Civiel recht overig

Samenwerking. Autodealer. Meerwaarderegeling in samenhang met geldlening en hoge rente. Mondelinge afspraak…

Rechtbank Oost-Brabant, 28 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 28 oktober 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28 oktober 2026
Datum publicatie
26 oktober 2026
Zaaknummer
410665 / HA ZA 24-723
Procedure
Bodemzaak
Advocaat
mr. M.M.M. Rooijen, mr. G.C. Vergouwen4. [gedaagde 4] B.V. te [plaats], mr. M.A.J.G. Janssen
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2026:7517
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Samenwerking. Autodealer. Meerwaarderegeling in samenhang met geldlening en hoge rente. Mondelinge afspraak naast schriftelijk vastgelegde afspraak. Vervreemding aan familie of gelieerde entiteit telt niet mee.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Zaaknummer: C/01/410665 / HA ZA 24-723

Vonnis van 28 oktober 2026

in de zaak van

[eiser] B.V. te [plaats] , hierna “ [eiser] ”

eisende partij

advocaat: mr. M.M.M. Rooijen

tegen

1 [gedaagde 1] B.V.te [plaats] , hierna “ [gedaagde 1] ”

2. [gedaagde 2] B.V. te [plaats] , hierna “ [gedaagde 2] ”

3. [gedaagde 3] te [plaats]

advocaat: mr. G.C. Vergouwen
4. [gedaagde 4] B.V. te [plaats] , hierna “ [gedaagde 4] ”

advocaat: mr. M.A.J.G. Janssen

gedaagde partijen

hierna samen te noemen: [gedaagden]

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord van mr. Vergouwen,
- de conclusie van antwoord van mr. Janssen,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald

- de mondelinge behandeling van 27 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, waarbij mr. Rooijen producties 38-43 heeft overgelegd en mr. Vergouwen producties 22-23 heeft overgelegd, en waarbij de advocaten spreekaantekeningen hebben overgelegd.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben gedurende 33 jaar samengewerkt in een commanditaire vennootschap (de cv) voor de exploitatie van een BMW-dealer, gevestigd aan de [straat] in [plaats] op een premium locatie, zichtbaar vanaf de [straat] (grote weg) bij verkeerslichten, en grenzend aan de ASML-campus in [plaats] .

2.2.

[A] houdt de aandelen in [eiser] . [eiser] had 31% van de aandelen in [gedaagde 1] . [gedaagde 1] hield het vastgoed dat werd gehuurd door het autobedrijf voor de exploitatie van het bedrijf (hierna: het vastgoed). De overige aandelen in [gedaagde 1] waren in handen van [gedaagde 2] . [gedaagde 3] houdt de aandelen in [gedaagde 2] .

2.3.

[gedaagde 4] is een vennootschap die wordt beheerst door de kinderen van [gedaagde 3] .

2.4.

Het vastgoed is gelegen naast een grote campus van ASML. ASML groeit en koopt vastgoed. ASML heeft gedurende de jaren vóór 2021/2022 in de omgeving van het vastgoed een aantal percelen aangeschaft, doorgaans tegen prijzen die voor de verkopers gunstig waren. Deze trend is doorgezet in de periode na 2021/2022.

2.5.

[eiser] wilde vanaf de zomer / het najaar 2021 uittreden. [A] wilde met pensioen gaan. [eiser] (vertegenwoordigd door [A] ) heeft meermalen hierover gesproken met [gedaagde 3] . [eiser] heeft uiteindelijk hierover afspraken gemaakt met de cv en met [gedaagde 1] / [gedaagde 2] . [eiser] is uit de cv getreden en [A] is met pensioen gegaan. De afspraken tussen [eiser] en [gedaagde 1] / [gedaagde 2] betroffen de verkoop van het aandelenbelang van [eiser] in [gedaagde 1] aan [gedaagde 2] . Deze afspraken hadden twee onderdelen die hier belangrijk zijn: zie 2.6 en 2.7 hierna.

