Materieel strafrecht
Verdachte is vrijgesproken van het plegen van seksuele handelingen terwijl de wil bij het slachtoffer daartoe…
Rechtbank Noord-Nederland, 25 september 2026
ECLI:NL:RBNNE:2026:4184 · Rechtbank Noord-Nederland · 25 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-nederland/strafrecht/materieel-strafrecht/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbnne-2026-4184
Zaakgegevens
Op 25 september 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 25 september 2026
- Datum publicatie
- 2 oktober 2026
- Zaaknummer
- 18.012502.26
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Materieel strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNNE:2026:4184
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verdachte is vrijgesproken van het plegen van seksuele handelingen terwijl de wil bij het slachtoffer daartoe ontbrak. Wegens een gebrek aan steunbewijs is niet voldaan aan de bewijsminimumregel.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18.012502.26
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 25 september 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum ] 1964 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 september 2026.
Verdachte is niet verschenen; wel is verschenen mr. M.J. Buitenhuis, advocaat te Leeuwarden, die verklaard heeft uitdrukkelijk tot de verdediging te zijn gemachtigd.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. Lübbers.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 8 januari 2025 te [plaats], althans in Nederland, met een persoon, te weten [slachtoffer] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
-
het wrijven, over de kleding, over het bovenveen van die [slachtoffer] , en/of
-
het wrijven en/of voelen, over de kleding, bij de vagina van die [slachtoffer]
terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd. Zij heeft daartoe aangevoerd dat er naast de aangifte onvoldoende bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken, nu er geen wettig en overtuigend bewijs is. Verdachte ontkent uitdrukkelijk en de verklaringen van aangeefster bevatten inconsistenties waardoor deze niet geheel betrouwbaar zijn en daarom niet gebruikt kunnen worden voor het bewijs.
Verder kan de verklaring van getuige [getuige] geen steunbewijs bieden, omdat zij niet op alle details gelijk verklaart als aangeefster.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
De rechtbank stelt voorop dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het gegeven dat slechts twee personen betrokken waren bij de ten laste gelegde ontuchtige handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige of enkel op basis van de verklaring of aangifte van het slachtoffer. Dit betekent dat - in een geval als het onderhavige, waarin door verdachte wordt ontkend dat ontuchtige handelingen zijn gepleegd en er geen getuigen van zijn - de rechtbank moet bepalen of voor de verklaring van het slachtoffer voldoende steunbewijs in het dossier aanwezig is.
Een verklaring van een getuige die inhoudt wat het veronderstelde slachtoffer haar heeft verteld, levert daarom in principe niet voldoende steunbewijs op. Waarnemingen die de getuige persoonlijk heeft gedaan zoals waargenomen emoties kunnen onder omstandigheden wel voldoende steunbewijs opleveren.
In het onderhavige dossier bevindt zich naast de verklaringen van aangeefster [slachtoffer] de verklaring van getuige [getuige] . Uit deze verklaring volgt dat zij emoties bij aangeefster heeft waargenomen kort nadat aangeefster haar vertelt dat zij met verdachte in de auto naar de winkel was geweest. Hoewel zichtbare emotie kort na een incident onder omstandigheden steunbewijs kan opleveren, is de rechtbank in deze zaak van oordeel dat de verklaring van [getuige] ten opzichte van de verklaringen van [slachtoffer] te veel discrepanties en tegenstrijdigheden bevat over de feitelijke gang van zaken, onder meer ten
aanzien van het moment waarop zij de emotie waarnam, om als steunbewijs te kunnen dienen. De rechtbank is daarom van oordeel dat niet is voldaan aan het vereiste bewijsminimum.
De enkele verklaring van aangeefster is ontoereikend om tot een bewezenverklaring te komen. Vanwege een gebrek aan steunbewijs is niet voldaan aan de bewijsminimumregel.
Het voorgaande leidt ertoe dat hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd, niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken.
Benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 72,92 ter vergoeding van materiële schade en 1.750,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Oordeel van de rechtbank
[afbeelding niet beschikbaar]De rechtbank acht het feit niet bewezen waaruit de schade zou zijn ontstaan. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart de vordering van [slachtoffer] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Teertstra voorzitter, mr. W.S. Sikkema en mr. K. Bunk, rechters, bijgestaan door W. van Goor, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 september 2026.
mr. K. Bunk is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.