Civiel recht overig

koop-/aanneming, recreatiewoning, parkvoorzieningen, permanente bewoning

Rechtbank Oost-Brabant, 28 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 28 oktober 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28 oktober 2026
Datum publicatie
27 oktober 2026
Zaaknummer
C/01/414138 / HA ZA 25-225
Procedure
Bodemzaak
Advocaat
mr. P.J.M. van Limpt, mr. M.M. van der Marel
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2026:7526
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

koop-/aanneming, recreatiewoning, parkvoorzieningen, permanente bewoning

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Zaaknummer: C/01/414138 / HA ZA 25-225

Vonnis van 28 oktober 2026

in de zaak van

1. [eiser 1] ,
2. [eiser 2] ,

beiden te [plaats] ,

eisende partijen in conventie,

verwerende partijen in reconventie,

hierna samen te noemen: [eisers] ,

advocaat: mr. P.J.M. van Limpt,

tegen

1. [gedaagde 1] ,
2. [gedaagde 2] ,

beiden te [plaats] ,
3. [gedaagde 3],

te [plaats] ,

gedaagde partijen in conventie,

eisende partijen in reconventie,

hierna samen te noemen: [gedaagden] ,

advocaat: mr. M.M. van der Marel.

1 Inleiding

Verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 het tussenvonnis van 13 augustus 2025;

 de mondelinge behandeling van 12 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagden] exploiteert een recreatiepark. [gedaagden] wensten in dat kader verschillende recreatiewoningen met eigen perceel te verkopen.

2.2.

[eisers] en [gedaagden] hebben op 3 augustus 2020 een koop-aannemingsovereenkomst gesloten. Kort gezegd hebben [gedaagden] zich verplicht tot de verkoop van een perceel en de bouw en verkoop van een recreatiewoning tegen een koop-/ aanneemsom van € 283.300, -.

2.3.

[gedaagden] zou aan [eisers] leveren een perceel van 409 m2 overeenkomstig de bij notaris [A] te [plaats] gedeponeerde situatietekening. Het perceel werd aangeduid als bouwnummer [nummer] en kreeg het adres [adres] en de kadastrale aanduiding [kadastrale aanduiding 1] :

[afbeelding niet beschikbaar]

2.4.

In artikel 3 (afwijkende perceelsgrootte) is bepaald: “Verschil tussen de werkelijke en de hiervoor opgegeven maat of grootte van de grond geeft geen aanleiding tot enige rechtsvordering tot vergoeding terzake.”.

2.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat er op enig moment problemen zijn gerezen met de kadastrale grenzen van het gekochte perceel, waarover later meer.

2.6.

Artikel 6 (bouwtijd) bepaalt:

“1. De ondernemer verbindt zich de woning binnen 100 werkbare werkdagen na het gereedkomen van de ruwe begane grondvloer geheel voor bewoning gereed op te leveren aan de verkrijger.

2. De ruwe begane grondvloer van de woning is nog niet gereed. De ondernemer zal binnen acht dagen na het gereedkomen daarvan de aanvangsdatum van de in lid 1 genoemde termijn schriftelijk/per mail aan de verkrijger mededelen.”.

2.7.

Artikel 12 (bijzondere bepalingen) luidt – voor zover van belang – als volgt:

“1. Verkoper en koper komen de navolgende verplichtingen voor koper overeen:

koper zal het gekochte niet gebruiken voor permanente bewoning als bedoeld in het vigerende bestemmingsplan;

koper zal het gekochte gedurende ten minste 245 dagen per kalenderjaar beschikbaar stellen voor verhuur ten behoeve van derden/recreanten en zich inspannen voor de daadwerkelijke verhuur van het gekochte gedurende die dagen;

de verhuur van het gekochte dient uitsluitend via verkoper, dan wel diens rechtsopvolger, te geschieden, dat wil zeggen koper mag het gekochte niet buiten medeweten van verkoper, dan wel diens rechtsopvolger, verhuren;

koper dient verkoper, dan wel diens rechtsopvolger, tijdig kennis te geven van de

perioden/dagen dat het gekochte niet beschikbaar is voor verhuur aan derden/recreanten wegens eigen gebruik door koper, zodat verkoper, dan wel diens rechtsopvolger in staat wordt gesteld een overzicht van die perioden/dagen bij te houden, welk overzicht op verzoek van de gemeente [plaats] aan de gemeente [plaats] mag en zal worden overgelegd door verkoper, dan wel diens rechtsopvolger.

[..]

3. Bij niet-nakoming van de verplichtingen voortvloeiend uit lid 1 van dit artikel verbeurt koper aan de gemeente [plaats] per overtreding een ineens opeisbare contractuele boete van € 5.000,00. Bij niet-nakoming van de verplichtingen voortvloeiend uit lid 2 van dit artikel

verbeurt koper aan de gemeente [plaats] per overtreding een ineens opeisbare contractuele

boete van € 50.000,00.

[..] Erfdienstbaarheden

De koper is er mede bekend dat er bij de notariële akte van levering erfdienstbaarheden zullen worden gevestigd om de toestand waarin het verkochte en de aangrenzende bouwkavels zich na bebouwing ten opzichte van elkander bevinden te legaliseren, voor zover die toestand strijdig mocht zijn met bepalingen van het burenrecht en dat er tevens bepalingen worden opgenomen met betrekking tot gemeenschappelijke (mandelige) muren/erfafscheidingen en leidingen voor nutsvoorzieningen;

[..] Parkkosten

Verkoper brengt bij koper jaarlijks parkkosten in rekening voor het onderhoud van het park,

parkverlichting, slagboom en vuilnis ophaal. Deze kosten worden jaarlijks geïndexeerd en

bedragen voor 2020 € 1.475,-.”.

2.8.

Bij de koopovereenkomst horen:

1. de technische omschrijving versie 20-06-2020;

2. de verkooptekeningen;

3. het verkoopreglement.

Om onnodige herhaling te voorkomen, behandelt de rechtbank de relevante onderdelen in hoofdstuk 4 van dit vonnis.

2.9.

In het parkreglement zijn – voor zover voor dit geschil van belang – de volgende bepalingen opgenomen:

"Artikel 3 Bepalingen ten aanzien van de recreatie-eenheid en de omgeving

[..]

3. Het plaatsen van erfafscheidingen, hekken, heggen en dergelijke zijn niet toegestaan. De

afscheidingshagen tussen de recreatie-eenheid worden geplant door de beheerder en moeten door de eigenaar worden bijgehouden. De hoogte van de van de hagen is maximaal twee meter en de breedte maximaal veertig centimeter.

[..]

10. Huisvuil en afval dient in mag uitsluitend gedeponeerd in de daarvoor beschikbaar gestelde containers (groen is restafval / blauw is papier.

Er mag geen los vuil in de container gegooid worden, met het oog op ongedierte. De beheerder kan hiervoor nadere regels opstellen.

De huisvuilzakken mogen uitsluiten in de daarvoor bestemde containers gedeponeerd te worden. Groot huisvuil dient de eigenaar zelf naar de gemeentelijke stortplaats te brengen.

[..]

Artikel 6 Werkzaamheden en diensten

1. Ten aanzien van de door de beheerder uitgevoerde werkzaamheden en verrichte diensten bestaande uit het schoonhouden en vrijhouden van de wegen en paden in het park, de verlichting van de wegen en paden in het park, het algemeen toezicht op het park en het gebruik van de kosteloze faciliteiten van het park, zal aan de beheerder een vergoeding verschuldigd zijn, zoals is aangegeven in de akte van levering casu quo koopovereenkomst. De afvoer van huisvuil valt niet onder de parkkosten. De vergoeding voor de CAI aansluiting wordt met vastgestelde opslag separaat aan de koper doorbelast.

Met ingang van het jaar tweeduizend twintig kan de parkservicevergoeding op verzoek van de beheerder worden herzien. De bijdrage wordt als dan vastgesteld op grond van de dan voorde bepalingen van de hoogte van bijdrage van belang zijnde omstandigheden.

2. Noodzakelijke werkzaamheden -zoals onderhoud, herstel en vernieuwing- aan de wegen, paden, de afrastering, de slagboom, en andere bij het park behorende algemene voorzieningen, alsmede al die noodzakelijke werkzaamheden die van overheidswege of vanwege nutsbedrijven worden voorgeschreven, worden door de vennootschap (of de door hem aan te wijzen vertegenwoordiger) uitgevoerd en worden aan de eigenaren van de kavels in het park in rekening gebracht.

[..]

Artikel 11 Ontzegging gebruik algemene voorzieningen

1. Aan de eigenaar/gebruiker die:

a. de bepalingen van dit reglement of de besluiten van de beheerder niet nakomt of overtreedt;

b. zich schuldig maakt aan onbehoorlijk gedrag jegens de andere eigenaars en/of gebruikers;

zijn financiële verplichtingen jegens de vennootschap en/of de beheerder niet nakomt; zal door de beheerder en/of de vennootschap op zijn nalatigheid worden gewezen op de wijze zoals hierna in lid 3 is vermeld.

2. Worden één of meer der in het vorige lid bedoelde gedragingen, na daarop te zijn gewezen door de beheerder en/of de vennootschap, andermaal gepleegd of voortgezet, dan kan de beheerder besluiten tot ontzegging van het gebruik van het park en de algemene voorzieningen (waaronder uitdrukkelijk medebegrepen zijn de wegen en paden en infrastructurele voorzieningen; tevens kan de beheerder en/of de vennootschap besluiten tot het afsluiten van gas, wateren elektra).

3. De beheerder zal zijn voornemen tot ontzegging van het gebruik meedelen aan de betreffende eigenaar door het verzenden van een aangetekend schrijven waarin de gerezen bezwaren zijn vermeld.

4. Een besluit tot ontzegging van het gebruik zal niet eerder ten uitvoer mogen worden gebracht dan na verloop van één maand na verzending van de kennisgeving als in lid 3 bedoeld. Beroep op de rechter schort de tenuitvoerlegging van de ontzegging op, met dien verstande, dat de schorsing wordt opgeheven en de ontzegging wordt uitgevoerd als de rechter zich met deze ontzegging verenigt, ook al heeft belanghebbende nog de mogelijkheid de uitspraak van de rechter in hoger beroep of in cassatie te betwisten.”.

2.10.

[gedaagden] hebben de woning van [eisers] laten bouwen. Over de woning is een discussie tussen partijen ontstaan. Deze discussie zal nader worden besproken in hoofdstuk 4 van dit vonnis. Wel staat vast dat op of omstreeks 4 augustus 2021 de beganegrondvloer gereed kwam. Partijen hebben ten behoeve van de oplevering een inspectieronde gemaakt. Het verslag daarvan is door partijen ondertekend op 3 en 8 augustus 2023 en door [gedaagden] aan [eisers] toegezonden op 26 augustus 2023. Op de inhoud van dit rapport komt de rechtbank nader te spreken in hoofdstuk 4 van dit vonnis. Voor nu volstaat de rechtbank met de vaststelling dat er in het verslag een aantal opleverpunten zijn genoemd. Verder twisten partijen over de vraag of er (meer) gebreken kleven aan de woning (dan opgenomen in het verslag).

2.11.

Partijen hebben een discussie over de perceelgrootte en ligging. [eisers] stellen dat partijen op dit punt tot bepaalde afspraken zijn gekomen, maar dit wordt door [gedaagden] betwist. [gedaagden] stelt dat er andere afspraken zijn gemaakt. Wel staat vast dat er een landmeter ter plaatse is geweest. Partijen twisten over wat de landmeter heeft vastgelegd. De rechtbank bespreekt de details in hoofdstuk 4 van dit vonnis.

2.12.

Vaststaat dat partijen over de punten uit het verslag en andere (gestelde) gebreken aan de woning en de kwaliteit van het park gecorrespondeerd hebben. Volgens [eisers] is een deel van de punten aan de woning opgelost, maar niet alles. [gedaagden] bestrijden dit. Uiteindelijk hebben [eisers] per bericht van 28 februari 2025 een omzettingsverklaring doen uitgaan en maken zij vanaf dat moment niet langer aanspraak op nakoming, maar vervangende schadevergoeding.

2.13.

Partijen hebben een discussie over de vraag of eigenaren van een recreatiewoning gehouden zijn de woningen (via [gedaagden] ) voor een minimum aantal dagen ter beschikking te stellen voor verhuur aan derden. Door [gedaagden] zijn er tegen andere woningeigenaren kortgedingen gestart. Bij vonnissen van 19 september 2024 (11233284 \ CV EXPL 24-5189) en van 29 november 2024 (C/01/408571 / KG ZA 24-525) zijn de vorderingen van [gedaagden] afgewezen. De eerste op formele gronden, de tweede op materiële gronden.

2.14.

[gedaagden] hebben per bericht van 18 februari 2025 een parkverbod aan [eisers] aangezegd. Dit omdat [eisers] volgens [gedaagden] de parkkosten niet betaalde. [eisers] stellen dat zij hun betalingsverplichting met recht hebben kunnen opschorten en dat de bepaling over het parkverbod een onredelijk bezwarend beding is. Deze discussie zal de rechtbank nader bespreken in hoofdstuk 4 van dit vonnis.

