Strafrecht overig
Verdachte is veroordeeld voor het exploiteren van een hennepkwekerij. Het voordeel wat hij daarmee heeft…
Rechtbank Oost-Brabant, 2 augustus 2016
ECLI:NL:RBOBR:2016:4125 · Rechtbank Oost-Brabant · 2 augustus 2016
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-oost-brabant/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbobr-2016-4125
Zaakgegevens
Op 2 augustus 2016 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Oost-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 2 augustus 2016
- Datum publicatie
- 1 augustus 2016
- Zaaknummer
- 01/993242-16 ontn
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOBR:2016:4125
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verdachte is veroordeeld voor het exploiteren van een hennepkwekerij. Het voordeel wat hij daarmee heeft verkregen schat de rechtbank op € 120.632,46. Dit bedrag wordt verdachte ontnomen.
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar]vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Team strafrecht
Parketnummer ontneming: 01/993242-16 Datum uitspraak: 02 augustus 2016
Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[veroordeelde] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1968] ,
zonder bekende woon- of verblijfplaats.
Onderzoek van de zaak:
De vordering van de officier van justitie strekt tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 120.632,46 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit vonnis is bij verstek gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 juli 2016.
De beoordeling
Bij vonnis van 2 augustus 2016 is [veroordeelde] onder meer veroordeeld voor het telen van 441 hennepplanten. Uit de inhoud van het procesdossier en met name uit de daarin opgenomen bevindingen van verbalisanten en de verklaring die [veroordeelde] aan de politie heeft afgelegd, blijkt dat [veroordeelde] buiten de in dat vonnis bewezen verklaarde periode van 1 januari 2016 tot en met 4 april 2016, ook in de periode van 1 maart 2015 tot 1 januari 2016 in deze hennepkwekerij meerdere oogsten heeft gerealiseerd.
Gelet op het bepaalde in artikel 36e, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht kan aan [veroordeelde] de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk voordeel verkregen uit het feit waarvoor hij bij voormeld vonnis is veroordeeld en het wederrechtelijk verkregen voordeel wat hij uit andere strafbare feiten heeft verkregen, voor zover zulks uit het onder ter terechtzitting aannemelijk is geworden.
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat [veroordeelde] voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het feit ter zake waarvan hij is veroordeeld en door middel van het plegen van andere strafbare feiten. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat dit voordeel € 120.632,46 bedraagt. Dit wederrechtelijk verkregen voordeel zal [veroordeelde] worden ontnomen.
Toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
De uitspraak
? Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
€ 120.632,46 (honderdtwintigduizend zeshonderd tweeëndertig euro en zesenveertig eurocent).
? Legt aan [veroordeelde] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 120.632,46 (honderdtwintigduizend zeshonderd tweeëndertig euro en zesenveertig eurocent) ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, dat hij, door middel van of uit de baten van het feit ter zake waarvan hij is veroordeeld en uit andere strafbare feiten heeft verkregen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. T. van de Woestijne, voorzitter,
mr. I.L.A. Boer en mr. L.G.J.M. van Ekert, leden,
in tegenwoordigheid van H.A. van Neerven, griffier,
en is uitgesproken op 2 augustus 2016.