Strafrecht overig

Verdachte wordt, voor de voorbereiding van een brandstichting, tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van…

Rechtbank Oost-Brabant, 27 januari 2015

Zaakgegevens

Op 27 januari 2015 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27 januari 2015
Datum publicatie
26 januari 2015
Zaaknummer
01/879403-14
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2015:368
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verdachte wordt, voor de voorbereiding van een brandstichting, tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 30 maanden veroordeeld. Van drie andere brandstichtingen wordt verdachte vrijgesproken.

Procesgang

  1. Rechtbank Oost-Brabant · 27 januari 2015deze uitspraak

    ECLI:NL:RBOBR:2015:368

  2. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 13 december 2016

    ECLI:NL:GHSHE:2016:5513

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar]vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummers: 01/879403-14 en 01/860490-14 (ter terechtzitting gevoegd)

Datum uitspraak: 27 januari 2015

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1984],

wonende te [woonplaats], [adres 1],

thans gedetineerd in p.i. Grave, locatie Oosterhoek [hvb], te Grave.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 oktober 2014 in de zaak met parketnummer 01/879403-14 en van 13 januari 2015 in beide hiervoor genoemde zaken.

Op de zitting van 13 januari 2015 heeft de rechtbank de tegen verdachte, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak onder parketnummer 01/879403-14 is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 26 september 2014. De zaak onder parketnummer 01/860490-14 is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 12 december 2014.

Na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 28 oktober 2014 is aan verdachte in de zaak met parketnummer 01/879403-14 ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 25 maart 2014 in de gemeente Valkenswaard, althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht, hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk door middel van open vuur in [café], gevestigd [adres 2] aldaar, een hoeveelheid (over de vloer en/of (delen van) de inboedel) uitgesprenkelde brandbare (vloei)stof en/of andere goederen in brand gestoken, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander of anderen, te weten voor [slachtoffer 1] (bewoner van een boven dat café/in dat perceel gelegen woning) en/of terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor dat [café] en/of dat perceel [adres 2] en/of de daarin aanwezige inboedel/goederen en/of omliggende percelen te duchten was; (artikel 157 Wetboek van Strafrecht)

2. hij op of omstreeks 28 maart 2014 te Oss,althans in het arrondissement Oost-Brabant ter voorbereiding van het misdrijf brandstichting (strafbaar gesteld in artikel 157 van het wetboek van strafrecht) in/van [zonnestudio], gevestigd [adres 3] aldaar, opzettelijk een of meer halve (stoep)tegels (bestemd om een of meer ruiten in te gooien/slaan bij die zonnestudio) en/of een of meer jerrycans (gevuld met benzine, althans een brandbare vloeistof) en/of een doek, doordrenkt met benzine, althans een brandbare vloeistof, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad; (artikel 46 juncto 157 Wetboek van Strafrecht)

3. hij op of omstreeks 13 juli 2014 in de gemeente Helmond, althans in het arrondissement Oost-Brabant, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht, hebbende hij, verdachte en/of zijn mederdader(s), toen aldaar opzettelijk door middel van open vuur een flesje en/of een doek gelegen bij/in/aan/op een auto (geparkeerd op de oprit van perceel [adres 4]) in brand gestoken, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander of anderen, te weten voor [slachtoffer 2] en/of (een) andere bewoner(s) van het pand [adres 4] en of terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor dat perceel [adres 4] en/of de daarin aanwezige inboedel/goederen en/of omliggende percelen te duchten was; (artikel 157 Wetboek van Strafrecht)

Aan verdachte is in de tenlastelegging met parketnummer 01/860490-14 tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 13 september 2013 in de gemeente Eindhoven, althans in het arrondissement Oost-Brabant, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht, hebbende hij, verdachte en/of zijn mederdader(s), toen aldaar opzettelijk door middel van open vuur een auto (geparkeerd voor perceel [adres 5]) in brand gestoken, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander of anderen, te weten voor [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of (andere) bewoners van perce(el(en) [adres 6] en/of [adres 7] en/of terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor die percelen en/of de daarin aanwezige inboedel/goederen en/of omliggende percelen en/of bomen en/of coniferen in de buurt van die geparkeerde auto te duchten was.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Ten aanzien van parketnummer 01/897403-14, feit 1.