2.15.

De opschorting van de parkkosten door [eisers] houdt verband met een discussie die partijen meermaals hebben gevoerd over de staat van het park. Onder meer hebben partijen verschillende visies op de afvoer van hemelwater (en eventueel daarmee gepaard gaande overlast), de wijze waarop de parkverlichting is aangelegd, de gekozen uitvoering van de slagboom bij de ingang van het park en afvalvoorzieningen. Ook deze discussie bespreekt de rechtbank verder in hoofdstuk 4 van dit vonnis.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eisers] vorderen – samengevat en na eiswijziging – het volgende:

1. veroordeling van [gedaagden] tot betaling van € 28.306,17 aan schadevergoeding in verband met gebreken aan de recreatiewoning (zie #20 dv)

a. Primair: veroordeling van [gedaagden] tot het verplaatsen van de erfafscheidingen en zandwal op de wijze zoals is overeengekomen op 1 november 2023, dan wel op een wijze zodat er 409 m2 aan bruikbaar oppervlak beschikbaar komt en het vastleggen van de nieuwe erfgrens, e.e.a. op straffe van een dwangsom, alsook veroordeling tot vastlegging van die grenzen op kosten van [gedaagden] ;

b. subsidiair: veroordeling van [gedaagden] tot betaling van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat;

3. veroordeling van [gedaagden] tot betaling van (primair) € 35.612,50 dan wel (subsidiair) € 29.250, - dan wel (meer subsidiair) een in goede justitie te betalen bedrag aan schadevergoeding wegens de overschrijding van de oplevertermijn;

4. Op straffe van een dwangsom, veroordeling van [gedaagden] tot het:

a. treffen van maatregelen tegen wateroverlast;

b. aanpassen parkverlichting;

c. inrichten van een afvalinzamelplaats;

d. plaatsen van een elektrische slagboominstallatie met pasjessysteem;

e. voeren van overleg over de wijze van afvalinzameling;

5. veroordeling van [gedaagden] tot meewerken aan de vestiging van de bouwkundige erfdienstbaarheden en de erfdienstbaarheid van weg op straffe van een dwangsom;

6. een verklaring voor recht dat aan [eiser 1] onrechtmatig een parkverbod is opgelegd;

7. (gehele of gedeeltelijke) vernietiging dan wel wijziging van artikel 11 van het parkreglement;

8. veroordeling van [gedaagden] in de kosten van het geding.

3.2.

[gedaagden] voeren verweer. [gedaagden] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[gedaagden] vorderen – samengevat – dat [eisers] (hoofdelijk) worden veroordeeld tot:

V. Medewerking verlenen aan verhuur van de bungalow aan derden voor minimaal 245 dagen per jaar op straffe van een dwangsom;

VI. nakoming van de verbintenissen van de overeenkomst betreffende niet-permanent bewonen van de recreatiebungalow op straffe van een dwangsom;

VII. betaling aan [gedaagden] van € 11.025, - aan schadevergoeding, dan wel een verwijzing naar de schadestaat vanwege misgelopen provisie;

VIII. betaling aan [gedaagden] van € 1.008,33 aan parkkosten;

IX. betaling aan [gedaagden] van een nader te bepalen bedrag aan meerwerk;

X. verwijdering van zonder toestemming geplaatste opstallen op straffe van een dwangsom;

XI. een veroordeling in de kosten van het geding.

3.5.

[eisers] voeren verweer. [eisers] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagden] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagden] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagden] in de kosten van deze procedure.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Inleidend

4.1.

Partijen hebben een breed scala aan geschilpunten aan de rechtbank voorgelegd. De rechtbank zal deze punt voor punt behandelen.

Oplevertermijn; boete

4.2.

[eisers] stellen dat [gedaagden] de woning te laat heeft opgeleverd en maken aanspraak op betaling van een boete. [eisers] stellen daartoe dat op grond van artikel 6 van de koop-/aannemingsovereenkomst de woning gereed moest zijn binnen 100 werkbare werkdagen, gerekend vanaf het gereed komen van de ruwe beganegrondvloer. [eisers] stelt dat de woning – uitgaande van de termijn van 100 werkbare werkdagen, de bouwvak en 10 dagen weerverlet – uiterlijk op 27 januari 2022 aan [eisers] had moeten worden opgeleverd. Volgens [eisers] vond de oplevering in werkelijkheid op 3 augustus 2023 plaats. De bouwtermijn is daarmee circa anderhalf jaar overschreden, aldus [eisers] naar stelling van [eisers] is de overeengekomen oplevertermijn een fatale termijn. [eisers] verbinden daaraan de conclusie dat [gedaagden] gehouden is de door [eisers] geleden schade bestaande (primair) uit misgelopen huurinkomsten ad € 31.612,50 dan wel subsidiair een op de U.AV. 2012 gebaseerd boetebedrag ad in totaal (€ 75, - x € 390, - = ) € 29.250, -, dan wel meer subsidiair een naar goede justitie te begroten bedrag.

4.3.

[gedaagden] bestrijden dat er sprake is van een overschrijding van de oplevertermijn, althans dat de termijn als fatale termijn is bedoeld. [gedaagden] stelt dat de latere oplevering het gevolg is van omstandigheden die hen niet kunnen worden verweten. Zij noemt de maatregelen uit de COVID-epidemie en een vertraging in de levering van bouwmaterialen. [gedaagden] wijst op de nog lang prettige verstandhouding tussen partijen en stelt dat er over een te late oplevering niets is opgenomen in het opleververslag. Ook hebben [eisers] niet meegewerkt met de oplevering en is daarmee sprake van schuldeisersverzuim. [gedaagden] betwisten de schade en berekeningen van [eisers] [gedaagden] betwisten dat [eisers] daadwerkelijk hadden willen verhuren.

4.4.

De rechtbank wijst deze vorderingen (#7 in conventie) af. Zij licht dit toe.

4.4.1.

De rechtbank stelt voorop dat [eisers] terecht stellen dat de oplevertermijn een fatale termijn is. Dit blijkt niet alleen uit de bewoordingen van artikel 6 van de koop-/aannemingsovereenkomst – waarin letterlijk staat dat [gedaagden] zich verbindt om binnen de genoemde termijn van 100 werkbare werkdagen de woning op te leveren aan [eisers] –, maar ook uit het feit dat het in de aannemerij volstrekt gebruikelijk is om dergelijke termijn als fataal aan te merken en dat [eisers] artikel 6 daarom op die wijze had mogen begrijpen. Dit wordt versterkt doordat artikel 6:83 sub a BW als uitgangspunt neemt dat een overeengekomen termijn fataal is, tenzij blijkt dat die termijn een andere strekking heeft. De stelplicht voor deze tenzij ligt bij [gedaagden] en [gedaagden] heeft te weinig gedaan om daar invulling aan te geven. De rechtbank wijst erop dat in de Haviltex-maastaf (ECLI:NL:HR:1981:AG4158) waarin deze omstandigheden worden meegewogen.

4.4.2.

De rechtbank gaat echter niet mee in de schadebegrotingen van [eisers] Zij legt dit uit. Het wettelijk uitgangspunt is dat schade nauwkeurig wordt vastgesteld (art. 6:97 BW). [eisers] heeft (primair) een inschatting gemaakt op basis van misgelopen huurinkomsten. Nog los van het feit dat deze berekening door [gedaagden] weersproken is, hebben [eisers] zelf ter zitting hebben aangegeven dat zij niet wilden verhuren, maar het hele jaar wilden recreëren (zie pag. 6 van de zittingsaantekeningen). Dit betekent dat de gestelde schade in feitelijk ongegrond is. De subsidiair begrote schade is niet toewijsbaar omdat deze op de U.A.V. is gestoeld. De U.A.V. is een in de bouw gebruikte set algemene voorwaarde. Gesteld noch gebleken is dat de U.A.V. op de koop-/aannemingsovereenkomst van toepassing zijn verklaard. Voor de meer subsidiaire schadebegroting hebben [eisers] te weinig gesteld. Onduidelijk is of [eisers] door de te late oplevering überhaupt schade hebben geleden. Weliswaar hebben zij vanzelfsprekend niet kunnen recreëren, maar geheel onduidelijk is gebleven welke op geld waardeerbare en toewijsbare schadevergoeding zou kunnen worden begroot. Bij gebreke aan aanknopingspunten kan de rechtbank ook geen schatting maken.

4.4.3.

Gelet op de afwijzing komt de rechtbank niet toe aan de bespreking van het beroep op overmacht / onvoorziene omstandigheden (COVID, verlate leveringen) zijdens [gedaagden] .

Gestelde Gebreken

4.5.

[eisers] stellen dat er gebreken aan de woning kleven. Volgens hen heeft [gedaagden] – ondanks dat zij daartoe in de gelegenheid zijn gesteld – nagelaten de gebreken weg te nemen. [eisers] maken aanspraak op vervangende schadevergoeding.

4.6.

[gedaagden] betwisten de gebreken. In zijn algemeenheid stellen [gedaagden] dat de overeenkomst niet ziet op de bouw van een woning, maar een recreatiebungalow. Een recreatiebungalow is een wezenlijk ander iets en daaraan mogen niet dezelfde vereisten worden gesteld. Voor zover er gebreken bij oplevering waren, zijn deze tot op het vereiste niveau weggenomen door [gedaagden]

4.7.

De rechtbank verwerpt het preliminaire verweer van [gedaagden] ten aanzien van de te verwachten kwaliteit. [eisers] hebben onweersproken gesteld dat de vakantiewoning dient te voldoen aan de daarvoor gestelden vereisten uit het bouwbesluit. Dit volgt ook uit de door [eisers] als productie 6 overgelegde vergunning. Ook mogen [eisers] redelijkerwijs verwachten dat de woning is toegerust met de overeengekomen voorzieningen en dat de onderdelen daarvan naar behoren functioneren. Of bij deze stand van zaken sprake is van een “woning” of een “recreatiebungalow”, doet er verder niet toe.

4.8.

[gedaagden] hebben ook stelling genomen tegen de door [eisers] overgelegde rapporten. Volgens [gedaagden] is de specificatie door Bouwinspecties afwezig, dan wel onvoldoende en is het rapport van Bouwinspecties onbetrouwbaar omdat het afkomstig is van een familielid van [eiser 2] . [gedaagden] heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht aangevoerd dat het rapport van Bouwinspecties summier is. Echter hebben [eisers] het rapport aangevuld met een rapport van Bouwkundigkeuren, waarin niet alleen uitgebreider wordt gekeken, maar ook tot min of meer vergelijkbare bedragen en conclusies wordt gekomen. De rechtbank schrijft de rapporten dus niet op voorhand af, maar zal per gebrek bekijken wat er aan bewijs voorhanden is.

4.9.

Uit de eisvermeerdering – opgenomen in de spreekaantekeningen – c.q. uit de tabel onder 2.3 en de stelling uit 2.4 dat a) het gaat om de gestelde gebreken met nummers 1, 3, 7 tot en met 12, 16 en 19 tot en met 22 (deels) en b) ter zake de gebreken een bedrag van € 28.306,17 wordt gevorderd. De rechtbank zal hierna de gestelde specifieke gebreken waarvoor een vergoeding wordt gevorderd, en de reactie van [gedaagden] , daarop bespreken. Gestelde gebreken waar geen vordering aan is gekoppeld, bespreekt de rechtbank – bij gebrek aan belang – niet.

Hemelwaterafvoer / grindkoffer

4.10.

[eisers] stellen zich op het standpunt dat [gedaagden] hebben nagelaten om een zogenoemde grindkoffer aan te leggen. [eisers] stellen dat de kosten gemoeid met het alsnog aanleggen € 4.503,59 (incl. BTW) bedragen (producties 12 zijdens [eisers] ). [eisers] stellen dat zij (uiteindelijk) met [gedaagden] hebben afgesproken dat [eisers] de grindkoffer zelf (alsnog) zou laten aanleggen en dat [gedaagden] daarvan de kosten zouden vergoeden. Het bedrag wat [gedaagden] zou moeten vergoeden, is het in het verslag van oplevering genoemde bedrag van € 3.980,92.

4.11.

[gedaagden] betwisten dat er terzake de grindkoffer een gebrek is. En als het wel een gebrek is, achten zij zich niet tot herstel gehouden. [gedaagden] betwist dat zij aansprakelijkheid erkend heeft en betwist ook dat zij tot vergoeding gehouden is. Als zij al een vergoeding zouden moeten betalen, dan is dit nooit het gehele bedrag, maar enkel een tegemoetkoming, aldus [gedaagden]

Daarnaast stellen [gedaagden] dat [eisers] te veel kosten in rekening wil brengen. De werkzaamheden kunnen vele malen goedkoper. De gestelde waterbergende functie wordt betwist. Het doel is het breken van vallend water. De betrouwbaarheid van de raming wordt in twijfel getrokken vanwege (familiaire) banden met de aannemer die de offerte heeft afgegeven. [gedaagden] hebben zelf een offerte opgevraagd en stellen op basis daarvan dat de kosten hooguit € 1.126,41 kunnen bedragen (pr. 10 zijdens [gedaagden] ).