2.6.

Het eerste onderdeel is een geldlening, notarieel verleden op 1 april 2022. De geldlening bevat de volgende bepalingen:

  • i) Toen [eiser] haar aandelenbelang in [gedaagde 1] overdroeg aan [gedaagde 1] , heeft [eiser] met [gedaagde 1] afgesproken dat [eiser] afstand doet van de vordering tot betaling van de koopprijs (€ 480.000,00) en dat [gedaagde 1] € 480.000,00 als geldlening verschuldigd is aan [eiser] .

  • ii) De looptijd van de geldlening is 10 jaar vanaf 1 januari 2022 tot 31 december 2031.

  • iii) [gedaagde 1] betaalt het restant van de hoofdsom van de geldlening aan [eiser] op 31 december 2031. Het is niet toegestaan geheel of gedeeltelijk af te lossen, behalve met schriftelijke toestemming van [eiser] .

  • iv) [gedaagde 1] moet de hoofdsom met rente en kosten aan [eiser] betalen binnen zes maanden na een vervreemding als bedoeld in de meerwaarderegeling.

  • v) [gedaagde 1] is jaarlijks 10% rente verschuldigd over de openstaande hoofdsom.

  • vi) Onder de koptekst “vertragingsrente/schadeloosstelling”: een boetebeding gelijk aan de geldende wettelijke rente.

2.7.

Het tweede onderdeel is een “meerwaarderegeling”, notarieel verleden op 1 april 2022. De meerwaarderegeling bevat de volgende bepalingen:

  • i) [gedaagde 1] betaalt 31% van de meerwaarde aan [eiser] als [gedaagde 1] vóór 1 januari 2037 (iets minder dan 15 jaar na de datum van de akte) het vastgoed “vervreemdt”.

  • ii) De meerwaarde is de opbrengst bij vervreemding, verminderd met enkele posten:
    € 1.782.500,00 (vastgestelde huidige waarde)
    overdrachtsbelasting
    verkoopkosten
    vennootschapsbelasting
    kosten van door [gedaagde 1] voor eigen rekening aangebrachte verbeteringen.

  • iii) De term “vervreemding” is gedefinieerd als volgt: “Onder vervreemding wordt verstaan op grond van een rechtsverhouding die tot levering verplicht geheel of gedeeltelijk leveren van het Registergoed [het vastgoed, rechtbank] en het vestigen van beperkte rechten daarop, anders dan een recht van hypotheek. Onder vervreemding wordt ook verstaan op grond van een rechtsverhouding die tot levering verplicht geheel of gedeeltelijk leveren van de aandelen in de Vennootschap [ [gedaagde 1] , rechtbank] (…).”

Er is geen bepaling opgenomen over transacties met familie of gelieerde entiteiten.

2.8.

[gedaagde 1] heeft enkele maanden na de datum van de meerwaarderegeling het vastgoed geleverd aan [gedaagde 4] en de geldlening aan [eiser] afgelost.

2.9.

Enkele getuigen zijn gehoord in een voorlopig getuigenverhoor, op verzoek van [eiser] .

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat:
(i) een verklaring van recht dat de meerwaarderegeling zo moet worden uitgelegd dat enkel een overdracht aan een derde (zoals ASML) kwalificeert als een vervreemding conform de partijbedoeling en dat [gedaagde 1] nog altijd gebonden is aan de meerwaarderegeling alsmede te verklaren voor recht dat [gedaagde 1] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de geldlening

(ii) veroordeling van [gedaagde 1] tot nakoming van de meerwaarderegeling, met een dwangsom

(iii) veroordeling van [gedaagden] tot schadevergoeding, op te maken bij staat

met de kosten van het geding, en rente daarover.

[eiser] stelt dat [gedaagden] de afspraken over de meerwaarderegeling heeft geschonden.

3.2.