Op 25 maart 2014 omstreeks 00.30 uur is brand gesticht in [café] gelegen aan de [adres 2] te Valkenswaard. Op dit tijdstip bevindt de [getuige 1] zich in de achterkamer van zijn woning. Aan die kamer grenst een balkon dat uitzicht biedt op de [adres 2]. [getuige 1] hoort een rommelend geluid van buiten komen en als hij op het balkon staat om de herkomst van dat geluid te achterhalen, ziet hij nabij de deur van [café] een jongeman staan en hij ziet een andere jongen wegrennen. Daarna ziet [getuige 1] dat de jongen die voor het café staat een hevig brandende fakkel door de kapotte deur naar binnen gooit en dat deze jongen vervolgens wegloopt in de richting waarin eerder de andere jongen is verdwenen. Ook de getuige [getuige 2], woonachtig aan de [adres 2] te Valkenswaard, hoort op dat tijdstip glasgerinkel en als hij naar buiten kijkt ziet hij twee mannen wegrennen. Beide getuigen geven signalementen van deze personen. De opgegeven signalementen vertonen geen treffende gelijkenis met het uiterlijk van verdachte. Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken dat de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] met verdachte zijn geconfronteerd.

Tijdens het forensisch onderzoek naar deze brand treft de politie in het café, kort achter de vernielde ruit een jerrycan die gevuld is geweest met motorbenzine aan. Op het terras van het café, in de nabijheid van de vernielde ruit, vindt de politie een gele dop van een jerrycan en een geel plastic lipje waarmee die dop aan een jerrycan was bevestigd. Op dit plastic lipje zijn DNA-sporen aangetroffen. Uit onderzoek door het NFI blijkt dat deze DNA-sporen overeenkomen met het DNA-profiel van verdachte.

Voorts heeft de politie vastgesteld dat uit de bestrating van het trottoir vlak bij het café een stoeptegel ontbreekt, dat stukken van een stoeptegel voor het vernielde raam van [café] liggen en dat in het zand waar die stoeptegel eerder had gelegen, een verse afdruk van een schoenspoor staat. Dit schoenspoor is vergeleken met het schoenspoor van de linkerschoen die verdachte bij zijn aanhouding op 15 juli 2014 droeg. Uit dat onderzoek blijkt dat het hiervoor genoemde schoenspoor is veroorzaakt met een linkerschoen, soortgelijk aan de linkerschoen van de onder verdachte in beslag genomen schoenen, maar dat door het ontbreken van karakteristieke overeenkomsten niet kan worden vastgesteld dat het schoenspoor daadwerkelijk is veroorzaak met de linkerschoen die onder verdachte in beslag is genomen.

Verdachte heeft ontkend dat hij bij deze brandstichting betrokken is geweest of dat hij toen in de nabijheid van [café] is geweest.

Uit het onderzoek ter terechtzitting van 28 oktober 2014 en van 13 januari 2015 en uit de inhoud van het procesdossier is niet gebleken van andere feiten of omstandigheden waaruit overigens aannemelijk zou kunnen worden dat verdachte bij deze brandstichting betrokken is geweest.

De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden weliswaar sterke aanwijzingen opleveren dat verdachte een van de twee personen is geweest die bij de brandstichting in [café] betrokken is geweest, maar dat deze feiten en omstandigheden onvoldoende zijn om te kunnen concluderen dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte deze brand, al dan niet samen met een ander persoon, heeft gesticht.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal verdachte van dit feit worden vrijgesproken.

Ten aanzien van parketnummer 01/897403-14, feit 2.

Op 28 maart 2014 omstreeks 01.57 uur ontvangt de politie een melding dat er vermoedelijk wordt ingebroken in [zonnestudio], gevestigd aan de [adres 3] te Oss. Omstreeks 02.05 uur komt de politie ter plaatse en stelt een nader onderzoek in. Tijdens dit onderzoek wordt verdachte in de buurt van de zonnestudio aangetroffen. Op de oprit die toegang geeft tot parkeerplaats aan de achterzijde van het gebouwencomplex waar de zonnestudio deel van uitmaakt worden twee halve stoeptegels, twee zwarte jerrycans met een gele dop en een theedoek die naar benzine ruikt, aangetroffen. De twee jerrycans en de theedoek worden voor nader forensisch technisch onderzoek veiliggesteld.

De officier van justitie acht dit feit wettig en overtuigend bewezen. Verdachte en zijn raadsvrouwe zijn van oordeel dat verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

? De verklaring van [getuige 3] op 28 maart 2014 aan[verbalisant 9] afgelegd.