Tot slot stellen [gedaagden] dat [eisers] voor wat betreft de grindkoffer in schuldeisersverzuim zijn geraakt omdat er geen gelegenheid tot herstel is geboden.

4.12.

[eisers] bestrijden op hun beurt de kostenbegroting van [gedaagden] Zij stellen – kort gezegd – dat bij een dakoppervlakte van 107 m2 een minimale waterbergingscapaciteit van 1.605 liter vereist is. Daarvoor is volgens [eisers] 5,35 m3 grind nodig. [eisers] rekent voor dat de door [gedaagden] aangebrachte capaciteit slechts 0,25 m3 is.

4.13.

De rechtbank wijst een bedrag van € 3.980,92 toe. Zij legt dit uit.

4.14.

In de technische omschrijving staat onder meer:

“Dak afvoeren en hemelwaterafvoeren De hellende daken worden voorzien van zinken goot en hemelwaterafvoeren. De dakranden van de platte aanbouw worden voorzien van een zinken kraal. Het hemelwater van de bungalow wordt afgevoerd door middel van een grindkoffer achter in de tuin bij de grote eiken.” [onderstreping rechtbank].

Naar het oordeel van de rechtbank behoort de woning dus een grindkoffer te hebben.

4.15.

Op basis van het opleververslag concludeert de rechtbank dat er bij oplevering geen grindkoffer was, terwijl deze wel in de technische omschrijving is opgenomen. De rechtbank oordeelt dat daarmee sprake is van een gebrek c.q. tekortkoming in de nakoming. Waarom het niet uitvoeren van een deel van het werk niet als zodanig zou kwalificeren wordt door [gedaagden] niet uitgelegd.

4.16.

[gedaagden] heeft onvoldoende weersproken dat er bij het opleververslag een opmerking is geplaatst over de grindkoffer. Ook hebben [gedaagden] (zij het subsidiair) erkend dat zij gehouden zijn tot het betalen van een tegemoetkoming. Anders dan [gedaagden] aanvoeren,, gaat de rechtbank er vanuit dat die tegemoetkoming het in het verslag genoemde bedrag van € 3.980,92 is. De rechtbank acht dit bedrag ook redelijk. [gedaagden] was zelf ook geld kwijt geweest om het gebrek te verhelpen. De rechtbank is verder van oordeel dat de door [gedaagden] overgelegde begroting niet bruikbaar is. [gedaagden] hebben ter zitting betoogd dat de grindkoffer geen buffer was, maar tegen spatwater was aangelegd. Dit strookt echter niet met de technische omschrijving, waaruit duidelijk blijkt dat de grindkoffer ook een waterbergende en afvoerfunctie heeft. De rechtbank wijst evenwel niet het hogere door [eisers] genoemde bedrag (€ 4.503,59) toe. In de eerste plaats zijn de offertes gericht aan een bedrijf van [eisers] zodat niet duidelijk wordt of het [eisers] zijn die deze bedragen moeten betalen. Daar komt bij dat ook niet duidelijk is waarvoor de werkzaamheden precies zijn verricht. Belangrijkste punt is en blijft echter dat de rechtbank uitgaat van een tussen partijen gemaakte afspraak die bindend en leidend is: € 3.980,92. Niets is naar voren gebracht waaruit een grondslag volgt om af te wijken van de afspraak.

4.17.

Gelet op de gemaakte afspraak is van schuldeisersverzuim geen sprake. Gesteld noch gebleken is hoe [eisers] [gedaagden] gehinderd zouden hebben bij de nakoming van een betalingsverplichting.

4.18.

[gedaagden] zijn in verzuim geraakt doordat zij gestelde termijnen hebben laten verstrijken en ondanks aanmaning – zie onder andere het bericht van 7 februari 2024 (pr. 7 dagvaarding) – niet aan hun betalingsverplichting hebben voldaan.

Draaikiepraam badkamer

4.19.

[eisers] stellen dat het draaikiepraam van de badkamer enkel op de kiepstand open kon omdat de dagkanten te strak zijn aangebracht. [eisers] stellen dat dit bij de opleverronde is opgemerkt en opgenomen in het verslag. Ook stellen zij dat [gedaagden] in dit verslag hebben toegezegd dit gebrek binnen drie maanden te verhelpen. Volgens [eisers] heeft [gedaagden] niet binnen deze termijn – en ook niet binnen aanvullende termijnen – het gebrek verholpen. De schade bedraagt volgens [eisers] € 2.129,60 voor het groter maken van de raamopening en de extra tegel. [eisers] vorderen een bedrag van € 1.905,-.

4.20.

[gedaagden] betwisten dat er sprake is van een gebrek aan het draaikiepraam. Als het al een gebrek zou zijn, zijn [gedaagden] niet tot herstel gehouden. Voor zover [eisers] zich eerder tot herstel bereid hebben getoond, is dit onverplicht gebeurd. Subsidiair stellen [gedaagden] dat [eisers] in schuldeisersverzuim zijn geraakt door [gedaagden] niet tot herstel toe te laten omdat [eisers] de afspraak telkens heeft verzet.

4.21.

De rechtbank wijst het gevorderde bedrag van € 1.905, - toe. In het licht van de stellingen van [eisers] is de betwisting door [gedaagden] volstrekt ondermaats. [gedaagden] blijft hangen in algemeenheden. [eisers] daarentegen hebben verwezen naar het opleverrapport – waarin voor herstel is getekend – en naar twee deskundigenrapporten. [eisers] mogen verwachten dat een draaikiepraam zowel kan draaien als kan kiepen. Dat [eisers] telkenmale een afspraak zou hebben verzet waardoor herstel niet mogelijk is, blijkt niet uit de stukken en is niet toegelicht. Wat wel uit de stukken blijkt is 1) de afspraak dat het probleem binnen drie maanden na oplevering verholpen zou worden en 2) de aanmaning vanuit [eisers] op herstel te komen plegen (pr. 6 en 7c bij dagvaarding). Dat er nu nog herstelbereidheid is en een raam klaarligt, zoals [gedaagden] melden, is in dit stadium te laat. Daar hoeven [eisers] gelet op het voorgaande niet meer in mee te gaan.

Rubbers binnendeurkozijnen

4.22.

[eisers] vorderen vergoeding voor rubbers in de binnenkozijnen. Zij begroten dit op € 332, -. [eisers] stellen dat [gedaagden] ter zake deze verplichting in verzuim verkeren. [gedaagden] betwisten tot betaling gehouden te zijn.

4.23.

De rechtbank wijst een bedrag van € 145,20 toe. De rubbers komen terug onder punt 3 van het opleverrapport. Deze hadden binnen drie maanden na dato daarvan geplaatst moeten worden. In het rapport van Bouwkundigkeuren worden de rubbers inderdaad begroot op € 332, -. In het eerdere rapport van Bouwinspecties wordt echter een bedrag van € 145,20 genoemd. Dit verschil wordt niet door [eisers] verklaard.

Schilderwerk en toestand van de gevel

4.24.

De rechtbank constateert dat er bij meerdere opleverpunten gesproken wordt over gebrekkig of ontbrekend schilderwerk en vervuiling. Het gaat om nummers 7 en 9 tot en met 19 uit het opleverrapport. Voor nummers 7 en 9 tot en met 12, 16 en 19 worden concrete bedragen gevorderd door [eisers] stellen dat deze punten, ondanks het verstrijken van de termijn en ondanks nadere aanmaning, niet zijn weggenomen.

4.25.

[gedaagden] betwisten dat er gebreken aan de gevel op het vlak van vervuiling en/of schilderwerk zijn. Hij betwist tot herstel of vergoeding te zijn gehouden.

4.26.

Op basis van het opleveringsrapport constateert de rechtbank dat er gebreken zijn en dat [gedaagden] zich tot herstel verbonden hebben. Ook beide partijdeskundigen omschrijven de punten als gebreken. De betwisting van [gedaagden] is zeer algemeen en bevat geen verdere feitelijke inkleuring. De betwisting van het bestaan van de gebreken is daarmee onvoldoende. De rechtbank constateert wel dat er qua bedragen een groot verschil zit tussen de deskundigen, zonder dat door [eisers] wordt toegelicht waar dat verschil in zit. Uit het opleverrapport maakt de rechtbank bovendien op dat het merendeel van de punten om kleine oppervlakken gaat. De rechtbank gaat dan ook uit van de lagere bedragen. Concreet betekent dit:

# opleverrapport

Toewijsbaar bedrag

7

€ 66,55

9

€ 66,55

10

€ 42,35

11

€ 66,55

12

€ 907,00

16

€ 66,55

19

€ 66,55

Totaal

€ 1.282,10

Hoogte inwerking waterkering/ loodvervanger

4.27.

[eisers] vorderen een bedrag van € 1.996, - voor opleverpunt 9. [eisers] lichten dit bedrag niet concreet toe. [gedaagden] betwisten in algemene bewoordingen de verschuldigdheid.

4.28.

De rechtbank overweegt als volgt: blijkens het rapport van Bouwinspecties is er met opleverpunt 9 een bedrag van € 499, - exclusief BTW / 603,79 inclusief BTW gemoeid. Het gaat hier om opgevoerde expertisekosten, aldus het rapport. Dit volgt ook uit de omschrijving in het opleverrapport zelf, waar geschreven wordt over “aantonen”. Gesteld noch gebleken is dat dit specifieke bedrag aan inspectiekosten is gemaakt. Blijkens productie 26 heeft Bouwinspecties voor haar gehele rapportage een bedrag van € 299, - in rekening gebracht. Bouwkundigkeuren rekent € 699, -. In het rapport van Bouwkundigkeuren (onder 4) is door de partijdeskundige geconstateerd dat het lood niet voldoende hoog is ingewerkt. Hier wordt het gevorderde bedrag van € 1.996,- aan verbonden. Uit het feit dat het zowel in het opleverrapport als in het eerste deskundigenrapport het opleverpunt als mogelijk gebrek wordt geduid en uit het feit dat het bestaan van het gebrek door partijdeskundige Bouwkundigkeuren wordt bevestigd en de betwisting door [gedaagden] bestaat uit algemeenheden, gaat de rechtbank over tot toewijzing van het bedrag van € 1.996, -.

Noodoverstort en dakafvoer

4.29.

[eisers] vorderen ter zake de noodoverstort en de dakafvoer € 5.789, -. Dit is opleverpunt 22 en nummers 12 en 13 uit het rapport van Bouwkundigkeuren. Eerder, door Bouwinspecties, werden de kosten geraamd op € 423,50. Volgens [eisers] ontbreekt de noodoverstort en was het dakafschot afwezig.

[gedaagden] bedienen zich – opnieuw – van een betwisting in algemene bewoordingen. Zij ontkennen dat er sprake is van een gebrek, betwisten dat ze tot herstel gehouden zijn en wijten enig gebrek aan de wijze waarop [eisers] van de woning gebruik hebben gemaakt.

4.30.

Uit zowel het opleverrapport als de rapporten van de partijdeskundigen, maakt de rechtbank op dat er inderdaad een noodoverstort ontbreekt en dat het afschot niet afdoende is. In een land als Nederland – waar met regelmaat seizoensgebonden hevige regenval is, zijn dit onontbeerlijke eigenschappen van een woning / dak. De betwisting vanuit [gedaagden] is onvoldoende. Uit het rapport van Bouwinspecties volgt dat voor de noodoverstort € 574,75 incl. BTW was becijferd. In het rapport van Bouwkundigkeuren is ook een bedrag van € 574, - voor de noodoverstort opgenomen. Bij Bouwinspecties was het herstel van het afschot niet bij het bedrag inbegrepen. Bouwkundigkeuren raamt het afschot aanbrengen op € 5.215, -. De rechtbank wijst het bedrag van € 5.789, - (€ 574,75 + € 5.789, -) toe.

Voor- en achterdeur

4.31.

[eisers] stellen dat de voor- en achterdeur niet voldoen aan het bouwbesluit 2012. Zij eisen schadevergoeding voor de vervanging hiervan en begroten deze op € 6.745, - [gedaagden] stellen dat [eisers] onvoldoende concreet maken aan welke eisen van het bouwbesluit niet zou worden voldaan. Omdat er voor vakantiewoningen volgens [gedaagden] een afwijkend regime geldt, ligt dat wel op hun weg, aldus [gedaagden] . [eisers] stellen op hun beurt dat in de overeenkomst is opgenomen dat er conform het bouwbesluit moet worden gebouwd en dat uit de rapportages volgt dat [gedaagden] dit hebben nagelaten. Blijkens de rapportage van Bouwkundigkeuren, hebben de voor- en achterdeur de volgende maten: “Voordeur heeft een vrije doorgang van 82 x 201 cm. Achterdeur heeft een vrije doorgang van 80 x 201 cm.”. Het Bouwbesluit gaat inderdaad in beginsel uit van een minimale doorgang van 85 cm bij vluchtwegen. Voor particuliere bouw golden er onder het bouwbesluit uitzonderingsmogelijkheden en die zijn overgenomen in het nu geldende BBL. Daarin is de minimale deurbreedte 50 cm. In het licht hiervan hebben [eisers] te weinig gesteld om een (meer dan geringe, verwaarloosbare en daarom rechtens niet relevante) schending van het bouwbesluit aan te tonen. Gesteld noch gebleken is dat er geen effectieve vluchtroute is bij 3 respectievelijk 5 cm verschil.