[gedaagden] voert verweer. [gedaagden] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten. [gedaagden] meent dat de meerwaarderegeling niet is geschonden en dat deze regeling wel is uitgewerkt door de overdracht aan [gedaagde 4] en dus nu niet meer geldt.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank neemt bij de beoordeling eerst de tekst van de meerwaarderegeling in aanmerking, overeenkomstig de zin die partijen daaraan redelijkerwijs hebben mogen geven. In de tekst staat geen bepaling over een vervreemding aan familie of gelieerde entiteiten en uit de tekst volgt op zichzelf dat ook een dergelijke vervreemding leidt tot toepassing van de meerwaarderegeling.

4.2.

Echter, [eiser] stelt dat een aanvullende afspraak mondeling is gemaakt over een dergelijke vervreemding. Het gaat om een gesprek waar [A] , [gedaagde 3] en [B] (adviseur van [gedaagde 3] ) aanwezig zijn geweest. De gestelde mondelinge afspraak komt erop neer dat een overdracht aan familie of gelieerde entiteiten niet meetelt als “vervreemding” in de zin van de meerwaarderegeling.

4.3.

De rechtbank neemt bij de beoordeling van deze stelling eerst drie getuigenverklaringen in aanmerking, die hierover zijn afgelegd in het voorlopig getuigenverhoor.

[A] heeft verklaard:

“U vraagt mij of er in dat gesprek van 24 december 2021 is gevraagd aan [gedaagde 3] wat de meerwaarderegeling betekende bij overdracht van het pand aan de kinderen van [gedaagde 3] en waarom dat door mij is gevraagd. Door de verkoop van de aandelen, zat ik niet meer aan het roer nu ik immers geen eigenaar meer zou zijn. In dat gesprek is door mij expliciet gevraagd wat er zou gebeuren als er bijvoorbeeld een overdracht aan de kinderen van [gedaagde 3] zou plaatsvinden. [gedaagde 3] heeft toen expliciet gezegd dat ik die vraag na 33 jaar samen gewerkt te hebben, niet hoef te stellen en dat we zo niet met elkaar omgaan. Ik kon daarop vertrouwen. Ik weet nog dat [gedaagde 3] even naar de wc is gegaan en dat ik toen diezelfde vraag aan [B] heb gesteld. [B] antwoord[d]e toen: ‘ [A] , daar kun je op vertrouwen, [gedaagde 3] zou dat nooit durven ten opzichte van de aandeelhouder zijnde familie [C] ’. U rechter houdt mij de verklaring voor van [gedaagde 3] waarin hij ontkent dat dit aan de orde is geweest en ook ontkent dat hij heeft geantwoord zoals ik dat nu verklaar. Ik zie dit als een pertinente leugen. Dit onderwerp is wel degelijk ter sprake gekomen.”

[B] heeft verklaard:

“Wat mij nu te binnen schiet is dat wel de vraag is gesteld of de regeling nog zou gelden indien het bedrijf in de toekomst zou worden gerund door de kinderen van [gedaagde 3] . Wat het antwoord van [gedaagde 3] op die vraag was, weet ik niet meer.”

[gedaagde 3] heeft verklaard:

“U houdt mij voor dat in het verzoekschrift is gesteld namens [A] dat [A] in

een gesprek met u in het bijzijn van [B] expliciet aan mij zou hebben gevraagd of een

eventuele overdracht van het pand aan bijvoorbeeld mijn kinderen of aan een gelieerde

onderneming de meerwaarderegeling niet zou doorkruisen. En dat ik in antwoord daarop

gezegd zou hebben dat wij dat na een samenwerking van 33 jaren toch niet hoeven vast te

leggen, omdat wij zo niet met elkaar omgaan. U vraagt mij of dit onderwerp zo aan de orde

is geweest? In antwoord daarop zeg ik u dat dit niet aan de orde is geweest. In antwoord op

de vraag van u rechter of ik het antwoord heb gegeven zoals dat in het verzoekschrift staat

omschreven, zeg ik u dat ik dit niet heb gezegd. Het klopt dat het pand door [gedaagde 1] is

overgedragen. Dit is gebeurd in het kader van de bedrijfsoverdracht aan mijn kinderen. [A]

wist dat omdat ik er al een paar jaren mee bezig was. Ik geloof zelfs dat ik het ook

met hem heb besproken en zelfs gesproken heb over een mogelijkheid voor zijn kinderen

maar zeker weten doe ik dat nu niet.

