk en in het psychosociaal functioneren. Verdachte is opgegroeid in armoede en daardoor is hij ontvankelijk voor aanbiedingen om

makkelijk en snel geld te verdienen. Hij had contacten in het criminele milieu en door zijn psychische en sociale kwetsbaarheid is hij een makkelijk slachtoffer om ingezet te worden voor dit soort klussen.

Positief is dat verdachte geen pro criminele houding heeft en na zijn aanhouding een aantal stappen in de goede richting heeft gezet. Hij heeft gebroken met zijn sociale netwerk en is werkzaam als bezorger.

Verder heeft hij geen schulden en is hij inmiddels abstinent van alcohol en drugs. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag.

Vanwege zijn kwetsbaarheid is oplegging van reclasseringstoezicht van meerwaarde. Verdachte kan dan worden ondersteund bij het verstevigen van zijn sociaaleconomische positie en het verminderen van zijn psychische kwetsbaarheid en beïnvloedbaarheid.

Het advies is om het volwassenstrafrecht toe te passen en aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daarbij als bijzondere voorwaarden een meldplicht, het volgen van de gedragsinterventie cognitieve vaardigheden en dat hij zich inspant om een zinvolle dagbesteding te verkrijgen en te behouden en dat hij zich inspant zijn financiën op orde te brengen en te houden.

Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit is de rechtbank van oordeel dat het feit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt. Gelet op het lange tijdsverloop en omdat verdachte in de afgelopen twee jaren geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd, werk heeft en zijn leven verder op orde lijkt te hebben, zal de rechtbank geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen dan de tijd die hij in juni 2024 in voorarrest heeft doorgebracht. Om de ernst van het feit te benadrukken en als stok achter de deur zal zij wel een forse voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden en een proeftijd, alsook een werkstraf. Hoewel de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt zal zij de officier van justitie in zijn eis volgen nu deze passend en geboden is bij wat zij bewezen verklaren zal. De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 423 dagen, waarvan 420 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de duur van het voorarrest (drie dagen) en met een proeftijd van drie jaren. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf worden de navolgende bijzondere voorwaarden gekoppeld: meldplicht, het volgen van de gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, zich inspannen zinvolle dagbesteding te verkrijgen en te behouden en zich inspannen zijn financiën op orde te brengen en te houden. Daarnaast zal de rechtbank verdachte een werkstraf opleggen van 240 uren subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis.

Benadeelde partij

Ten aanzien van feit 1 primair

[aangever] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 1,45 ter vergoeding van materiële schade en 7.250,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering hoofdelijk toewijsbaar is, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en met vermeerdering met de wettelijke rente.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat aansluiting moet worden gezocht bij het bedrag dat is toegewezen in de aangehaalde uitspraak die bij de vordering is gevoegd. In die zaak is 6.000,00

toegewezen voor de immateriële schade. De raadsman heeft bepleit dit bedrag ook toe te wijzen in deze zaak.

Oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd en de gevolgen die het heeft gehad voor de benadeelde partij, acht de rechtbank het gevorderde bedrag niet bovenmatig en in overeenstemming met bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend. De rechtbank zal het gevorderde bedrag van

7.251,45 dan ook in zijn geheel toewijzen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander of anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien zijn medeverdachte(n) deze al hebben betaald, en andersom.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 2. is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1. primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 423 dagen.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 420 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

  1. dat de veroordeelde zich binnen twee weken na de uitspraak meldt bij Reclassering Nederland, [adres] en zich blijft melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. Hij zal zich daarbij houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;

  2. dat de veroordeelde deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa/CoVa-plus van de reclassering of deelneemt aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. Hij zal zich daarbij houden aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer;

  3. dat veroordeelde zich inspant om een zinvolle dagbesteding te verkrijgen en te behouden. Indien de reclassering dat noodzakelijk acht, moet veroordeelde stukken overleggen waaruit dit blijkt en/of ermee instemmen dat de reclassering overleg heeft met de betreffende contactpersonen van zijn opleiding en/of werk;

  4. dat veroordeelde zich inspant om zijn financiën op orde te brengen en te houden. Indien de reclassering dat noodzakelijk acht, moet veroordeelde stukken overleggen waaruit dit blijkt.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:

  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.

Ten aanzien van feit 1 primair

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [aangever] te betalen:

  • het bedrag van 7.251,45 (zegge: zevenduizend tweehonderdeenenvijftig euro en vijfenveertig cent);

  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 april 2024 tot de dag van algehele voldoening;

  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [aangever] aan de Staat te betalen een bedrag van 7.251,45 (zegge: zeven duizend tweehonderd eenenvijftig euro en vijfenveertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 april 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 1,45 aan materiële schade en 7.250,00 aan immateriële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 61 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.G.W. Lootsma - Oude Nijeweme, voorzitter, mr. H.C.L. Vreugdenhil en mr.

A. van den Oever, rechters, bijgestaan door L.T.A. Fokkema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 augustus 2026.

Mr. Van den Oever is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.