Sloten

4.32.

[eisers] vorderen een vergoeding van € 210,58 voor nieuwe sloten. Zij verwijzen daartoe naar productie 13 bij dagvaarding. [eisers] stellen dat zij recht hebben op zes sleutels. Bij oplevering is hen slechts een sleutel overhandigd. Volgens [eisers] hebben [gedaagden] ondanks meermaals aandringen niet de sleutels overhandigd. [gedaagden] gaan volgens [eisers] onzorgvuldig om met de sleutels, door deze af te geven aan werklieden, in het huis achter te laten of in de kantine te leggen. [eisers] hebben zich daarom naar eigen zeggen genoodzaakt gezien de sloten te vervangen. [gedaagden] betwisten dat zij de sleutels niet hebben overhandigd en dat zij onzorgvuldig met de sleutels zijn omgegaan. In ieder geval was het niet nodig om de sloten te vervangen. De kosten voor het maken van nieuwe sleutel zijn € 10, - per stuk.

4.33.

In het licht van de betwisting door [gedaagden] is niet vast komen te staan dat niet alle zes de sleutels zijn overhandigd. Hier is geen melding van gemaakt in het opleverrapport. Het ontbreken van de sleutels is iets wat door [eisers] bemerkt had kunnen worden. Daar komt bij dat gelet op de betwisting ook niet is komen vast te staan dat [gedaagden] slordig is omgesprongen met sleutels van [eisers] . De noodzaak tot vervangen van de sloten is daarmee ook niet aangetoond. De rechtbank wijst deze kosten af.

Werkschakelaar warmtepomp

4.34.

[eisers] stellen onder verwijzing naar productie 14 bij dagvaarding en het bouwbesluit dat een warmtepomp een werkschakelaar dient te bevatten. In de dagvaarding ramen zij de kosten voor plaatsing van een dergelijke schakelaar op € 175, -. Bouwkundigkeuren rekent voor de schakelaar € 411, -.

[gedaagden] betwisten – opnieuw in dezelfde bewoordingen – op algemene wijze de verschuldigdheid van een vergoeding.

4.35.

De rechtbank oordeelt dat de betwisting door [gedaagden] onvoldoende is. De rechtbank oordeelt dat er een schakelaar aangebracht moet worden op de warmtepomp. Uit productie 14 volgt dat de € 175, - een kostenraming uit het hoofd was. De rechtbank volgt de partijdeskundige en wijst € 411, - toe.

Energielabel

4.36.

[eisers] hebben onweersproken gesteld dat de woning nog geen energielabel heeft en dat [gedaagden] hiermee tekortschiet. Ook hebben zij onweersproken gesteld dat de kosten van dit energielabel € 605, - bedragen. De rechtbank wijst het bedrag van € 605, - toe.

Optelsom gebreken

4.37.

Gelet op voorgaande komt de rechtbank op het volgende toewijsbare bedrag ten aanzien van de gebreken:

Kostenpost

bedrag

4.13 grindkoffer

€ 3.980,92

4.19 draaikiepraam badkamer

€ 1.905, -

4.22rubbers binnendeurkozijnen

€ 145,20

4.26 schilderwerk en toestand gevels

€ 1.282,10

4.28 inwerking waterkering / loodvervanger

€ 1.996, -

4.30 noodoverstort en dakafvoer

€ 5.789, -

4.35 werkschakelaar warmtepomp

€ 411

4.36 Energielabel

€ 605, -

totaal

€ 16.114,22.

Meerwerk

4.38.

[gedaagden] hebben bij conclusie van antwoord nakoming gevorderd van de verbintenis tot het tijdig betalen van meerwerk. [eisers] zouden deze vordering nog nader specificeren (#15-16 cva). [eisers] hebben betwist gehouden te zijn tot betaling van meerwerk en wijzen op het gebrek aan onderbouwing van de vordering.

4.39.

De rechtbank wijst deze vordering af. De toegezegde nadere onderbouwing ontbreekt. De rechtbank weet niet welk meerwerk er zou zijn verricht en wat de daarmee gemoeide kosten dan zouden zijn.

Kadastrale grenzen, erfafscheidingen en overbouw

4.40.

[eisers] stellen dat zij recht hebben op een perceel van 409 m2. [eisers] stellen dat zij minder vierkante meters hebben gekregen. Dit doordat de als erfafscheiding dienende heggen verkeerd zijn geplaatst en doordat er zowel links als rechts sprake is van overbouw. Linksachter is de woning in aanbouw ( [kadastrale aanduiding 2] ) deels op het perceel van [eisers] geplaatst en de buitenunit van de warmtepomp van [kadastrale aanduiding 3] staat aan de rechterzijde, aldus [eisers] baseren hun aanspraak op 409 m2 op pagina 1, aanhef onder I van de koopovereenkomst, waar staat: “De ondernemer verkoopt aan de verkrijger, die koopt van de ondernemer: een perceel grond ter grootte van 409 m2 overeenkomstig de bij notaris [A] te [plaats] gedeponeerde situatietekening aangeduid met het bouwnummer [nummer] gelegen [kadastrale aanduiding 4] met de – voor zover aanwezig – daarop in aanbouw zijnde opstallen, kadastraal bekend als gemeente [kadastrale aanduiding 1] . [..]”, alsook op afspraken die volgens hen op 1 november 2023 met [gedaagden] zijn gemaakt (waarover hierna meer).

4.41.

[gedaagden] erkennen het probleem met de kadastrale grenzen (#23 cva), maar betwisten dat dit heeft geleid tot schade zijdens [eisers] [gedaagden] betwisten tot vergoeding gehouden te zijn. [gedaagden] schetst dat men bij het oorspronkelijk uittekenen van de percelen was uitgegaan van de kap van de aanwezige bomen. Dat werd echter niet toegestaan. Daarom is er in samenspraak met alle eigenaren – waaronder ook [eisers] –overeengekomen dat de (kadastrale) grenzen opnieuw en op een later moment vastgelegd zouden worden. Dit is gebeurd op of omstreeks 24 augustus 2024 en daarmee heeft ook [eisers] ingestemd, aldus [gedaagden] stelt dat de haag in overleg met [eisers] en de bewoners van [kadastrale aanduiding 5] is geplaatst. De overige klachten van overbouw hangen volgens [gedaagden] samen met de perceelsgrensproblematiek door de bomen. Ook stelt [gedaagden] dat juist [eisers] zelf voor problemen zorgen met hun (niet toegestane) aanbouw.

4.42.

[eisers] betwisten op hun beurt de standpunten van [gedaagden]

4.43.

In de kern komt het neer op de beantwoording van de vraag of partijen nadere overeenstemming hebben bereikt over de herinrichting en bij ja dan wel nee wat de gevolgen daarvan zijn.

4.44.

Zoals aangekondigd onder 2.11 gaat de rechtbank hier eerst nader in op de standpunten van partijen over het onderwerp perceelgrootte en de feiten die daaruit vast te stellen zijn.

4.44.1.

Onder 4.40 heeft de rechtbank al kort aangehaald wat er in de overeenkomst staat over het gekochte. Zie in dit kader ook 2.3. Zoals ook al aangehaald onder 2.4 staat in artikel 3 (afwijkende perceelsgrootte): “Verschil tussen de werkelijke en de hiervoor opgegeven maat of grootte van de grond geeft geen aanleiding tot enige rechtsvordering tot vergoeding terzake.”.

4.44.2.

Partijen zijn het er evenwel over eens dat 1) er problemen zijn met de kadastrale grenzen en 2) dat die problemen moeten worden opgelost. [gedaagden] doen in hun betwistingen of verweren ook geen beroep op artikel 3 van de koopovereenkomst. Zij wensen nakoming van de gesteld gemaakte aanvullende afspraken. Het zijn enkel [eisers] die het bestaan van de bepaling (4.44.1 hiervoor) hebben vermeld. Daar hebben [eisers] onweersproken gesteld dat de door hen betaalde grondprijs gebaseerd was op het aantal vierkante meters en dat de perceelgrootte voor hen een belangrijke aanleiding was om juist voor dat betreffende perceel te kiezen. De rechtbank vindt de bepaling (4.44.1 hiervoor) hoe dan ook niet relevant omdat de bepaling bezien in de context gaat om geringe, verwaarloosbare meetverschillen en evident niet is bedoeld om een kwart van het perceel (ongeveer 100 m2) te onthouden aan de koper. Zoiets hebben [gedaagden] redelijkerwijs niet mogen begrijpen.

4.44.3.

Partijen zijn het er over eens dat door [gedaagden] de firma [C] uit [plaats] ( [C] ) is ingeschakeld. Op 31 mei 2023 heeft [C] op manier a) het perceel uitgezet. Daarmee hebben [eisers] niet ingestemd. Op 6 augustus 2023 is er een gesprek geweest waarbij een optie tot hertekening van de perceelsgrenzen is besproken. Naar aanleiding hiervan zou een vervolgafspraak worden gepland. Naar aanleiding van de bespreking en met het oog op de vervolgafspraak sturen [eisers] op 13 oktober 2023 een mailbericht waarin zij – samengevat – aangeven 100 m2 te missen van de overeengekomen 409 m2 en stellen zij een aantal oplossingsrichtingen voor, variërend van herinrichting tot compensatie.

4.44.4.

Naar stelling van [eisers] hebben partijen op 1 november 2023 mondeling de volgende afspraken gemaakt:

  1. de overbouw van [kadastrale aanduiding 2] (links van de woning van [eisers] , bezien vanaf de toegangsweg) zou worden opgelost door een hoek van het perceel van [eisers] uit te ruilen met eenzelfde hoek van het perceel van [kadastrale aanduiding 2] . De coniferen aan de linkerzijde van de woning zouden door [gedaagden] worden verplaatst conform de nieuw te vormen grens;

  2. de overbouw van [kadastrale aanduiding 3] (rechts van de woning van [eisers] , bezien vanaf de toegangsweg) zou worden opgelost door een strook van ca. één meter breed af te geven aan [gedaagden] , welke vierkante meters aan de tuin aan de achterzijde van het perceel van [eisers] zouden worden toegevoegd. Daarnaast is afgesproken dat de coniferen aan de rechterzijde van de woning door [gedaagden] in een rechte lijn worden geplaatst door de voorste vijf à zes coniferen te verplaatsen in de richting van [kadastrale aanduiding 3] ;

  3. de zandwal aan de achterzijde van de woning zou door [gedaagden] worden opgeschoven, zodanig dat de voet van de zandwal precies op de nieuwe perceelsgrens zou komen te lopen en [eisers] een vlak perceel zou behouden;

  4. Per saldo zou deze grondruil tussen [gedaagden] en [eisers] plaatsvinden met gesloten beurzen en zouden beide partijen evenveel grond afstaan als deze erbij zouden krijgen. [C] heeft de nieuw te vormen grenzen en percelen uitgezet met houten piketpaaltjes met een roze kop;

  5. [gedaagden] zouden de werkzaamheden coördineren en (laten) uitvoeren.

[eisers] verwijzen naar de grafische weergave van de afspraken over de afmeting in productie 16 bij dagvaarding.

4.44.5.

Naar stelling van [gedaagden] zijn er op 24 augustus 2024 in het bijzijn van alle partijen nieuwe perceelsgrenzen uitgemeten waarmee ter plaatse is ingestemd. [gedaagden] verwijzen daartoe naar productie 2 bij conclusie van antwoord. De rechtbank stelt vast dat productie 2 een bericht is van de voormalig juridisch adviseur van [gedaagden] die een verklaring heeft opgesteld voor [C] , die [C] moet bevestigen (zo werd verzocht). De bevestiging van [C] zit evenwel niet in het dossier.

4.44.6.

[eisers] betwisten de gestelde afspraken van 24 augustus 2024. Zij verwijzen naar de mailcorrespondentie tussen [C] en de raadsman van [gedaagden] van 17 en 19 september 2025 (productie 39 zijdens [eisers] ). [C] rept van problemen met toestemming en overleg en dat er aan hem geen opdracht tot splitsing is verstrekt. [eisers] vragen om een voorstel waarmee zij zouden kunnen instemmen. [C] doet [eisers] vervolgens tekeningen toekomen. [eisers] reageren daarop (productie 41 zijdens [eisers] ). Vervolgens corresponderen de raadsman van [eisers] en [C] vanaf september 2025 tot en met 26 januari 2026. In het laatste bericht van [eisers] geven zij aan hoe de grenzen volgens hen moet worden ingetekend (om uit te komen op 409 m2) en hoe [C] de grenzen heeft ingetekend, hetgeen leidt tot (uiteindelijk) 388 m2. In het laatste bericht van [C] schrijft [C] : “Ik ga contact opnemen met mijn opdracht gever. Lijkt me dat de oppervlakte gelijk moet blijven aan de akte.”.