[pag. 213 en 214]:

Samen met mijn man [getuige 4] en mijn dochter van zes jaar oud, woon ik aan de [adres 8] te Oss, schuin boven de zonnestudio. Op 28 maart 2014 tussen 01.30 en 02.00 uur werd ik wakker van vage geluiden die ik buiten hoorde. Ik keek naar buiten, maar toen ik niemand zag ben ik weer naar bed gegaan. Ongeveer vijf minuten later hoorde ik een soort fluitje en vage geluiden. Nadat ik met mijn man naar beneden was gegaan, heb ik de politie gebeld. Ik zag dat mijn man uit het raam keek en ik hoorde dat hij zei dat er iemand met stoeptegels aan het sjouwen was. Ik hoorde kort daarna een auto langzaam rijden en vervolgens hoorde ik meerdere voetstappen wegrennen in de richting van de [adres 9]. Volgens mij zijn ze direct het hofje achter ons huis ingelopen omdat ik opeens geen voetstappen meer hoorde. Even later hoorde ik van de politieagent dat er jerrycans klaar stonden en dat er iemand was aangehouden. Vanochtend ging ik om 07.30 uur de deur uit. Ik zag dat het “glas-in-loodruitje” van het raam van de zonnestudio kapot was [foto pag. 209]. Ik weet zeker dat het de dag ervoor niet kapot was. Ook zag ik dat er een barst in een stoeptegel zat. Die barst zat er de dag eerder niet.

? De verklaring [getuige 4] op 28 maart 2014 aan [verbalisant 9] afgelegd.

[pag. 210]

Ik woon samen met mijn vrouw en dochter van zes jaar oud op de [adres 8] te Oss. Wij wonen boven de zonnestudio. Op vrijdag 28 maart 2014 omstreeks 02.00 uur werd ik wakker gemaakt door mijn vrouw. Toen ik naar buiten keek zag ik dat een man aan de overkant van de straat met stoeptegels aan het sjouwen was. Ik zag dat hij in de richting van de zonnestudio liep. Ik hoorde vervolgens het geluid alsof er tegels op de stoep werden gelegd. Intussen belde mijn vrouw de politie. Terwijl ik van het raam wegliep hoorde ik buiten veel stemmen. Toen ik weer uit het raam keek, zag ik dat de politie was gearriveerd. Op dat moment hoorde ik ook iemand wegrennen in de richting van de [adres 8].

? De verklaring van [getuige 5] op 28 maart 2014 aan verbalisant [verbalisant 1] afgelegd.

[pag. 207]

Ik ben eigenaar van het bedrijf [zonnestudio] gelegen aan de [adres 3] te Oss. In de nacht van 27 maart 2014 op 28 maart 2014 is er gepoogd brand te stichten in mijn bedrijf. Het bedrijf is geheel ingesloten door omliggende bedrijven en alleen te betreden via de voordeur gelegen aan de [adres 3].

? Het relaas van verbalisant [verbalisant 2].

[pag. 201, 202]

Op 28 maart omstreeks 01.57 uur kreeg ik de opdracht naar de [adres 8] te Oss te gaan omdat een meldster [= [getuige 3]] geluiden zou hebben gehoord en zou hebben gezien dat er diverse personen met stoeptegels tegen de zonnestudio aan het slaan waren. Omstreeks 02.05 uur kwam ik ter plaatse. Ik zag dat de collega’s nagenoeg tegelijkertijd uit de tegenover gestelde richting ter plaatse kwamen. Hierdoor werd er van beide zijden aangereden. De andere eenheid sprak eigenlijk direct een jonge man aan. Ik zag dat dit de enige persoon in de directe omgeving was.

Hierop heb ik direct de meldster teruggebeld. Die vertelde mij dat er een fractie voordat wij kwamen, er personen weggerend waren. Ze vertelde mij dat zij had gezien dat er een drietal personen van de overzijde van de straat kwamen. Ze hadden tegels in hun handen en liepen in de richting van de onder haar woning gelegen zonnestudio. Vervolgens kreeg ik de man van meldster [= [getuige 4]] aan de telefoon. Hij vertelde mij direct dat de mannen, een fractie voordat de politie kwam, het hofje in gerend waren wat leidt naar de achterzijde van het complex. Ik ben deze richting op gelopen. De man gaf aan dat hij één persoon bekeken had. Hij vertelde mij dat die ene persoon weliswaar donkere kleding aan had maar dat hij zeer waarschijnlijk ook een bodywarmer droeg. Hij vertelde mij dat hij een patroon had gezien die alleen op de mouwen waren.

