Materieel strafrecht

De rechtbank veroordeelt verdachte voor opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor…

Rechtbank Noord-Nederland, 16 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 16 oktober 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Zittingsplaats
Assen
Datum uitspraak
16 oktober 2026
Datum publicatie
16 oktober 2026
Zaaknummer
18.022629.26
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2026:4487
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De rechtbank veroordeelt verdachte voor opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Vrijspraak voor levensgevaar of zwaar lichamelijk letsel voor een ander.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18.022629.26

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken

d.d. 16 oktober 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] , zonder vaste woon- of verblijfplaats,

thans gedetineerd te [instelling] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 2 oktober 2026.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.P.E.M. Pover, advocaat te Meppel. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.H. Veltkamp.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 21 januari 2026 te Assen, althans in Nederland, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een matras met open vuur in aanraking te brengen en/of aan te steken en/of tot ontbranding te brengen (met een aansteker), ten gevolge waarvan dat matras gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan

  • gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten het pand gelegen aan [adres] en/of kamer [nummer] van dat pand en/of de in dat pand en/of die kamer aanwezige goederen en/of de omliggende en/of naastgelegen kamers van kamer [nummer] en/of de in die kamers aanwezige goederen, te duchten was, en/of

  • levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de perso(o)nen die zich bevonden in de omliggende en/of naastgelegen kamers van kamer [nummer] en/of in het pand gelegen aan [adres] , te weten bewoners en/of medewerkers van het AZC en/of COA en/of hulpverleners, te duchten was.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opzettelijke brandstichting waarbij zowel gemeen gevaar voor goederen als levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was, wettig en overtuigend kan worden bewezen. Ten aanzien van het levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voert de officier van justitie het volgende aan. Op de verdieping waar de brand heeft gewoed, bevinden zich 16 kamers die 37 mensen huisvesten. Uit het dossier blijkt dat de bewoners van de naast kamer [nummer] gelegen kamers zich ook daadwerkelijk in hun kamer bevonden op het moment van de brand. Uit de camerabeelden en de verklaringen van de getuigen blijkt dat de gang waar kamer [nummer] aan is gelegen volstond met rook. Deze rook heeft zich snel kunnen verspreiden.

Het is een feit van algemene bekendheid dat het inademen van rook verstikkingsgevaar oplevert. Bovenstaande maakt volgens de officier van justitie de kans op levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander door de opzettelijk gestichte brand voorzienbaar. Dat de betreffende gang preventief is geëvacueerd en dat de brand vroegtijdig is geblust, maakt de gevaarzetting niet anders.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat slechts opzettelijke brandstichting waarbij gemeen gevaar voor goederen te duchten is wettig en overtuigend kan worden bewezen en dat verdachte van het onderdeel levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten moet worden vrijgesproken.

Oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 21 januari 2026, opgenomen op pagina 22 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2026018013 d.d. 29 januari 2026, inhoudend als verklaring van [getuige 1] :

[verdachte] is bewoner van kamer [nummer] . Hij verblijft sinds 16 januari 2026 hier op het Asielzoekerscentrum in [plaats] . Hij is de enige persoon die toegang heeft tot de kamer.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d.

21 januari 2026, opgenomen op pagina 20 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 2] :

Op 21 januari 2026 kreeg ik een oproep dat er een brandmelder afging op kamer [nummer] . Hierop liep ik met mijn collega richting de desbetreffende kamer. Onderweg rook ik een verbrande geur. Aangekomen bij kamer [nummer] , openden wij de kamerdeur. Ik zag dat er een bed in de brand stond. Ik zag dat de kamer gevuld was met rook. Later zag ik dat het matras brandde.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict d.d. 21 januari 2026, opgenomen op pagina 25 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :

Ik ben werkzaam als forensisch brandonderzoeker.

Bevindingen

In de kamer zag ik op het onderste matras van het stapelbed zichtbare brandschade. Ik zag dat het matras van plastic was en dat deze gevuld was met schuim. Ik zag dat het matras door de hitte in een ronde vorm gesmolten was. Bij deze vorm zag ik een wit stuk textiel liggen. Ik zag dat deze voor een deel verbrand was. Het verbrande deel paste bij de ronde vorm en is waarschijnlijk betrokken geweest bij de brand. Het schuim was ingebrand en was zwart verkleurd als gevolg van de brand. In de brandresten zag ik een door brand aangetaste aansteker liggen. De aansteker was zwart verkleurd en de buitenzijde was versmolten. Er werd geen aanwijzing verkregen voor een technische oorzaak. Door het aantreffen van een aansteker en het verlaten van de kamer door de bewoner vlak voor de brandmelding is brandstichting de meest aannemelijke oorzaak van de brand.