U vraagt mij of de meerwaarderegeling zoals vastgelegd in bijlage 12 nog geldt indien het pand nu zou worden verkocht aan ASML. Ik hoor mijn advocaat bezwaar aantekenen tegen deze vraag vanwege de juridische strekking van deze vraag en de juridische implicatie van het antwoord waar ik mij verder ook niet op heb kunnen voorbereiden. Ik wil mij dan ook alle rechten voorbehouden maar ik meen op basis van bijlage 12 dat de meerwaarderegeling in dat geval niet meer geldt. Ik kan mij niet herinneren dat ik met [B] nog gesproken heb over de overdracht van het pand na die overdracht.”

[A] stelt nog dat hij [gedaagde 3] na de transactie met [gedaagde 4] heeft gevraagd waarom er zo was gehandeld en dat [gedaagde 3] heeft geantwoord: “Wat had je anders verwacht, [A] ?”

4.4.

De rechtbank neemt verder bij de beoordeling de gestelde zakelijke ratio van de meerwaarderegeling in samenhang met de geldlening (2.6-2.7 hiervoor) in aanmerking. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat partijen met het samenstel van de meerwaarderegeling en de geldlening hebben beoogd:
(i) [gedaagde 1] vrij te laten in haar bedrijfsuitoefening en in de keuze om het vastgoed wel of niet te vervreemden,
(ii) [eiser] een aantrekkelijke vergoeding voor het vastgoed te bieden: de eventuele meerwaarde (die uitsluitend wordt gerealiseerd als [gedaagde 1] besluit te vervreemden binnen 15 jaar), in combinatie met de hoge rente van 10% per jaar in de periode tot aan de vervreemding, of uitsluitend deze hoge rente over 10 jaar (als [gedaagde 1] besluit om (gedurende die termijn) niet te vervreemden),
(iii) waarbij [gedaagde 1] een incentive heeft om op kortere termijn te vervreemden omdat [gedaagde 1] tot het tijdstip van de vervreemding de rente van 10% per jaar moet betalen,
(iv) met dien verstande dat [gedaagde 1] de vrijheid heeft om 10 jaar lang die rente te betalen, nog 5 jaar het vastgoed in portefeuille te houden en daarna het vastgoed vrij van de meerwaarderegeling te vervreemden (en dus de gehele opbrengst zelf te behouden).

[gedaagden] heeft hiertegenover geen plausibele zakelijke ratio voor de meerwaarderegeling in samenhang met de geldlening gepresenteerd. Zij klaagt wel dat de rente heel hoog is; dat is waar, maar wordt ook verklaard door de zakelijke ratio.

4.5.

Partijen hebben passages geciteerd uit verklaringen van andere getuigen, maar de rechtbank vindt die verklaringen niet relevant omdat daarin geen informatie wordt gegeven over concrete uitlatingen/gedragingen die van belang kunnen zijn bij de beoordeling van de gestelde aanvullende mondelinge afspraak.

4.6.

De rechtbank komt op grond van de aangehaalde getuigenverklaringen en de zakelijke ratio van de afspraken tot de conclusie dat [eiser] de gestelde mondelinge afspraak heeft bewezen (4.2 hiervoor).