Ik zag toen ik het hofje inliep een theedoek op de grond liggen. Ik rook de sterk indringende geur van benzine. Ik zag, toen ik verder keek, een tweetal zwarte jerrycans met een gele draaiknop staan. Tevens zag ik dat de jerrycans een meter of vijf uit elkaar stonden. Ik zag ook dat hier twee halve stoeptegels tussen lagen. Ik zag aan de krassporen op de grond dat ze er zeer recentelijk neergegooid waren. Hierop ben ik overgegaan tot het veiligstellen van de jerrycans en de theedoek voor nader sporenonderzoek.

? Het relaas van [verbalisant 3].

[pag. 199, 200 en 206]

[pag. 199 en 200] Op 28 maart 2014 om 02.05 uur bevond ik mij op de [adres 8] te Oss. Ik zag ter hoogte van de kruising [adres 3] / [adres 8] een man tegen een paaltje leunen welke ter hoogte van de zonnestudio stond. Ik ben naar de man toegelopen. Ik hoorde de man zeggen: "Ik sta hier net 1 minuut, ik moet een taxi hebben naar huis." Ik vroeg de man om een legitimatiebewijs. Ik vroeg de naam en geboortedatum van de man. Hij gaf op te zijn [verdachte], geboren [1984] [= verdachte].

Op dat moment hoorde ik van collega [verbalisant 2] dat ze aan de achterzijde van het pand waar onder andere de zonnestudio in gevestigd is, dat er twee kleine jerrycans stonden met een brandstof, en dat daar een theedoek en bakstenen bij lagen. Gezien de feiten en omstandigheden waaronder wij [verdachte] aantroffen, hebben wij hem als verdachte aangemerkt en om 02.11 uur is [verdachte] aangehouden. Later hoorde ik van collega [verbalisant 4] dat [verdachte] enkel een aansteker en een sleutelbos bij zich had.

[pag. 206] Toen ik verdachte [verdachte] aansprak zag ik dat hij een zwarte bodywarmer, een donkerblauwe bloes met witte strepen of ruiten, een blauwe spijkerbroek met opvallend lichte stiksels en zwarte schoenen droeg.

? Het relaas van [verbalisant 5]

[pag. 232, 233 en 234]

Op 28 maart 2014 te 14.29 uur heb ik een forensisch onderzoek ingesteld naar sporen in verband met een vermoedelijke poging tot brandstichting gepleegd op 28 maart 2014 te 01.55 uur. Door de lokale politie werden twee jerrycans, een kapotte bierfles en een keukendoek veiliggesteld. De doppen van de twee jerrycans werden door mij bemonsterd op de aanwezigheid van biologisch materiaal. Bij het openen van de jerrycans en bij het openen van de papieren zakken waarin de hals van de bierfles en de keukendoek veilig waren gesteld, rook ik een op brandstof gelijkende geur. Van beide jerrycans werd door mij een monster veilig gesteld en voorzien van SIN: AAHA6098NL.

? Het relaas van [verbalisant 6].

[pag. 235-240]

Op 31 maart 2014 ontving ik een jerrycan met het goednummer AAHA6098NL. Op deze jerrycan werd door mij een vingerafdruk aangetroffen. Deze vingerafdruk is voorzien van spoornummer AAGB3280NL. Dit spoor werd door mij voor vergelijkend onderzoek met de Nederlandse verzameling vingerafdrukken, op 1 april 2014 ingelezen in het landelijke systeem Havank [Het Automatisch Vinger Afdruksysteem Nederlandse Kollectie]. Uit het door het KLPD/dNRI, afdeling dactyloscopie ingestelde vergelijkend onderzoek bleek dat het spoor geïdentificeerd op de onbekende vinger, voorkomt op het vingerafdrukkenblad van [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [1984], [= verdachte].

? Het relaas van [verbalisant 7], beheerder Havank.