4.44.7.

Hoewel [C] door [gedaagden] is ingeschakeld, kan voornoemde opmerking in dat laatste bericht van [C] redelijkerwijs niet zo worden opgevat dat dit ook de wil van [gedaagden] vertolkt. Immers laat [C] weten dat hij contact zal opnemen met [gedaagden] Dat kan niet worden gelezen als een instemming namens [gedaagden] Ook uit de rest van de door [eisers] overgelegde correspondentie volgt – samengevat – dat de raadsman van [eisers] de standpunten van [eisers] bij [C] voor het voetlicht brengt, maar dat is (ook; op zichzelf gezien) geen bewijs dat de door [eisers] gestelde afspraken gemaakt zijn. Dat neemt de rechtbank vooralsnog niet aan.

4.44.8.

Beide partijen hebben een bewijsaanbod gedaan op het punt van de afspraken die gemaakt zouden zijn over het opnieuw bepalen van de grenzen. Het zijn evenwel [eisers] die op het punt van de gestelde afspraken vorderingen hebben ingesteld. Op grond van het bepaalde in artikel 150 Rv zal aan hen worden opgedragen te bewijzen dat de door hen gestelde afspraken van 1 november 2023 (zie 4.44.4 e.v.) zijn gemaakt. Daartoe zal de zaak naar de rol worden verwezen. [eisers] dienen daarbij uitdrukkelijk aandacht te besteden aan de rol van de nieuwe eigenaren van [kadastrale aanduiding 2] . De rechtbank begrijpt dat [kadastrale aanduiding 3] in eigendom is bij [gedaagden] , maar dat [kadastrale aanduiding 2] aan derden is verkocht. De rechtbank verkeert vooralsnog in de veronderstelling dat nakoming van de afspraken zoals die door [eisers] worden gesteld, mogelijkerwijs ook ingrijpt op de omvang dan wel inrichting dan wel vorm van het perceel van [kadastrale aanduiding 2] .

De rechtbank wenst hierover te worden voorgelicht. Uit de stellingen van [eisers] maakt de rechtbank op dat zij nog geen contact hebben gelegd met de nieuwe eigenaren van [kadastrale aanduiding 2] . Daaruit begrijpt de rechtbank ook dat nog onduidelijk is of de nieuwe eigenaren instemmen met de (mogelijke) wijziging van hun rechtspositie. De rechtbank wil van [eisers] ook weten hoe zij aankijken tegen de situatie waarin [kadastrale aanduiding 2] niet instemt met de gestelde afspraken van 1 november 2023. Wenst [eisers] dan aanspraak te maken op schadevergoeding? [eisers] zijn zich kennelijk bewust van deze problematiek van de praktische uitvoerbaarheid van de gestelde afspraken omdat zij bij punt 2.14 van de spreekaantekeningen de verwijderingsvorderingen jegens [kadastrale aanduiding 2] hebben laten varen.

4.45.

Ieder verder oordeel, waaronder dat over de gevorderde vergoeding voor kosten ad € 574,75 dan wel € 3.291, - , zal worden aangehouden.

Erfdienstbaarheden

4.46.

[eisers] vorderen dat [gedaagden] worden veroordeeld om mee te werken aan het vestigen van bouwkundige erfdienstbaarheden en de erfdienstbaarheid van weg en wordt veroordeeld in de daarmee gemoeide kosten. Zij stellen daartoe dat de erfdienstbaarheden op grond van artikel 12 van de koopovereenkomst (zie 2.7) en op grond van de toezegging dat er een recht van overpad zou komen (#16 dagvaarding), gevestigd hadden moeten worden, maar dat dit niet gebeurd is.

4.47.

[gedaagden] betwisten tekort te zijn geschoten. Er zijn volgens hen geen toestanden die strijdig zijn met het burenrecht. Volgens [gedaagden] zal pas na het beslechten van de (voornoemde) discussie over de perceelsgrenzen duidelijk worden of er behoefte is aan het vestigen van erfdienstbaarheden. Volgens [gedaagden] ontbreekt het [eisers] op dit moment aan belang. [gedaagden] betwisten dat er overeengekomen is dat er een erfdienstbaarheid van weg / overpad zou zijn overeengekomen. Zij stellen dat [eisers] geen belang heeft bij deze vordering omdat er geen enkel misverstand over bestaat dat [eisers] gebruik mogen maken van het pad / de weg vanaf de openbare weg naar het perceel van [eisers] . [gedaagden] verklaren zich bereid tot medewerken aan het vestigen van een dergelijke erfdienstbaarheid, maar dan wel op kosten van [eisers]

4.48.

De rechtbank roept in herinnering dat in artikel 12 van de koopovereenkomst opgenomen is:

“[..] Erfdienstbaarheden

De koper is er mede bekend dat er bij de notariële akte van levering erfdienstbaarheden zullen worden gevestigd om de toestand waarin het verkochte en de aangrenzende bouwkavels zich na bebouwing ten opzichte van elkander bevinden te legaliseren, voor zover die toestand strijdig mocht zijn met bepalingen van het burenrecht en dat er tevens bepalingen worden opgenomen met betrekking tot gemeenschappelijke (mandelige) muren/erfafscheidingen en leidingen voor nutsvoorzieningen;”.

4.49.

Gelet op de stellingen van partijen constateert de rechtbank dat er inderdaad geen inschrijving van erfdienstbaarheden heeft plaatsgevonden.

4.50.

De rechtbank gaat – gelet op de formulering van artikel 12 – uit van de noodzaak tot het vestigen van erfdienstbaarheden. Anders dan [gedaagden] stellen, is die noodzaak niet beperkt tot situaties die strijdig zijn met het burenrecht. Die voorwaarde geldt alleen voor het eerste deel van de bepaling (te weten: “erfdienstbaarheden zullen worden gevestigd om de toestand waarin het verkochte en de aangrenzende bouwkavels zich na bebouwing ten opzichte van elkander bevinden te legaliseren”). Voor de mandelige erfafscheidingen en muren en leidingen voor nutsvoorzieningen, zal – blijkens artikel 12 – sowieso een erfdienstbaarheid moeten worden gevestigd. Dat deel van de vordering is dus toewijsbaar. Daar komt bij dat ook [gedaagden] niet uitsluiten dat er na definitieve vaststelling van de kadastrale grenzen wel een mogelijkheid bestaat dat er met het burenrecht strijdige toestanden zullen zijn. De rechtbank komt tot de conclusie, op grond van artikel 12, dat de in het artikel omschreven erfdienstbaarheden, zoals gebruikelijk in soortgelijke situaties van bouwprojecten met meerdere aangrenzende eigenaren, in algemene bewoordingen ter voorkoming van misverstanden of onzekerheid kunnen en moeten worden gevestigd. De vordering van [eisers] wordt daarom toegewezen.

4.51.

Echter, artikel 12 geeft naar het oordeel van de rechtbank geen recht op een erfdienstbaarheid van weg / overpad. De bepaling ziet uitdrukkelijk op de toestand waarin het verkochte en de aangrenzende bouwkavels na bebouwing zich ten opzichte van elkaar bevinden [onderstreping rechtbank]. Met deze formulering kan niet bedoeld zijn de toegangswegen van en naar de openbare weg. Dit gaat immers verder dan aangrenzend en bovendien is de toegangsweg geen bouwkavel. Dit deel van de vordering wordt afgewezen. De rechtbank raadt partijen aan om in overleg te treden over de vestiging van een erfdienstbaarheid van weg op kosten van [eisers] omdat [gedaagden] kennelijk wel tot vestiging bereid zijn.

Opstallen op perceel

4.52.

Tussen partijen is niet in geschil dat [eisers] een bouwwerk op hun perceel hebben opgericht. [gedaagden] kwalificeren dit bouwwerk als een aanbouw of uitbouw of schuurtje. [eisers] hebben het over een aanbouw/overkapping. De rechtbank zal het bouwwerk in lijn met partijen een aanbouw noemen.

4.53.

[gedaagden] stellen dat [eisers] door het plaatsen van de aanbouw in strijd hebben gehandeld met artikel 3 lid 8 van het parkreglement. Daarin staat namelijk: “De recreatie-eenheid moet in goede staat van onderhoud blijven, in dezelfde kleurstelling te blijven zoals bij aankoop zijn opgeleverd. Verbouwingen of veranderingen aan de recreatie-

eenheid zijn niet toegestaan.” [gedaagden] vorderen nakoming c.q. afbraak van de aanbouw.

4.54.

[eisers] voeren verweer. Zij stellen dat 3 lid 8 van het parkreglement nog een conceptstatus heeft en daarom niet afdwingbaar is. Bovendien houdt de bepaling volgens hen geen verbod in tot het plaatsen van een (losstaande of tegen de woning staande) overkapping. Voorts stellen [eisers] dat [gedaagden] wetenschap hebben gehad en toestemming hebben verleend voor de overkapping. Voorts stellen [eisers] dat als [gedaagden] werk hadden willen maken van handhaving van het gestelde verbod, [gedaagden] dit aanstonds hadden moeten doen en nu zij dat hebben nagelaten, zij hun klachtplicht hebben geschonden. Tot slot stellen [eisers] dat [gedaagden] geen belang heeft bij de vordering tot verwijdering omdat de aanbouw niet in strijd is met het doel van de bepaling (t.w. het waarborgen van de behoorlijke uitstraling van het park).

4.55.

De rechtbank stelt voorop dat de tekst van het verbod zich naar haar oordeel ook uitstrekt tot een overkapping. Dat is immers een verandering aan de recreatie-eenheid. Op de rest van de betwistingen en verweren hebben [gedaagden] evenwel niet meer gereageerd. Daarmee is de door [eisers] gestelde wetenschap en toestemming als onweersproken komen vast te staan. De vordering tot verwijdering – reconventionele vordering onder X – wordt bij deze stand van zaken afgewezen en de overige stellingen behoeven geen bespreking meer.

Toestand van het park

4.56.

[eisers] beklagen zich over de toestand van het park. Samengevat stellen zij dat de voorzieningen op het park achterblijven bij het niveau dat [gedaagden] mochten verwachten. Volgens hen hebben [gedaagden] tijdens de verkoop de indruk gewekt dat het bungalowpark een luxueuze en moderne uitstraling zou krijgen. Op 1 maart 2024 zijn [gedaagden] door [eisers] en andere bewoners gesommeerd om de gestelde gebreken te verhelpen (productie 17 bij dagvaarding). [eisers] vorderen – kort gezegd – realisatie van voorzieningen op het te verwachten niveau.

4.57.

[gedaagden] betwisten dat de voorzieningen en uitstraling van het park achterblijven bij wat overeengekomen is dan wel wat [eisers] mochten verwachten.

Zou daar wel al sprake van zijn, dan stellen [gedaagden] dat dit aan [eisers] en hun mede-perceeleigenaren te wijten is. Zij voldoen immers niet aan de verhuurverplichting en betalen geen tot onvoldoende parkkosten. Hierdoor lopen [gedaagden] naar hun stelling aanzienlijke inkomsten mis. Het is dan volgens [gedaagden] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om [gedaagden] onder die omstandigheden tot werkzaamheden te dwingen omdat die werkzaamheden bekostigd moeten worden met de bijdragen van de perceeleigenaren die dus niet betalen, aldus [gedaagden] Volgens [gedaagden] is het basisniveau goed, maar worden er dagelijks verbeteringen aangebracht.

4.58.

De rechtbank stelt vast dat de discussie scharniert op twee punten. Ten eerste: welke verwachtingen mochten [eisers] (en de andere bewoners) hebben ten aanzien van de uitstraling van het park. Ten tweede: of het niet ontvangen van geraamde inkomsten een rechtvaardiging is voor het achterblijven van het overeengekomen voorzieningenniveau. De rechtbank bespreekt deze twee punten hierna.

4.58.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat [eisers] een recreatiewoning hebben gekocht en dat die woning staat in een recreatiepark. In de verkoopbrochure (productie 5 bij dagvaarding) staat onder meer:

“Te koop 15 luxe vrijstaande recreatiebungalows op eigen grond in een park gelegen nabij een schitterend bosgebied tussen [plaats] en [plaats] . De bungalows worden traditioneel in steen gebouwd met duurzame materialen en moderne isolatievoorzieningen.”.

In de koop-/aannemingsovereenkomst wordt geen speciale aandacht besteed aan de omschrijving van het niveau van luxe en/of de uitstraling van de woning en het park.

Wel zitten er in het dossier verscheidene brieven, gestuurd door een aantal woningeigenaren waarin zij [gedaagden] manen om een aantal punten – door de eigenaren aangeduid als gebreken – op te lossen. Het gaat onder meer om de bericht van 1 maart 2024 (productie 17 bij dagvaarding). Kort gezegd worden aangestipt wateroverlast, de slagboom, de parkverplichting, achterblijvende bouwwerkzaamheden, bouwafval en achterblijvend (groen)onderhoud.