De rechtbank slaat eerst acht op de verklaring van [A] , die de rechtbank betrouwbaar en geloofwaardig acht: [A] heeft direct en onmiskenbaar gevraagd of het nodig was om op te schrijven dat een overdracht aan familie of een gelieerde entiteit niet meetelt, en het antwoord was ondubbelzinnig en ontkennend. [A] was bestuurder van [eiser] op het tijdstip van zijn verklaring, dat maakt hem een partijgetuige in de zin van de oude regeling (die hier nog geldt omdat de dagvaarding in 2024 is uitgebracht), maar er is voldoende ondersteuning voor de verklaring van [A] , namelijk de verklaringen van [B] en [gedaagde 3] en de zakelijke ratio onder 4.4 hiervoor.

De rechtbank neemt verder de verklaringen van [B] en [gedaagde 3] in aanmerking. [B] weet wel dat de vraag is gesteld, maar hij kan zich niets herinneren over het antwoord. Dat valt op omdat het hier gaat om een essentieel punt: de overdracht aan de kinderen speelde al langer, [B] was daar nauw bij betrokken en zo’n overdracht maakt de afspraken met [A] / [eiser] zinloos. De verklaring van [B] biedt daarom steun voor de verklaring van [A] . Dat geldt ook voor de verklaring van [gedaagde 3] , omdat [gedaagde 3] niet stellig en ondubbelzinnig verklaart; hij volstaat met bewoordingen zoals “dat dit niet aan de orde is geweest” en “dat ik dit niet heb gezegd”. Dit valt op om dezelfde redenen als bij de verklaring van [B] : het ging onmiskenbaar om een essentieel punt. Ook de verklaring van [gedaagde 3] , waar geen duidelijke of geloofwaardige ontkenning in te lezen is, biedt steun voor de verklaring van [A] .

De rechtbank neemt ook de zakelijke ratio in aanmerking (4.4 hiervoor). Het standpunt van [A] hierover is niet gemotiveerd betwist door [gedaagden] heeft geen plausibele zakelijke verklaring gegeven voor de geldlening en de meerwaarderegeling. [gedaagden] onderkent dat haar interpretatie van de geldlening en de meerwaarderegeling meebrengt dat de afspraken zinloos zijn en geen reële zakelijke betekenis hebben: als [gedaagden] ervoor kiest om [eiser] te betalen, dan mag dat, en als [gedaagden] ervoor kiest om [eiser] niet te betalen (zoals is gebeurd door de overdracht aan [gedaagde 4] ), dan mag dat ook, aldus het standpunt van [gedaagden] Zo is volgens [gedaagden] het recht van [eiser] geheel afhankelijk van de vrije keuze van [gedaagden] Maar dat was vóór het maken van de afspraken over de meerwaarderegeling en de geldlening al het geval. De afspraken waren niet nodig om dat te bereiken. Daarom levert de interpretatie van [gedaagden] geen plausibele zakelijke verklaring op. [gedaagden] heeft in deze context niets anders naar voren gebracht. Bij deze stand van zaken gaat de rechtbank ervan uit dat de door [eiser] gepresenteerde zakelijke verklaring overtuigend, betrouwbaar en juist is. Deze zakelijke ratio biedt in sterke mate steun voor de verklaring van [A] en is ook zelf een belangrijk deel van de bewijslevering.

[gedaagden] heeft ook niet (gemotiveerd) betwist dat [gedaagde 3] tegen [A] heeft gezegd: “Wat had je anders verwacht, [A] ?”. Dit biedt verder steun voor de analyse hiervoor.

De rechtbank neemt tot slot de zakelijke samenwerking tussen partijen in aanmerking. Uit alle informatie in het dossier volgt dat alle partijen ondernemer zijn én dat zij niet allemaal helemaal gelijk zijn. [gedaagden] behoort tot een groot concern dat al honderd jaar BMW vertegenwoordigt in de regio [plaats] . [eiser] daarentegen was betrokken bij de firmant voor één vestiging. De heer [A] was in feite de manager van deze vestiging, die equity heeft gekregen (een belang als vennoot, en een aandeel in de vastgoedvennootschap [gedaagde 1] ). Deze achtergrond geeft inzicht in de gesprekken tussen [A] en [gedaagde 3] : er zijn twee zakelijke partners die in zekere zin gelijk zijn in de samenwerking, [A] onderhandelt en stelt eisen, maar legt zich ook neer bij de uitkomst als [gedaagde 3] beslist en hem gerust stelt dat het niet nodig is nog meer tekst op te nemen in de akte (over een overdracht aan familie of een gelieerde entiteit), na een jarenlange samenwerking.