[pag. 237 en 238]

Met de afbeelding van het dactyloscopisch spoor, in Havank onder nummer 06010414210300000 bekend, is een vergelijkend onderzoek uitgevoerd in de verzameling referentieafdrukken in Havank. Bij de aanvraag werden de volgende gegevens vastgelegd. Datum invoer: 1 april 2014; kenmerk Havank 06010414210300000; kenmerk sporendrager: AAGB3280NL. Dit onderzoek heeft geleid tot individualisatie van het spoor op een persoon geregistreerd in Havank onder:

Biometrienummer 310000898577; SKN-nummer 8149623; incidentnummer 312002148586; naam [verdachte]; geboren te [geboorteplaats] op [1984].

De individualisatie komt voort uit afzonderlijk en onafhankelijk onderzoek door twee gecertificeerde dactyloscopische deskundigen. Uit het onderzoek blijkt dat zowel een zeer grote mate van overeenkomst is geconstateerd als de afwezigheid van onverklaarbare dactyloscopische verschillen tussen spoor 06010414210300000 en de afbeelding van de rechter middelvinger van incidentnummer 312002148586 geregistreerd in Havank onder biometrienummer 3100000898577.

? Het relaas van [verbalisant 8]

[pag. 197]

Op 15 juli 2014 werd bij de doorzoeking op het adres [adres 1] te [woonplaats] [het GBA-adres van verdachte] een theedoek aangetroffen die wat betreft grootte, kleur en print overeenkomt met de theedoek welke op de plaats van de brandstichting bij de zonnestudio in Oss werd aangetroffen.

Het oordeel van de rechtbank.

Op grond van de inhoud van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen, stelt de rechtbank vast dat, meteen na de melding dat vermoedelijk werd getracht in te breken in [zonnestudio], verdachte in de directe omgeving van de zonnestudio is aangetroffen. De [getuige 4] ziet kort daarvoor een persoon wegrennen. Op de door hem aangegeven vluchtroute treft de politie een jerrycan aan waarop een vingerafdruk van verdachte wordt aangetroffen. Verdachte kan niet verklaren hoe zijn vingerafdruk op die jerrycan terecht is gekomen. Tevens treft de politie een theedoek aan die identiek is aan de theedoek aanwezig op het GBA-adres van verdachte. De kleding die verdachte draagt op het moment dat hij wordt aangetroffen, komt overeen met de kleding die de persoon droeg die de [getuige 4] net daarvoor telefonisch aan verbalisant [verbalisant 2] had beschreven. Als verdachte wordt aangehouden wordt bij hem alleen een aansteker en een sleutelbos aangetroffen.

Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden concludeert de rechtbank dat verdachte op 28 maart 2014 omstreeks 02.00 uur bij [zonnestudio] in Oss is geweest, dat verdachte de door de politie aangetroffen jerrycans en de theedoek in de onmiddellijke nabijheid van de zonnestudio heeft neergezet en dat verdachte in het bezit was van een aansteker. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van het hiervoor beschreven handelen van verdachte en de daarbij gebruikte voorwerpen, concludeert de rechtbank dat verdachte het doel voor ogen had in [zonnestudio] brand te stichten.

Verdachte heeft blijkens het relaas van [verbalisant 3] (p. 199) en ook ter terechtzitting verklaard dat hij op het moment dat hij door de politie werd aangehouden op een taxi stond te wachten om naar Eindhoven te worden gebracht nadat verdachte met zijn vriendin in Oss uit was geweest. Verdachte heeft de naam van zijn vriendin niet willen noemen en stelt dat de naam van het taxibedrijf dat hem naar Eindhoven zou vervoeren, hem niet bekend is omdat – aldus verdachte – deze taxi door personeel van een café in de buurt zou zijn gebeld. Deze stelling is door of namens verdachte op geen enkele wijze onderbouwd. Bovendien blijkt dat verdachte bij zijn aanhouding geen geld bij zich had om de taxi te kunnen betalen. De verklaring die verdachte over dit feit en met name over zijn aanwezigheid ter plaatse heeft afgelegd, acht de rechtbank niet geloofwaardig.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte voorbereidingshandelingen heeft getroffen om brand te stichten in [zonnestudio] gelegen aan de [adres 3] te Oss.

Ten aanzien van parketnummer 01/897403-14, feit 3.

