Strafrecht overig
De verdachte wordt veroordeeld voor het overtreden van artikel 6 WVW 1994. Als beroepschauffeur veroorzaakte…
Rechtbank Oost-Brabant, 4 augustus 2026
ECLI:NL:RBOBR:2026:5568 · Rechtbank Oost-Brabant · 4 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-oost-brabant/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbobr-2026-5568
Zaakgegevens
Op 4 augustus 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Oost-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 4 augustus 2026
- Datum publicatie
- 4 augustus 2026
- Zaaknummer
- 01.331702.25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOBR:2026:5568
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De verdachte wordt veroordeeld voor het overtreden van artikel 6 WVW 1994. Als beroepschauffeur veroorzaakte hij een ernstig verkeersongeval waarbij een zwaargewonde te betreuren was. Omdat de verdachte gedurende langere tijd zicht had op het verkeer voor hem maar niet tijdig remde en achterop een stilstaande auto reed die af wilde slaan is er sprake van aanmerkelijke schuld. De rechtbank legt hem een geldboete op van € 2.500,00, subsidiair 25 dagen hechtenis, te betalen in 10 termijnen en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaren.
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.331702.25
Datum uitspraak: 4 augustus 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [1960] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 21 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 18 juni 2026. De tenlastelegging is op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 21 juli 2026 gewijzigd. Van deze vordering is een kopie als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht. Met inachtneming van deze wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 12 mei 2025 te Sint Anthonis, gemeente Land van Cuijk, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een vrachtwagen, daarmede rijdende over de weg, de Boxmeerseweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend:
- tijdens het besturen van de vrachtwagen (gedurende enige tijd) zijn aandacht niet steeds op de weg gevestigd te hebben en/of te houden en/of niet voldoende aandacht voor het verkeer te hebben en/of de veiligheid ter plaatse en/of niet voldoende op te letten en/of
- de door hem, verdachte, bestuurde vrachtwagen niet, althans niet voortdurend, onder controle heeft gehad/gehouden en/of
- (daarbij) niet of in onvoldoende mate heeft gelet op het direct voor hem gelegen weggedeelte van die weg en/of
- (vervolgens) niet af te remmen en/of niet uit te wijken voor een voor hem stilstaande/voorsorterende personenauto en/of
- waarna (vervolgens) verdachte met zijn vrachtwagen tegen die stilstaande personenauto is aangereden, welke personenauto ten gevolge van die aanrijding is doorgeschoven op de rijbaan van het tegemoetkomend verkeer en daar in botsing is gekomen met een
tegemoetkomende (bedrijfs)bus,
waardoor aan een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een wond op het achterhoofd, een schedelbreuk, een viertal, althans meerdere, gebroken ruggenwervels en/of een kneuzing van het hart, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 12 mei 2025 te Sint Anthonis, gemeente Land van Cuijk, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een vrachtwagen), op de voor het verkeer openbare weg, de Boxmeerseweg,
- (gedurende enige tijd) zijn aandacht niet steeds op de weg gevestigd heeft gehouden en/of niet voldoende aandacht heeft gehad voor het verkeer en/of de veiligheid ter plaatse en/of niet voldoende heeft opgelet en/of
- de door hem, verdachte, bestuurde vrachtwagen niet, althans niet voortdurend, onder controle heeft gehad/gehouden en/of
- (daarbij) niet of in onvoldoende mate heeft gelet op het direct voor hem gelegen weggedeelte van die weg en/of
- (vervolgens) niet heeft afgeremd en/of niet heeft uitgeweken voor een voor hem stilstaande /voorsorterende personenauto en/of
- waarna (vervolgens) verdachte met zijn vrachtwagen tegen die stilstaande personenauto is aangereden, welke personenauto ten gevolge van die aanrijding is doorgeschoven op de rijbaan van het tegemoetkomend verkeer en daar in botsing is gekomen met een tegemoetkomende (bedrijfs)bus,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.
Indien tegen dit verkort vonnis beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Bewijsoverweging.