De rechtbank komt op dit onderdeel tot de conclusie dat de gestelde mondelinge afspraak onder 4.2 hiervoor is bewezen. Dit betekent dat de overdracht aan [gedaagde 4] niet meetelt als vervreemding in de zin van de meerwaarderegeling en de geldlening.

4.7.

De rechtbank beoordeelt hieronder de vorderingen van [eiser] .

( i) De vordering voor een verklaring voor recht is gelet op het voorgaande gegrond wat betreft de uitleg van de afspraken en de tekortkoming.

  • ii) De vordering voor een verklaring voor recht over de gebondenheid aan de meerwaarderegeling en de vordering tot nakoming van de meerwaarderegeling zijn ook gegrond. De rechtbank begrijpt dat [eiser] de levering/overdracht aan [gedaagde 4] niet wil aantasten; niets is gesteld over gronden voor nietigheid of vernietigbaarheid of over wilsgebreken. Die levering/overdracht blijft daarom in stand. Dit laat echter onverlet dat [gedaagde 1] gebonden is aan de meerwaarderegeling en deze regeling moet nakomen (al moet zij wellicht de middelen bij groepsmaatschappijen ophalen). [gedaagden] meent dat de regeling ná de levering/overdracht aan [gedaagde 4] is uitgewerkt en niet meer geldt, maar de rechtbank verwerpt dit standpunt op grond van al het voorgaande. De rechtbank wijst de vordering wat betreft een dwangsom af omdat de nakoming hier een geldvordering betreft en omdat [gedaagde 1] volgens [gedaagden] geen middelen heeft, zodat nakoming afhankelijk zal zijn van een verstrekking van middelen door de overige gedaagden.

  • iii) De vordering tot vergoeding van schade, op te maken bij staat, is gelet op het voorgaande gegrond en zal hierna worden toegewezen tegen alle gedaagden. Het gaat hierbij om de gederfde rente (geldlening) en de eventuele gederfde meerwaarde, die [eiser] bij onberispelijke nakoming zou hebben ontvangen van [gedaagde 1] . Wat betreft de gederfde meerwaarde gaat het om de situatie waarin [gedaagde 1] in de toekomst tekort schiet (en dus de eventuele meerwaarde niet vergoedt) ingeval van een vervreemding door [gedaagde 4] (aan een derde (arm’s length)). De rechtbank merkt in deze context op dat er geen recht is op vergoeding van meerwaarde als [gedaagde 4] de keuze maakt om gedurende de resterende termijn tot 1 januari 2037 niet te vervreemden (aan een derde (arm’s length)), omdat die keuze in vrijheid toch al toekwam aan [gedaagde 1] volgens de afspraken over de meerwaarderegeling. De keuze van [gedaagde 4] komt bij wijze van schadevergoeding voor rekening van alle gedaagden (zie verder (iv) en (v) hieronder). De rente zal uiteraard wel verschuldigd zijn tot een eventuele vervreemding dan wel de afloopdatum van de geldlening.