Op 13 juli 2014 omstreeks 00.30 uur is de auto van aangever [getuige 2] in brand gestoken terwijl die auto stond geparkeerd voor zijn woning gelegen aan de [adres 4] te [woonplaats]. Uit de afgeluisterde gesprekken van de telefoon van verdachte blijkt dat verdachte op 12 juli 2014 om 23.07 uur wordt gebeld door [persoon 1] en dat zij de afspraak maken dat verdachte naar [persoon 1] zal komen omdat [persoon 1] verdachte ergens naar toe moet brengen. Vervolgens blijkt uit het onderzoek dat de telefoon van verdachte zich verplaatst en dat die telefoon op 13 juli 2014 te 00.26 uur een zendmast aanstraalt in Helmond. Hierna wordt verdachte op 13 juli 2014 omstreeks 13.04 uur gebeld door een onbekende man. Deze man zegt dat verdachte zijn werk niet goed heeft gedaan, dat verdachte zich aan zijn opdracht moet houden, dat iets 0% had moeten zijn, maar dat het nog 100% is. Verdachte geeft dan aan dat hij er wel geweest is, dat de man zich geen zorgen hoeft te maken en dat ze morgen nog een keer rijden. Tenslotte wordt verdachte op 13 juli 2014 om 13.28 uur weer gebeld door [persoon 1]. Zij bespreken dat verdachte nog ergens naar toe moet, waarbij verdachte aangeeft dat hij al iemand anders langs heeft gestuurd. [persoon 1] zegt dan “er is niets te zien man, ze hebben iets gedaan wat niet gelukt is”, waarna verdachte zegt dat er helemaal niets te zien is en dat “het gewoon is uitgegaan”.

De officier van justitie concludeert uit deze tapgesprekken dat [persoon 1] en verdachte over een brandstichting spreken. [persoon 1] is niet gehoord en verdachte heeft ontkend dat hij in de hiervoor genoemde gesprekken over een brandstichting heeft gesproken. Bij raadpleging van de BHV-gegevens blijkt dan dat de brand in de auto van [getuige 2] die nacht de enige brandstichting in de regio Eindhoven/Helmond is geweest. Uit de webhistorie van de bij verdachte in gebruik zijnde telefoon blijkt vervolgens dat verdachte op 13 juli 2014 tussen 03.01 uur en 03.52 uur drie keer via Google heeft gezocht op alarmmeldingen in Eindhoven. Hieruit concludeert de officier van justitie dat verdachte heeft nagezocht wat er over de door hem gestichte brand bekend was.

Uit het onderzoek ter terechtzitting van 28 oktober 2014 en van 13 januari 2015 en uit de inhoud van het procesdossier is niet gebleken van andere feiten of omstandigheden waaruit aannemelijk zou kunnen worden dat verdachte bij deze brandstichting betrokken is geweest.

De rechtbank acht de hiervoor genoemde bewijsmiddelen onvoldoende om daaruit te concluderen dat verdachte enige betrokkenheid heeft gehad bij de brandstichting van de auto van aangever [getuige 2]. Verdachte zal ook van dit feit worden vrijgesproken.

Ten aanzien van parketnummer 01/860490-14.

Op 13 september 2013 omstreeks 01.17 uur komt bij de politie de melding binnen van een autobrand aan de [adres 10] te Eindhoven. Als de politie ter plaatse komt, treffen zij een brandende Volkswagen Golf aan. Op dat moment komt ook de melding binnen dat in de onmiddellijke nabijheid, op de[adres 11], nog een brandende auto is aangetroffen. Op de[adres 11] constateert de politie dat van de daar brandende auto, het linkerraam aan de bestuurderszijde kapot is en dat er vlammen uit dat raam komen. Ongeveer acht meter achter deze auto wordt een zwart lederen handschoen, een witte dop en een linnen tas van Albert Heyn aangetroffen. Deze voorwerpen zijn veilig gesteld en voor nader onderzoek aan het NFI gezonden. Uit de bemonstering van het NFI blijkt dat op de handschoen een DNA-profiel dat matcht met het DNA-profiel van verdachte is aangetroffen. Het onderzoek van de dop en de tas heeft niets opgeleverd. Verdachte heeft geen verklaring willen afleggen over deze brandstichtingen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting van 13 januari 2015 en uit de inhoud van het procesdossier is niet gebleken van andere feiten of omstandigheden waaruit aannemelijk zou kunnen worden dat verdachte bij deze brandstichting betrokken is geweest.

De rechtbank acht de hiervoor genoemde bewijsmiddelen onvoldoende om daaruit te concluderen dat verdachte enige betrokkenheid heeft gehad bij de brandstichting van de auto van aangever [getuige 2]. Verdachte zal ook van dit feit worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat het navolgende feit wettig en overtuigend is bewezen.