4.58.2.

De relevante bepalingen uit de koop-/aannemingsovereenkomst heeft de rechtbank geciteerd onder 2.7 van dit vonnis. Heel kort samengevat staat er te lezen dat eigenaren niet permanent in de woning mogen wonen, ze zich moeten inspannen om 245 dagen per jaar te verhuren en dat verhuur niet buiten medeweten van [gedaagden] mag geschieden. Verder worden parkkosten in rekening gebracht voor onderhoud aan het park, parkverlichting, een slagboom en “vuilnis ophaal”.

4.58.3.

In essentie betwisten [gedaagden] primair dat zij tekort zijn geschoten op het punt van de uitstraling van het park. Daarmee betwisten zij niet dan wel onvoldoende de stelling dat het park een zekere luxe, bij de bungalows aansluitende uitstraling dient te hebben. Daarenboven is het van belang dat de voorzieningen in het park functioneel zijn. Zowel in praktische zin (het werkt naar behoren) als in commerciële zin (de toestand van het park nodigt uit tot verblijf). De rechtbank zal hieronder de gestelde gebreken langs deze maatstaf leggen. Voordat zij daaraan toekomt, staat zij eerst stil bij het tweede punt (4.58 hiervoor) over – kort gezegd – de financiën.

4.58.4.

[gedaagden] stellen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat zij tot uitvoer van werkzaamheden worden gedwongen, terwijl [eisers] geen parkkosten of verhuurbijdragen betalen. [eisers] beroepen zich ter zake de parkkosten op (partiële) opschorting (er wordt € 1.008,33 betaald op een factuur van € 1.512,50) en voor wat betreft de verhuurbijdragen stellen zij dat zij überhaupt niet tot verhuur verplicht zijn (waarover meer onder 4.84 e.v.). [gedaagden] stellen dat er geen grondslag is voor opschorting, althans is de opschorting disproportioneel.

4.58.5.

Artikel 6:52 lid 1 BW bepaalt dat een schuldenaar die een opeisbare vordering heeft op zijn schuldeiser, bevoegd is de nakoming van zijn verbintenis op te schorten totdat voldoening van zijn vordering plaatsvindt. Voorwaarde is wel dat er voldoende samenhang bestaat tussen vordering en verbintenis. Uit lid 2 volgt dat die samenhang kan worden aangenomen als vordering en verbintenis voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding. Artikel 6:262 BW bepaalt dat – in geval van wederkerige overeenkomsten – indien de ene partij zijn verbintenis niet nakomt, de wederpartij zijn verbintenis mag opschorten. Artikel 6:263 BW bepaalt dat ook de partij die als eerste moet presteren mag opschorten indien de eerstgenoemde partij gegronde vrees heeft dat de laatstgenoemde niet deugdelijk zal presteren.

4.58.6.

Zoals hierna zal blijken, oordeelt de rechtbank dat [gedaagden] op een aantal punten tekort schiet op het vlak van de parkvoorzieningen. De rechtbank oordeelt dat [gedaagden] de standaardvoorzieningen op voldoende niveau had moeten hebben bij oplevering van de woning van [eisers] Dat spreekt vanzelf. Immers kan (het voorzieningenniveau van) het park niet los worden gezien van de woning. De aanleg is een investering door [gedaagden] en vervolgens kan zij die investering terugverdienen met de parkbijdrage die voor dit soort zaken is geoormerkt. Kortom, in de naleving van de verbintenissen over en weer is het eerst misgegaan bij [gedaagden] (voorzieningen) en pas daarna bij [eisers] (betalen). Partijen hebben geen cijfermatige analyse aangereikt over welk deel van de betaling door eigenaren bestemd is voor welke dienstverlening door [gedaagden] Een opschorting van circa 1/3 van de betalingsverplichtingen acht de rechtbank bij deze stand van zaken proportioneel. Dit laat [gedaagden] nog 2/3 om voor voorzieningen zorg te dragen, waarbij het overige deel nog zal moeten worden betaald als een en ander geregeld is. De rechtbank verwerpt het standpunt van [gedaagden] dat het beroep van [eisers] op opschorting naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De bevoegdheid tot opschorting volgt uit de wet, het beroep op opschorting is proportioneel en [gedaagden] heeft niets aangevoerd waaruit volgt dat zij door de opschorting in ernstige problemen komt. De drempel is kort gezegd hoog en die wordt gelet op het voorgaande niet gehaald.

4.58.7.

In zijn algemeenheid merkt de rechtbank nog op dat bij de oordelen op dit vlak meespeelt, dat [gedaagden] op een aantal punten hebben nagelaten hun betwistingen handen en voeten te geven. Zij hebben zich regelmatig bediend van algemene, zich herhalende en globale betwistingen. Zij hebben daarmee te weinig gedaan om de (beter gemotiveerde) stellingen van [eisers] tegen te spreken. Ook de foto’s uit productie 1 bij de conclusie van antwoord zijn onvoldoende specifiek.

Waterhuishouding

4.59.

[eisers] stellen dat er sprake is van wateroverlast doordat de waterhuishouding op het park niet in orde is. Zij illustreren dit met verscheidene foto’s (productie 17 bij dagvaarding). Volgens [eisers] zorgen (flinke) regenbuien ervoor dat er water voor en tegen de woning van [eisers] staat, zulks met schade tot gevolg. [eisers] stellen dat [gedaagden] hebben toegezegd hier iets aan te doen (productie 19 bij dagvaarding), maar dat die toezegging niet is nagekomen.

4.60.

[gedaagden] betwisten dat er sprake is van een gebrek in de waterhuishouding, dan wel dat er onder normale condities sprake is van overlast die aan normaal gebruik van de wegen in het park in de weg staat. Dat water tegen de gevels aankomt, wordt betwist. Ter zitting hebben [gedaagden] toegelicht dat er incidenteel plassen water staan (mede ten gevolge van de vele neerslag van de afgelopen tijd), maar dat dit water ook gewoon weer wegloopt. Er is geen riolering voor regenwater omdat regenwater op het riool lozen onwenselijk is, aldus [gedaagden] merken op dat in reguliere wijken regenwater tegenwoordig in wadi’s opgevangen wordt.

4.61.

Op basis van de stellingen van [eisers] en de door [eisers] overgelegde foto’s in combinatie met de erkenning door [gedaagden] , stelt de rechtbank vast dat er plassen aanwezig zijn op de wegen van het park. Deze plassen zijn van een behoorlijke omvang. Het is een feit van algemene bekendheid – en dit wordt ook door [gedaagden] onderkend – dat in een land als Nederland voorzieningen die regenwater in goede banen leiden, noodzakelijk zijn. [gedaagden] heeft ook niet de door [eisers] gestelde toezegging concreet betwist. [gedaagden] zijn aldus tot het aanleggen van voorzieningen voor de opvang van regenwater gehouden. De vordering van [eisers] op dit punt wordt toegewezen (Vordering 4 sub a in conventie).

Verlichting

4.62.

Volgens [eisers] is de parkverplichting zeer amateuristisch aangelegd en voldoet deze niet aan de veiligheidsnormen. [eisers] verwijzen daartoe naar de foto’s bij productie 17 bij dagvaarding.

4.63.

[gedaagden] stellen dat de parkverlichting niet gebrekkig is, althans niet een gebrek heeft dat in de weg staat aan normaal gebruik onder normale condities. Als er wel een gebrek zou zijn, dan achten [gedaagden] zich alsnog niet tot herstel gehouden. Volgens [gedaagden] is de verlichting conform de daarvoor geldende normen aangelegd.

4.64.

Op basis van de foto’s kan de rechtbank niet anders dan [eisers] gelijk geven op dit punt. Buizen en kabels komen in bundels uit de grond en kronkelen zich als spaghetti richting bomen. Bomen waaraan lampen, lasdozen en kunststof buizen rechtstreeks zijn bevestigd. Een lantaarnpaal die gedemonteerd in de struiken ligt. De rechtbank acht [gedaagden] tot deugdelijk herstel gehouden. De vordering van [eisers] op dit punt wordt toegewezen (vordering 4 sub b in conventie).

Afval

4.65.

[eisers] stellen dat er geen deugdelijke afvalinzamelplek is gecreëerd. Ook zijn er volgens [eisers] geen afspraken gemaakt over het separaat inzamelen van papier, pmd en glas. Zij wijzen op productie 4 waarin tijdelijke maatregelen voor afvalinzameling zijn afgekondigd. Ook wijzen [eisers] op het huishoudelijk reglement waarin in artikel 3 lid 10 het volgende is geschreven over afvalinzameling:

“Artikel 3 Bepalingen ten aanzien van de recreatie-eenheid en de omgeving

[..] 10. Huisvuil en afval dient in mag uitsluitend gedeponeerd in de daarvoor beschikbaar gestelde containers (groen is restafval / blauw is papier). Er mag geen los vuil in de container gegooid worden, met het oog op ongedierte. De beheerder kan hiervoor

nadere regels opstellen. De huisvuilzakken mogen uitsluiten in de daarvoor bestemde containers gedeponeerd te worden. Groot huisvuil dient de eigenaar zelf naar de gemeentelijke stortplaats te brengen.”.

4.66.

[gedaagden] betwisten de door [eisers] gestelde toezegging en stellen dat er een duidelijke plek voor afvalinzameling is.

4.67.

In het licht van de stellingen van [eisers] is de betwisting door [gedaagden] onvoldoende. [gedaagden] wordt veroordeeld tot het voeren van overleg met de Belangenvereniging Eigenaren Bungalows [F 2] over de wijze van

Afvalinzameling (Conventionele vordering 4 sub c).

Slagboom

4.68.

[eisers] stellen dat [gedaagden] een slagboom hebben gerealiseerd in de vorm van een oude lantaarnpaal. Dit is volgens [eisers] onveilig.

4.69.

[gedaagden] stellen ter zitting – onder verwijzing naar productie 3 bij conclusie van antwoord – dat er een nieuwe elektrische slagboom is geplaatst en dat die functioneel gaat zijn met druppel (dus een deugdelijke slagboom, zo begrijpt de rechtbank).

4.70.

[eisers] hebben ter zitting gereageerd dat als het zou kloppen dat er een slagboom met druppel komt, de vordering voor toewijzing gereed ligt.

4.71.

De rechtbank constateert dat er op de foto bij productie 3 inderdaad een andere slagboom is te zien dan de slagboom op de foto bij productie 18 bij dagvaarding. De slagboom bij productie 3 ziet er nieuw uit en lijkt te worden aangelegd door een aannemer met deugdelijk gereedschap. [eisers] hebben onvoldoende weersproken dat er nu een deugdelijke slagboom is gerealiseerd. [eisers] hebben daarmee geen belang meer bij hun vordering op dit punt. Die zal worden afgewezen.

Parkkosten

4.72.

Zie in de eerste plaats de onder 2.7 aangehaalde bepalingen. Artikel 12 (bijzondere bepalingen) luidt – voor zover van belang – als volgt:

[..] Parkkosten

Verkoper brengt bij koper jaarlijks parkkosten in rekening voor het onderhoud van het park,

parkverlichting, slagboom en vuilnis ophaal. Deze kosten worden jaarlijks geïndexeerd en

bedragen voor 2020 € 1.475,-.”.

4.73.

Zie voorts de onder 2.9 aangehaalde bepalingen uit het parkreglement:

"Artikel 6 Werkzaamheden en diensten

1. Ten aanzien van de door de beheerder uitgevoerde werkzaamheden en verrichte diensten bestaande uit het schoonhouden en vrijhouden van de wegen en paden in het park, de verlichting van de wegen en paden in het park, het algemeen toezicht op het park en het gebruik van de kosteloze faciliteiten van het park, zal aan de beheerder een vergoeding verschuldigd zijn, zoals is aangegeven in de akte van levering casu quo koopovereenkomst. De afvoer van huisvuil valt niet onder de parkkosten. De vergoeding voor de CAI aansluiting wordt met vastgestelde opslag separaat aan de koper doorbelast.

Met ingang van het jaar tweeduizend twintig kan de parkservicevergoeding op verzoek van de beheerder worden herzien. De bijdrage wordt als dan vastgesteld op grond van de dan voorde bepalingen van de hoogte van bijdrage van belang zijnde omstandigheden.

2. Noodzakelijke werkzaamheden -zoals onderhoud, herstel en vernieuwing- aan de wegen, paden, de afrastering, de slagboom, en andere bij het park behorende algemene voorzieningen, alsmede al die noodzakelijke werkzaamheden die van overheidswege of vanwege nutsbedrijven worden voorgeschreven, worden door de vennootschap (of de door hem aan te wijzen vertegenwoordiger) uitgevoerd en worden aan de eigenaren van de kavels in het park in rekening gebracht. [..].

4.74.

De rechtbank merkt op voorhand op dat er een discrepantie zit tussen de koopovereenkomst en het reglement. In de koopovereenkomst wordt “vuilnis ophaal” wel onder de parkkosten gebracht en in het reglement – een bijlage bij de koopovereenkomst –niet. Partijen hebben dit echter geen onderdeel van hun geschil gemaakt, dus de rechtbank zal dat laten rusten.