( iv) De rechtbank beoordeelt het verwijt aan de bestuurders ( [gedaagde 3] en [gedaagde 2] ), die namens [gedaagde 1] hebben gehandeld bij de overdracht van het vastgoed aan [gedaagde 4] . De maatstaf is of aan de bestuurders een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat aan de bestuurders in dit geval een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt, omdat zij welbewust, in weerwil van de mondelinge afspraak met [A] , hebben meegewerkt aan de levering van het vastgoed aan [gedaagde 4] (familie, de kinderen) tegen een prijs waar geen meerwaarde uit voortvloeit, met het oogmerk om [A] te benadelen en om de familie [gedaagde 3] en gelieerde entiteiten te bevoordelen. Door de levering van het vastgoed is de waarde van [gedaagde 1] uitgehold. [gedaagde 1] heeft geen andere activa en biedt verder geen verhaal, zo hebben gedaagden betoogd als reden om de geldlening bij de levering onverwijld af te lossen. Dit betekent dat de bestuurders welbewust hebben meegewerkt aan de handelwijze waardoor [gedaagde 1] geen verhaal biedt voor de voorzienbare vordering tot schadevergoeding zoals ingesteld in deze procedure. De vordering tegen de bestuurders tot vergoeding van schade is gegrond. Het gaat hierbij om de schade die [gedaagde 1] moet vergoeden aan [eiser] .

( v) De rechtbank beoordeelt tot slot het verwijt aan [gedaagde 4] , dat neerkomt op profiteren van wanprestatie van [gedaagde 1] en onrechtmatige daad van de bestuurders. Wat betreft de maatstaf wordt verwezen naar het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 12 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:10347, JOR 2026/71, met noot mr. M.L. Schreel. Deze maatstaf heeft onder deze omstandigheden een soortgelijke inhoud en strekking als de maatstaf van het persoonlijk ernstig verwijt. Bijkomende omstandigheden zijn vereist (HR 26 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1084, ro. 3.4; HR 17 mei 1985, NJ 1986, 760).
De rechtbank vindt dat aan deze maatstaf is voldaan:
- [gedaagde 4] heeft geprofiteerd van het handelen van [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en de bestuurders
- [gedaagde 4] heeft zelf als deelnemer aan de transactie voordelen aangenomen
- [gedaagde 4] kan door de nauwe familiebanden tussen de kinderen en [gedaagde 3] niet onkundig zijn geweest van de wanprestatie / het onrechtmatig handelen en de schade, waarbij van belang is dat de kinderen (of een aantal van hen) werken in de onderneming in een leidinggevende functie
- [gedaagde 4] heeft geen zelfstandig bestaan anders dan als vehikel voor de familie [gedaagde 3] (de kinderen).
Daarmee zijn toereikende bijkomende omstandigheden gegeven, zoals vereist voor aansprakelijkheid volgens de maatstaf hiervoor. De vordering tegen [gedaagde 4] tot vergoeding van schade is gegrond. Het gaat hierbij om de schade die [gedaagde 1] moet vergoeden aan [eiser] .

4.8.

[gedaagden] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

128,92

- griffierecht

€

688,00

- salaris advocaat

€

23.155,00

(5 punten × € 4.631,00)

Totaal

€

23.971,92

Dagvaarding 1, mondelinge behandeling 1, getuigenverhoren 3 = 5 punten, werkelijk belang tarief VIII. De rechtbank neemt de kosten van de verhoren in het voorlopig getuigenverhoor mee omdat deze kosten nog niet zijn vergoed en gelet op de uitkomst van deze bodemprocedure, anders dan betoogd door [gedaagden] , voor rekening komen van [gedaagden] De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat de meerwaarderegeling zo moet worden uitgelegd dat enkel een overdracht aan een derde (zoals ASML) kwalificeert als een vervreemding conform de partijbedoeling en dat [gedaagde 1] nog altijd gebonden is aan de meerwaarderegeling en toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de geldlening,

5.2.

veroordeelt [gedaagde 1] tot nakoming van de meerwaarderegeling,

5.3.

veroordeelt [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] hoofdelijk tot vergoeding van de door [eiser] geleden en nog te lijden schade als gevolg van een tekortkoming in de nakoming van de geldlening en de meerwaarderegeling, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

5.4.

wijst af het meer of anders gevorderde,

5.5.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op € 23.971,92, te betalen binnen veertien dagen na dit vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na dit vonnis zijn betaald, vanaf de vijftiende dag tot de dag van volledige betaling,

5.6.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.S. Frakes en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2026.