Ten aanzien van parketnummer 01/879403-14, feit 2.

Verdachte heeft op 28 maart 2014 te Oss, ter voorbereiding van het misdrijf brandstichting, strafbaar gesteld in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht, in/van [zonnestudio], gevestigd [adres 3] aldaar, opzettelijk een of meer halve stoeptegels, bestemd om een of meer ruiten in te gooien/slaan bij die zonnestudio en jerrycans gevuld met een brandbare vloeistof en een doek, doordrenkt met een brandbare vloeistof, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie acht alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen en vordert dat verdachte daarvoor zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht jaar. De in beslag genomen theedoek en schoenen kunnen aan beslagene terug worden gegeven.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Voor het geval de rechtbank tot een veroordeling mocht komen, heeft de verdediging bepleit dat verdachte zo snel mogelijk in vrijheid wordt gesteld.

Het oordeel van de rechtbank.

Algemeen

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

In het nadeel van verdachte weegt mee

De rechtbank rekent verdachte het bewezen verklaarde feit, te weten de voorbereiding van een brandstichting in een bewoond pand, zwaar aan . Het is niet aan verdachte te danken geweest dat zijn voorbereidingen uiteindelijk niet in een daadwerkelijke brandstichting hebben geresulteerd. Als de brandstichting wel zou hebben plaatsgevonden en het pand van de zonnestudio vlam zou hebben gevat, had daardoor een zeer gevaarlijke situatie kunnen ontstaan voor de personen die in de appartementen boven de zonnestudio woonachtig waren. Vuur gedraagt zich immers onvoorspelbaar. Een delict als het onderhavige veroorzaakt veel maatschappelijke onrust en leidt tot toename van gevoelens van angst en onveiligheid onder burgers.

Daarnaast is verdachte in het verleden tot langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraffen veroordeeld voor ernstige geweldsdelicten. Kennelijk neemt verdachte het niet zo nauw met de lichamelijke integriteit van personen en houdt hij op geen enkele wijze rekening met de mogelijke gevolgen van zijn handelen voor de eigendommen of de persoonlijke veiligheid van anderen.

In het voordeel van verdachte weegt mee

Verdachte is niet eerder voor voorbereiding van, poging tot of voltooide brandstichting veroordeeld.

De strafmodaliteit

De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.

Conclusie

Alle feiten en omstandigheden tegen elkaar afwegend, is de rechtbank van oordeel dat veroordeling van verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 30 maanden, passend en geboden is.

Beslag.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen in beslag genomen voorwerpen aan beslagene nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.

Voorlopige hechtenis.

Ter terechtzitting van 13 januari 2015 heeft de raadsvrouwe van verdachte de onmiddellijke invrijheidstelling van verdachte verzocht. Gelet op het hiervoor bewezen verklaarde feit en de duur van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf die daarvoor aan verdachte zal worden opgelegd, wijst de rechtbank dat verzoek af.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 27, 46 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

Spreekt verdachte vrij van de onder parketnummer 01/879403-14, feiten 1 en 3 en onder parketnummer 01/860490-14 ten laste gelegde feiten.

Verklaart het onder parketnummer 01/879403-14 onder feit 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het onder parketnummer 01/879403-14 onder feit 2 bewezen verklaarde feit levert op het misdrijf:

Voorbereiding van brandstichting.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

Ten aanzien van parketnummer 01/879403-14, feit 2.

? Gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze gevangenisstraf in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenis-straf geheel in mindering zal worden gebracht

Gelast de teruggave aan beslagene van de onder hem in beslag genomen theedoek met als opdruk een koeienmotief [goednummer 673421 – pag. 73] en een paar zwarte Nike sportschoenen [goednummer 811228 – pag. 75].

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W. Schoorlemmer, voorzitter,

mr. I.L.A. Boer en mr. M. Senden, leden,

in tegenwoordigheid van H.A. van Neerven, griffier,

en is uitgesproken op 27 januari 2015.

Tenzij anders vermeld wordt verwezen naar de paginanummers uit het proces-verbaal van de politie eenheid Oost-Brabant, districtelijke opsporing Maasland, nummer PL21MAA14007-248, afgesloten op 4 oktober 2014, aantal doorgenummerde bladzijden: 246.