GEVAARZETTING

Het matras is brandwerend net als de overige materialen in de kamer. Deze goederen zijn eigendom van het COA. De brandpreventieve maatregelen in het gebouw hebben naar behoren gewerkt. Door het vroegtijdig ontdekken van de brand en het doortastend optreden van de BHV, kon voorkomen worden dat de brand zich verder kon uitbreiden. Hierbij bestond de mogelijkheid dat de brand zich verder kon ontwikkelen op het matras en het bovengelegen bed. Rook had zich verder kunnen verspreiden in de ruimte en bij het openen van de kamerdeur is deze rook de vrije ruimte ingestroomd

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d.

22 januari 2026, opgenomen op pagina 29 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :

Vanuit het Centraal Orgaan Opvang asielzoekers gelegen aan de [adres] , te [plaats] werden er camerabeelden aangeleverd. Ik, verbalisant [verbalisant] , kreeg een viertal videobestanden met zicht op de overloop van een eerste verdieping.

Ik, verbalisant [verbalisant] , zie op de tweede video de verdachte in beeld komen. Ik zie dat hij de deur dichttrekt en op slot draait. () Ik zie hem de gang oplopen, richting de deur die hij eerder vermoedelijk op slot had gedraaid. Ik zie dat hij de deur opent en de kamer [de rechtbank begrijpt: kamer [nummer] ]

betreedt. Ik zie na 8 minuten en 16 seconden de verdachte zijn kamer uitkomen en deze weer op slot draait. Ik zie op de derde video na 3 minuut en 40 seconden verschillende personen, de doorgang passeren en richting de gang gaan. Een van de personen heeft een brandblusser in zijn handen. Ik zie om 5 minuut en 20 seconden twee personen de branddeuren van de gang openen. Ik zie dat de gang volstaat met rook.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank stelt op grond van bovenstaande bewijsmiddelen vast dat verdachte op

21 januari 2026 opzettelijk brand heeft gesticht in zijn kamer, [nummer] , waardoor gemeen gevaar voor goederen is ontstaan. Uit het procesdossier blijkt dat verdachte sinds 16 januari 2026 in kamer [nummer] in het AZC aan de [adres] te [plaats] verbleef. Verdachte was de enige met een sleutel van deze kamer en op basis van de beschikbare camerabeelden kan worden vastgesteld dat verdachte de enige persoon was die op het moment dat de brand is ontstaan in zijn kamer is geweest. De rechtbank stelt op basis van de, op de plek van de brand aangetroffen, aansteker en het deels verbrande stuk textiel vast dat de brand door verdachte is aangestoken en dat verdachte dit opzettelijk heeft gedaan.

Het gemeen gevaar voor goederen.

De verdachte heeft een matras in brand gestoken, waarbij het matras gedeeltelijk is verbrand. Door de brand ging een brandmelder af. De rechtbank is van oordeel dat door het handelen van verdachte gemeen gevaar voor goederen te duchten is geweest en dat dit gevaar voorzienbaar was ten tijde van het veroorzaken van de brand door de verdachte. Daarbij is relevant dat het verbrande matras op het onderste deel van een stapelbed lag, waardoor de brand zich ook via het bovenste matras had kunnen verspreiden. Dat door de brandstichting gemeen gevaar te duchten was voor goederen is door de verdediging ook niet betwist. De rechtbank acht het gemeen gevaar voor goederen dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Partiële vrijspraak levensgevaar en/of zwaar lichamelijk letsel voor een ander

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of levensgevaar en/of zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is geweest. De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat het onderdeel levensgevaar en/of zwaar lichamelijk letsel voor een ander niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is voor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel vereist dat uit de inhoud van de wettige bewijsmiddelen volgt dat dit levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel inderdaad te duchten was. Dit betekent dat het levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest. Op basis van het procesdossier kan de rechtbank dit niet vaststellen. Uit het procesdossier blijkt dat de brandschade aan de kamer beperkt is gebleven tot het matras en dat de in de kamer aanwezig goederen, inclusief het matras, van brandwerend materiaal zijn gemaakt. Het procesdossier bevat voorts geen concrete informatie over de indeling van de gang en de kamers, hoeveel mensen zich daar bevonden en in hoeverre de brand zich had kunnen uitbreiden. Ook is onvoldoende informatie beschikbaar over de rookvorming en de risicos die daarmee gepaard gingen. De rechtbank kan gelet op het voorgaande dan ook niet vaststellen dat de omstandigheden zodanig zijn geweest dat levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander voorzienbaar was.