4.75.

Onder 4.58.6 heeft de rechtbank geoordeeld dat [eisers] gerechtigd zijn tot partiële opschorting. Dit betekent dat reconventionele vordering VIII zal worden afgewezen. Eveneens betekent de gegrondheid van de opschorting dat [gedaagden] in dat geval geen ontzegging ex artikel 11 van het parkreglement had mogen opleggen aan de heer [eiser 1] . De rechtbank ontzegt dus de werking van het opgelegde verbod in dit geval (waarover hierna meer). Voor het aannemen van een onrechtmatige daad op dit punt hebben [eisers] te weinig gesteld. Gewijzigde vordering 6 in conventie wordt dus deels toegewezen.

Parkverbod

4.76.

De rechtbank verwijst naar 2.9 en het daar geciteerde artikel 11 van het parkreglement:

“Artikel 11 Ontzegging gebruik algemene voorzieningen

1. Aan de eigenaar/gebruiker die:

a. de bepalingen van dit reglement of de besluiten van de beheerder niet nakomt of overtreedt;

b. zich schuldig maakt aan onbehoorlijk gedrag jegens de andere eigenaars en/of gebruikers;

zijn financiële verplichtingen jegens de vennootschap en/of de beheerder niet nakomt; zal door de beheerder en/of de vennootschap op zijn nalatigheid worden gewezen op de wijze zoals hierna in lid 3 is vermeld.

2. Worden één of meer der in het vorige lid bedoelde gedragingen, na daarop te zijn gewezen door de beheerder en/of de vennootschap, andermaal gepleegd of voortgezet, dan kan de beheerder besluiten tot ontzegging van het gebruik van het park en de algemene voorzieningen (waaronder uitdrukkelijk medebegrepen zijn de wegen en paden en infrastructurele voorzieningen; tevens kan de beheerder en/of de vennootschap besluiten tot het afsluiten van gas, wateren elektra).

3. De beheerder zal zijn voornemen tot ontzegging van het gebruik meedelen aan de betreffende eigenaar door het verzenden van een aangetekend schrijven waarin de gerezen bezwaren zijn vermeld.

4. Een besluit tot ontzegging van het gebruik zal niet eerder ten uitvoer mogen worden gebracht dan na verloop van één maand na verzending van de kennisgeving als in lid 3 bedoeld. Beroep op de rechter schort de tenuitvoerlegging van de ontzegging op, met dien verstande, dat de schorsing wordt opgeheven en de ontzegging wordt uitgevoerd als de rechter zich met deze ontzegging verenigt, ook al heeft belanghebbende nog de mogelijkheid de uitspraak van de rechter in hoger beroep of in cassatie te betwisten.”.

4.77.

Zoals omschreven onder 2.14 is – onder aanroeping van artikel 11 van het parkreglement – aan de heer [eiser 1] een parkverbod opgelegd. Dat verbod is inmiddels weer opgeheven.

4.78.

Volgens [eisers] is het parkverbod ten onrechte opgelegd, want volstrekt disproportioneel. Verder stellen [eisers] dat artikel 11 van het parkreglement moet worden gezien als een onredelijk bezwarend beding (ex art. 6:236 sub a en c BW), althans dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat een dergelijk klein geschil over een deel van de parkbijdrage zou kunnen leiden tot een algeheel parkverbod. Ook is er volgens [eisers] geen rekening gehouden met de belangen van de eigenaren en kan een verbod dat onbeperkt is in tijd en omvang worden opgelegd.

[eisers] vorderen in dit kader:

“Artikel 11 van het Parkreglement tussen partijen, geheel of gedeeltelijk, te vernietigen, althans buiten toepassing te verklaren, althans te wijzigen in die zin dat aan [eisers] geen verbod kan worden opgelegd om te komen en gaan van de openbare weg naar de woning, geen verbod kan worden opgelegd om de woning en tuin te gebruiken en [gedaagden] niet bevoegd is tot het afsluiten van de nutsvoorzieningen (elektriciteit/water/glasvezel/riool)”.

4.79.

[gedaagden] ontkennen niet dat er een parkverbod is opgelegd, maar stellen dat zij er nimmer uitvoering aan hebben gegeven en ook niet willen geven. Zij stellen dat [eisers] geen belang meer hebben bij hun vordering omdat het verbod is opgeheven. [gedaagden] betwisten dat er sprake is van een onredelijk bezwarend beding. Zij stellen dat [eisers] doen aan cherry picking door enkel een beroep te doen op hen welgevallige bepalingen.

4.80.

De rechtbank wijst de in dit kader door [eisers] ingestelde vorderingen tot vernietiging van artikel 11 van het parkreglement af (gewijzigde conventionele vordering 7). Zij legt dit uit.

4.80.1.

In artikel 6:231 sub a BW wordt het begrip “algemene voorwaarden” gedefinieerd: “een of meer bedingen die zijn opgesteld teneinde in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen, met uitzondering van bedingen die de kern van de prestaties aangeven, voor zover deze laatstgenoemde bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd;”.

4.80.2.

Het parkreglement is als bijlage bij de koop-/aannemingsovereenkomst gevoegd. Uit productie 7 zijdens [gedaagden] volgt dat het parkreglement wordt aangehecht aan iedere koop-/aannemingsovereenkomst. De regels geven niet de kern van de prestatie weer. Daarmee is voldaan aan de definitie van algemene voorwaarden.

4.80.3.

Artikel 6:233 sub a BW bepaalt: “Een beding in algemene voorwaarden is vernietigbaar a. indien het, gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden zijn tot stand gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend is voor de wederpartij; [..]”.

4.80.4.

Artikel 6:236 aanhef, sub a en c BW luiden:

“Bij een overeenkomst tussen een gebruiker en een wederpartij, natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, wordt als onredelijk bezwarend aangemerkt een in de algemene voorwaarden voorkomend beding

a. dat de wederpartij geheel en onvoorwaardelijk het recht ontneemt de door de gebruiker toegezegde prestatie op te eisen;”

[..]

c. dat een de wederpartij volgens de wet toekomende bevoegdheid tot opschorting van de nakoming uitsluit of beperkt of de gebruiker een verdergaande bevoegdheid tot opschorting verleent dan hem volgens de wet toekomt;”.

4.80.5.

Geheel en onvoorwaardelijk zijn de bevoegdheden uit artikel 11 niet. [gedaagden] is verplicht eerst te waarschuwen en een gang naar de rechter zorgt voor directe opschorting van de schorsing. Een maatregel “kan” worden opgelegd en deze (discretionaire) ruimte impliceert een verplichting om evenredigheid in acht te nemen en om de beslissing te motiveren, overeenkomstig de zin die partijen aan de tekst redelijkerwijs hebben mogen geven. Eigenaren hebben ook een maand vanaf verzending van de in lid 3 bedoelde aanzegging de tijd om de gang naar de rechter te maken, het gesprek met [gedaagden] aan te gaan of hun positie te heroverwegen. Een terecht voorafgaand beroep op opschorting door eigenaren/recreanten staat aan het eigen verzuim in de weg (Parl. Gesch. Boek 6, p. 205.), alsook aan het (tijdelijk) afdwingen van nakoming van de eigen verplichting van de eigenaren/recreanten. Dit ondanks dat de ook de eigenaren/recreanten (opschortende partij) tekortschieten. Dat tekortschieten wordt in dat geval gerechtvaardigd door de opschorting. Bovendien spelen bij de vraag of een bepaling onredelijk bezwarend is, ook de wederzijds kenbare belangen mee. Het is invoelbaar dat [gedaagden] een bepaalde mate van orde moet kunnen houden op het park. Dat is niet alleen in belang van [gedaagden] , maar ook van de eigenaren en recreanten. Een dergelijke bepaling is ook niet ongebruikelijk. Een redelijke uitleg van de bepaling over de gevolgen van het niet nakomen van de financiële verplichtingen komt bij deze stand van zaken niet neer op een uitsluiting of beperking van het recht op opschorting, zoals bedoeld in artikel 6:233 sub a BW en artikel 6:236 aanhef, sub a en c BW.

Permanente bewoning en verhuur

4.81.

[gedaagden] stellen dat met [eisers] (en de andere eigenaren) is overeengekomen dat de recreatiebungalow voor minimaal 245 dagen per jaar door middel van bedrijfsmatige exploitatie door [gedaagden] verhuurd zou worden aan derden. [gedaagden] zouden daardoor, als tegenprestatie, een percentage (20%) van de bruto verhuuromzet als verhuurbemiddelingsprovisie ontvangen. Zij verwijzen daartoe naar artikel 12 van de koop-/aannemingsovereenkomst en naar een verhuurbemiddelingsovereenkomst van 3 november 2023 (productie 4 bij conclusie van antwoord). Volgens [gedaagden] zouden de bewoners amenderingen op deze verhuurbemiddelingsovereenkomst uiterlijk op 15 januari 2024 doorgeven en als zij dat zouden nalaten, zou de overeenkomst ingaan. De begroting van de parkexploitatie was hier volgens [gedaagden] ook mede op verhuur gebaseerd. De bedrijfsmatige verhuur was volgens [gedaagden] tevens een van de uitdrukkelijke eisen die de gemeente heeft verbonden aan de omgevingsvergunning voor het park (producties 6 en 7 bij de conclusie van antwoord). Ook de verkopend makelaar verklaart dat de verhuurverplichting duidelijk was voor partijen (productie 5 conclusie van antwoord). [gedaagden] stellen dat [eisers] – en de andere eigenaren – de verplichtingen op dit punt niet nakomen. [gedaagden] vorderen – kort gezegd – nakoming van de huurbemiddelingsovereenkomst. [gedaagden] stellen daarnaast dat zij ten gevolge van de niet-nakoming schade hebben geleden, onder meer in de vorm van misgelopen provisie. Zij verzoeken deze schade nader te laten begroten in een schadestaatprocedure. Bij een bezettingsgraad van 90% (afgezet tegen 245 dagen per jaar) en uitgaand van een provisie van 20% en een huurprijs van € 1.000, -- exclusief BTW, komen [gedaagden] tot een bedrag van € 11.025, - (per jaar).

4.82.

[eisers] ontkennen niet dat artikel 12 – zie 2.7 – is opgenomen in de koop-/aannnemingsovereenkomst. [eisers] stellen echter dat zij over deze bepaling vragen hebben gesteld aan de verkopend makelaar. De bepaling stond namelijk haaks op de intenties die [eisers] hadden met de woning, te weten (op termijn) permanente bewoning/ recreatie na hun pensionering. Volgens [eisers] hebben [gedaagden] en hun verkopend makelaar vervolgens – kort gezegd – verklaard dat artikel 12 ten behoeve van de gemeente c.q. de vergunningverlening was opgenomen en dat de formulering daarvan discutabel, en mogelijk in het voordeel van [eisers] was. [gedaagden] hebben aan [eisers] laten weten dat zij zelf geen belang hebben bij (het kettingbeding uit) artikel 12 en dat enkel het “aanbieden voor verhuur” voldoende zou zijn waarbij [eisers] verhuur konden voorkomen door hoge huurprijzen te vragen, aldus [eisers] Als [eisers] toch wensten te verhuren, dan mochten [eisers] dit zelf regelen, mits zij wel aan [gedaagden] doorgaven dat er verhuurd werd. Dit met het oog op het nachtregister en de toeristenbelasting. [gedaagden] hebben [eisers] ook aangemoedigd hun huidige woning te verkopen (hetgeen uiteindelijk niet is gebeurd doordat de bouw van de recreatiewoning vertraging opliep). Hiermee hebben [gedaagden] naar stelling van [eisers] het beeld doen ontstaan dat artikel 12 voor hen geen beperkingen zouden meebrengen. Ook hebben [gedaagden] volgens [eisers] de indruk gewekt dat permanente bewoning in de toekomst wel mogelijk zou worden. Ter onderbouwing van deze stellingen, verwijzen [eisers] naar hun eigen opgetekende verklaring in productie 30, verklaringen van andere kopers in producties 31 en 32 en een interview van [gedaagden] door Valkenswaard 24 (productie 33 “Tricky is nog wel dat de woningen geen 365 maar 245 dagen te huur mogen worden aangeboden. ‘Maar mensen mogen wel het hele jaar recreëren’, aldus [ [gedaagden] ]. Zij zijn het erover eens dat dit wel een grijs gebied is. Wat is het verschil tussen wonen en recreëren? Ook kopers mogen niet permanent hier wonen, maar weer wel recreëren. De

regering heeft wel groen licht gegeven om dit soort woningen te vergunnen voor het gehele jaar, maar lokaal is dat nog niet geregeld. De nieuwe woningen zijn extra geïsoleerd en worden voorzien van een warmtepomp. Zelfs in de vloer komt airco. We hopen dat de gemeente zo snel mogelijk het landelijk beleid gaat volgen, zodat de bewoner en eigenaar

twaalf maanden kan blijven wonen op dit park.”).

[eisers] stellen dat uit artikel 12 niet volgt dat verhuur via [gedaagden] moet geschieden. Het staat [eisers] ook vrij om rechtstreeks aan derden te verhuren, mits [gedaagden] daarvan op de hoogte wordt gesteld. Zij verwijzen daartoe ook naar de omgevingsvergunning (productie 6 bij conclusie van antwoord), waar de gemeente ook de mogelijkheid tot zelfstandige verhuur geeft – (“In de koopovereenkomst zal echter een bepaling met kettingbeding met een derdenbeding worden opgenomen, waarbij is aangegeven dat de kopers van de recreatiewoning, deze recreatiewoning voor ten minste 245 dagen per jaar beschikbaar moeten stellen voor verhuur ten behoeve aan derden/recreanten en zich daartoe inspannen voor de daadwerkelijke verhuur van het gekochte gedurende die dagen (zelfstandig) dan wel via de v.o.f. [gedaagde 1]”) – en het hierna te bespreken verslag van de vergadering van 3 november 2023 waarin te lezen valt dat de optie zelfstandige verhuur tot de mogelijkheden behoort. Ook staat er te lezen dat [gedaagden] geen belang heeft bij de verhuur van de woningen van de kopers omdat hun inkomen uit de verhuur van de eigen woningen komt. [eisers] wensen niet via [gedaagden] te verhuren en betwisten dat er op 3 november 2023 tot overeenstemming is gekomen. Integendeel, er is bezwaar gemaakt. Zij verwijzen naar het besprekingsverslag van die datum (productie 34 bij conclusie van antwoord in reconventie).

4.82.1.

Tussen [gedaagden] en verscheidene eigenaren (maar niet [eisers] ) is een tweetal kortgedingprocedures gevoerd. In beide procedures zijn de vorderingen van [gedaagden] afgewezen. In de zaak 11233284 CV EXPL 24-5189 van [gedaagden] tegen [D] , [E] , [F 1] en [G] is op 19 september 2024 vonnis gewezen. Kort gezegd oordeelde de voorzieningenrechter dat zij (als kantonrechter) niet bevoegd is om van het geschil kennis te nemen. De zaak had dus moeten worden aangebracht bij de voorzieningenrechter van de rechtbank. In de zaak 408571 KG ZA 24-525 tussen (opnieuw) [gedaagden] en [D] , [E] , [F 1] en [G] is het wel tot een inhoudelijke beoordeling gekomen. Een van de geschilpunten was de uitleg van artikel 12 uit de koop-/aannemingsovereenkomst. De voorzieningenrechter begreep de vorderingen van [gedaagden] (voor zover nu van belang) zo dat gevorderd wordt dat de eigenaren hun bungalows (de woningen) uitsluitend via de VOF te huur aan dienen te bieden voor 245 dagen per jaar. De eigenaren weerspreken niet dat er een verhuurverplichting is opgenomen in de schriftelijke overeenkomst en beamen dat permanente bewoning niet is toegestaan. Hun centrale stelling is echter dat ze niet verplicht kunnen worden de woning exclusief voor 245 dagen per jaar via de VOF te huur aan te bieden. Net als [eisers] schetsen zij de gang van zaken voorafgaand aan het sluiten van de koop-/aannemingsovereenkomsten waarbij er – kort gezegd – zou zijn aangegeven dat artikel 12 er puur voor de vorm was en niet de verplichtingen zou opleggen die daarin zijn verwoord. Net als [eisers] schetsen zij de gestelde door [gedaagden] voorgehouden mogelijkheid om zeer hoge huur te vragen om daadwerkelijke verhuur te voorkomen. De voorzieningenrechter heeft de eigenaren in het gelijk gesteld.

4.83.

De rechtbank komt in deze discussie tot een bewijsopdracht aan [eisers] Zij licht dit toe.

4.83.1.

Artikel 149 Rv bepaalt kort gezegd dat enkel feiten die in het geding ter kennis zijn gekomen en feiten die in de zin van Afdeling 9 Rv zijn vastgesteld aan de rechtelijke beslissing ten grondslag mogen worden gelegd. In artikel 150 Rv staat: “De partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, draagt de bewijslast van die feiten of rechten, tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit.”. Artikel 151 Rv legt uit dat bepaalde bewijsmiddelen dwingend van aard zijn. Dat betekent dat de rechtbank daaraan de in de wet voorgeschreven gevolgen dient te verbinden. Ook tegen dwingend bewijs, mag tegenbewijs geleverd worden. De koop-/aannemingsovereenkomst kwalificeert als een onderhandse akte. Artikel 157 lid 2 Rv bepaalt – voor zover van belang – het volgende: “Een [..] onderhandse akte levert ten aanzien van de verklaring van een partij omtrent hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen, tussen partijen dwingend bewijs op van de waarheid van die verklaring, [..].”. De rechtbank is niet gebonden aan uitspraken in kort geding, omdat het daar gaat om voorlopige oordelen, en al zeker niet aan uitspraken die (deels) jegens andere partijen gewezen zijn (art. 257 Rv), zoals de hiervoor omschreven beslissingen van de voorzieningenrechter.

4.83.2.

Zoals gesteld is niet in geschil dat in artikel 12 van de koop-/aannemingsovereenkomst het volgende staat (zie ook 2.7):

“1. Verkoper en koper komen de navolgende verplichtingen voor koper overeen:

koper zal het gekochte niet gebruiken voor permanente bewoning als bedoeld in het vigerende bestemmingsplan;

koper zal het gekochte gedurende ten minste 245 dagen per kalenderjaar beschikbaar stellen voor verhuur ten behoeve van derden/recreanten en zich inspannen voor de daadwerkelijke verhuur van het gekochte gedurende die dagen;

de verhuur van het gekochte dient uitsluitend via verkoper, dan wel diens rechtsopvolger, te geschieden, dat wil zeggen koper mag het gekochte niet buiten medeweten van verkoper, dan wel diens rechtsopvolger, verhuren;

koper dient verkoper, dan wel diens rechtsopvolger, tijdig kennis te geven van de

perioden/dagen dat het gekochte niet beschikbaar is voor verhuur aan derden/recreanten wegens eigen gebruik door koper, zodat verkoper, dan wel diens rechtsopvolger in staat wordt gesteld een overzicht van die perioden/dagen bij te houden, welk overzicht op verzoek van de gemeente [plaats] aan de gemeente [plaats] mag en zal worden overgelegd door verkoper, dan wel diens rechtsopvolger.

[..]

3. Bij niet-nakoming van de verplichtingen voortvloeiend uit lid 1 van dit artikel verbeurt koper aan de gemeente [plaats] per overtreding een ineens opeisbare contractuele boete van € 5.000,00. Bij niet-nakoming van de verplichtingen voortvloeiend uit lid 2 van dit artikel

verbeurt koper aan de gemeente [plaats] per overtreding een ineens opeisbare contractuele

boete van € 50.000,00.

Evenmin is in geschil dat partijen de koop-/aannemingsovereenkomst zelf hebben ondertekend.

4.83.3.

De rechtbank neemt dus conform de schriftelijk vastgelegde overeenkomst als uitgangspunt het feit dat er 245 dagen per kalenderjaar de beschikbaarheid voor verhuur moet zijn en dat [eisers] zich dienen in te spannen om tot werkelijke verhuur over te gaan. [eisers] hebben evenwel voldoende aangevoerd – zie 4.82 – om tot het leveren van tegenbewijs te worden toegelaten. [eisers] krijgen de opdracht om tegenbewijs te leveren. Zij dienen tegenbewijs te leveren waaruit volgt dat de werkelijke afspraken afwijken van de letterlijke tekst in die zin dat er in werkelijkheid geen verhuurplicht is.

4.84.

Een tweede discussie die partijen in het kader van de verhuur verdeeld houdt, is de vraag of – als er verhuurd zou moeten worden – deze verhuur persé via [gedaagden] dient te geschieden of dat [eisers] de woning ook zelfstandig of via derden te huur aan mogen bieden. Dit is een kwestie van uitleg van artikel 12. Over uitleg heeft de Hoge Raad in het Haviltex-arrest een belangrijke maatstaf neergelegd: “De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.”. De tekst is niet het enige aanknopingspunt, maar wel een belangrijk gegeven. Het eerste deel van de bepaling: “verhuur dient uitsluitend te geschieden via [ [gedaagden] ]”, is een duidelijke indicatie voor de juistheid van het standpunt van [gedaagden] Evenwel wordt op deze passage direct een belangrijke nuancering aangebracht. Er staat vervolgens dat dit wil zeggen dat verhuur niet “buiten medeweten” van [ [gedaagden] ] mag geschieden. Partijen hebben over deze nuancering geen informatie aangereikt, anders dan de schriftelijk vastgelegde overeenkomst. Waarom deze nuancering is aangebracht, blijkt uit de koppeling naar het door [gedaagden] moeten informeren van de gemeente. Het niet voldoen aan de verplichting, levert ook een verplichting op van kopers om een boete te betalen aan de gemeente. Dáár gaat het om, zo mochten [eisers] redelijkerwijs begrijpen. Er staat niets over dienstverlening door [gedaagden] (bemiddeling) of over commissie ten gunste van [gedaagden] Daarnaast blijkt – zoals [eisers] ook terecht hebben aangegeven (4.82) – uit de vergunningsstukken van de gemeente zelf dat de vergunning geen verplichte verhuur via [gedaagden] vereist. Al met al hadden [eisers] de bepaling, gelet op de bewoordingen, redelijkerwijs ook niet zo hoeven opvatten en hadden [gedaagden] de bepaling redelijkerwijs niet zo mogen opvatten. De conclusie is dat de vorderingen V en VII van [gedaagden] op dit punt deels moeten worden afgewezen en wel voor het deel waarom het gaat dat verhuur via [gedaagden] zou moeten geschieden en de daaraan door [gedaagden] gekoppelde gevolgen. Het oordeel over de gestelde verhuurverplichting wordt aangehouden.].

Afsluitend

4.85.

Met het oog op het leesgemak, alsook als vertrekpunt voor een volgend vonnis, somt de rechtbank de belangrijkste oordelen uit dit vonnis op:

Randnummer

Samengevatte inhoud van de overweging

4.4

Gewijzigde Vordering 2 in conventie, boete wegens termijnoverschrijding, wordt afgewezen.

4.37

Gewijzigde vordering 1 in conventie; schadevergoeding wegens gebreken aan de woning, wordt deels toegewezen en wel voor € 16.583,36

4.39

Reconventionele vordering IX , over meerwerk, wordt afgewezen.

4.48

De beslissing op gewijzigde vordering 3, ten aanzien van de erfgrenzen, wordt aangehouden met het oog op beslissing 5.1.

4.50

De beslissing op gewijzigde vordering 5 in conventie, of de erfdienstbaarheden, wordt aangehouden met het oog op beslissing Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.

4.55

Reconventionele vordering X, over verwijdering van opstallen, wordt afgewezen.

4.61, 4.64, 4.67

Gewijzigde conventionele vordering 4, over de parkvoorzieningen, wordt deels toegewezen en wel voor subnummers a) wateroverlast; b) verlichting; c) (deels) afvalinzameling;

Vordering 4 sub d) slagboom, wordt afgewezen.

4.75

Reconvetionele vordering onder VIII over de parkbijdrage wordt afgewezen, gewijzigde conventionele vordering 6, parkverbod, wordt deels toegewezen waar het gaat om het buitenwerking blijven van het parkverbod.

4.80

Gewijzigde conventionele vordering 7, over artikel 11 van het parkreglement, wijst de rechtbank af.

4.83

De beslissing op reconventionele vordering VI, over permanente bewoning, wordt aangehouden.

4.84

De reconventionele vorderingen V, over de gestelde verhuurverplichting en het gestelde verbod op permanente bewoning, wordt – vooralsnog in ieder geval deels, – afgewezen en deels wordt het oordeel aangehouden.

Vordering VII wordt afgewezen; verhuur via [gedaagden] is niet verplicht.

4.86.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

5.1.

draagt [eisers] bewijs te leveren zoals omschreven onder 4.44.8 en tegenbewijs zoals omschreven onder 4.83.3,

5.2.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 25 november 2026 voor uitlating door [eisers] of zij bewijs willen leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,

5.3.

bepaalt dat, als [eisers] geen bewijs door het horen van getuigen willen leveren maar wel bewijsstukken willen overleggen, zij die stukken dan direct in het geding moeten brengen,

5.4.

bepaalt dat, als [eisers] en [gedaagden] getuigen willen laten horen, zij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden januari tot en met april 2027 dan direct moeten opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.5.

bepaalt dat [eisers] de rechtbank bij hun eerstvolgende akte moeten voorlichten over het onderwerp zoals omschreven onder 4.44.8 laatste alinea, waarna [gedaagden] vier weken later bij antwoordakte daarop mogen reageren,

5.6.

bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. L.S. Frakes, in het paleis van justitie te ’s-Hertogenbosch, Leeghwaterlaan 8,

5.7.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.8.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.S. Frakes en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2026.