Gelet op bovenstaande acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat in onderhavige zaak levensgevaar of zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is geweest, waardoor verdachte van dit

onderdeel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 21 januari 2026 te Assen, opzettelijk brand heeft gesticht, door een matras aan te steken en/of tot ontbranding te brengen (met een aansteker), ten gevolge waarvan dat matras gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten het pand gelegen aan [adres] en kamer [nummer] van dat pand en de in die kamer aanwezige goederen, te duchten was.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft bij haar strafeis rekening gehouden met de opgemaakte rapporten over verdachte waarin aanwijzingen worden gezien voor een psychotisch toestandsbeeld bij verdachte.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor een gevangenisstraf voor de duur van hooguit 6 maanden en verwijst daarbij naar de strafvorderingsrichtlijnen van het openbaar ministerie en straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat uit de opgestelde rapportages blijkt dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde feit dusdanig gedrag vertoonde dat gedacht kan worden aan een psychotisch toestandsbeeld. De raadsman heeft verzocht om hier rekening mee te houden bij het bepalen van de strafmaat. Alles afwegende is de raadsman van mening dat de situatie als bedoeld in artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering van toepassing is. Om die reden heeft de raadsman verzocht de voorlopige hechtenis op korte termijn op te heffen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de rapportages van de psychiater en de reclassering, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 7 september 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

Verdachte heeft brand gesticht in zijn kamer in het AZC te [plaats] . Brandstichting is een ernstig en zeer gevaarlijk feit, juist vanwege het onvoorspelbare en onbeheersbare karakter van vuur en de gevaren van rookontwikkeling. Met zijn handelen heeft verdachte een gevaarlijke en beangstigende situatie voor zijn medebewoners en het personeel gecreëerd. Dat het gevaar uiteindelijk beperkt is gebleven tot goederen, is een gelukkige omstandigheid die niet aan het handelen van verdachte is te danken. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

Persoon van de verdachte

De rechtbank overweegt dat verdachte in het kader van deze strafzaak is onderzocht door een psychiater van het NIFP. Uit de Pro Justitia-rapportage van 21 augustus 2026 van deze psychiater volgt dat verdachte geen medewerking heeft verleend aan het onderzoek. Om deze reden kon geen diagnose worden gesteld, geen relatie worden aangegeven tussen de verdenking en de eventuele psychische problematiek en kon ook geen advies worden gegeven over de mate waarin het feit aan verdachte kan worden toegerekend.

De reclassering heeft vervolgens een rapport uitgebracht op 10 september 2026 waarin zij aangeeft evenmin bruikbaar contact met verdachte te hebben gekregen waardoor geen zicht is ontstaan op zijn persoonlijkheid, zijn functioneren op verschillende leefgebieden, de eventuele aanwezigheid van psychische problematiek en risico- en beschermende factoren. De reclassering kan daarom niet adviseren over passende voorwaarden en interventies.

Gelet op het ontbreken van bruikbare rapportages omtrent de persoon van verdachte, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten om het feit in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Wel ziet de rechtbank, evenals de officier van justitie en de raadsman van verdachte, op basis van het procesdossier en de gemoedstoestand van verdachte ter terechtzitting, aanwijzingen dat sprake zou kunnen zijn geweest van een psychotisch toestandsbeeld. De rechtbank houdt hier in strafmatigende zin rekening mee bij het bepalen van de op te leggen straf.

De straf

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd, omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt.

De rechtbank acht alles afwegende een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, passend en geboden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Een kortere gevangenisstraf, zoals door de raadsman bepleit, zou geen recht doen aan de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan. Het voorwaardelijke strafdeel dient als stok achter de deur om verdachte ervan te weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan (vergelijkbare) strafbare feiten. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijke strafdeel te verbinden, gelet op het ontbreken van informatie over de persoon van verdachte.

De rechtbank zal het verzoek van de raadsman tot opheffing van de voorlopige hechtenis afwijzen, omdat de rechtbank komt tot oplegging van een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijke deel langer is dan de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Benadeelde partij

[getuige 1] heeft zich namens het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: COA) [plaats] als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 75,89 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering omdat een machtiging ontbreekt waaruit blijkt dat [getuige 1] bevoegd is tot indiening van de vordering. Afgezien daarvan is de vordering volgens de officier van justitie onvoldoende onderbouwd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich niet uitgelaten over de vordering van de benadeelde partij.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat niet is gebleken dat [getuige 1] bevoegd is om namens het COA Assen de vordering in te dienen. Omdat de rechtbank niet kan vaststellen of

[getuige 1] tot indiening van de vordering bevoegd is, verklaart de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 157 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 5 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan de duur van de aan verdachte onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Ten aanzien van de vordering benadeelde partij

Verklaart de vordering van [getuige 1] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Bepaalt dat de benadeelde partij haar eigen proceskosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Valk, voorzitter, mr. H.M. Lenting en mr. G. Veenstra, rechters, bijgestaan door mr. B.A. Smit, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 oktober 2026.

Mr. H.M. Lenting is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.