De verkeersgedragingen en feitelijkheden
Op 12 mei 2025 reed de verdachte als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een vrachtwagencombinatie (trekker) over de Boxmeerseweg in Sint Anthonis, gemeente Land van Cuijk. De verdachte kwam uit de richting van Sint Anthonis en ging in de richting van Boxmeer. Op de Boxmeerseweg zijn ter hoogte van perceel 25 een tankstation en een bedrijfsterrein gevestigd. Voor deze afslag stond in dezelfde rijrichting als de verdachte reed, slachtoffer [slachtoffer] met zijn personenauto stil om tegemoetkomend verkeer voor te laten gaan, en daarna linksaf te kunnen slaan richting het bedrijfsterrein. Hij had daarvoor zijn richtingaanwijzer aangezet. De verdachte heeft te laat opgemerkt dat de personenauto van het slachtoffer op de weg stilstond en reed met de voorzijde van zijn vrachtauto tegen de rechterachterzijde van die personenauto. Hierdoor schoot de personenauto van het slachtoffer vooruit en belandde op de rijstrook voor de tegenliggers. Hier reed op dat moment getuige [getuige] met zijn bedrijfsbus , komende uit de richting van Boxmeer. De bedrijfsbus werd door de personenauto van het slachtoffer geraakt en belandde door die aanrijding op de zijkant. Als gevolg van de botsing tussen de vrachtwagen van de verdachte en de personenauto van het slachtoffer en de daaropvolgende botsing van de personenauto met de bedrijfsbus van [getuige] , heeft het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel bekomen, te weten een wond aan het achterhoofd, een schedelbreuk, meerdere gebroken rugwervels en een kneuzing van het hart.
Schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994
De rechtbank moet de vraag beantwoorden of de verdachte zich zodanig heeft gedragen dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994). Dit betekent dat er op zijn minst sprake moet zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Een lichtere vorm van schuld is hiervoor onvoldoende. Niet elk tekortschieten, niet elke verkeersovertreding, is voldoende voor het aannemen van schuld in de zin van voornoemd artikel.
Bij het vaststellen van aanmerkelijke onvoorzichtigheid en/of onoplettendheid – de lichtste vorm van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 – gaat het om de vraag of de verdachte objectief gezien een ernstige fout heeft gemaakt dan wel zijn rijgedrag aanmerkelijk onder de maat is gebleven van wat van een bestuurder van een motorrijtuig wordt geëist.
Bij de beoordeling van de schuldvraag komt het, volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Bovendien verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.
De schuldvraag
De verdachte was als bestuurder verantwoordelijk voor het veilig deelnemen aan het verkeer.
Als feitelijke verwijten op basis waarvan de schuld kan worden vastgesteld is in de tenlastelegging opgenomen dat verdachte a) (gedurende enige tijd) zijn aandacht niet voortdurend op de weg en het verkeer voor hem heeft gehouden, b) de door hem bestuurde vrachtwagen niet (voortdurend) onder controle heeft gehad, c) niet of in onvoldoende mate heeft gelet op het direct voor hem gelegen weggedeelte en d) niet heeft afgeremd of uitgeweken voor de stilstaande personenauto.
De raadsman heeft onder meer aangevoerd dat schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 niet kan worden bewezen verklaard, omdat er bij de verdachte (kort gezegd) louter sprake is geweest van een kort moment van verstoorde waarneming.
Door de verdachte is ter terechtzitting verklaard dat hij de auto van het slachtoffer en andere auto’s voor hem heeft gezien toen hij vanaf de rotonde de Boxmeerseweg opreed en dat hij zag dat die auto’s in de verte van hem wegreden. Hij zag op enig moment dat de auto’s weer dichterbij kwamen, maar heeft te laat opgemerkt dat de auto van het slachtoffer op de weg tot stilstand was gekomen. Eerst op het moment dat hij besefte dat de auto stilstond, heeft hij vol geremd en geprobeerd uit te wijken naar een rechts naast de rijbaan gelegen fietspad. Bij die manoeuvre heeft hij de personenauto geraakt. Uiteindelijk heeft hij de vrachtwagen op het fietspad tot stilstand kunnen brengen.
De rechtbank overweegt als volgt.
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat er van roekeloosheid aan de zijde van de verdachte geen sprake is geweest, zodat de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging partieel moet worden vrijgesproken.
De weg waarop het ongeval plaatsvond betrof een rechte weg. Het weer was ten tijde van het ongeval zonnig, droog en helder en het wegdek was droog. Naar eigen zeggen was de verdachte goed bekend met de weg en wist hij dat de Boxmeerseweg ter hoogte van het tankstation en het bedrijfsterrein een gevaarlijk punt was.
De rechtbank overweegt dat onder het vierde gedachtestreepje van de tenlastelegging is opgenomen dat de verdachte niet heeft afgeremd en niet is uitgeweken voor de voor hem stilstaande personenauto. De rechtbank overweegt in dit kader dat op basis van de sporen en de tachograafdata is komen vast te staan dat de verdachte niet tijdig heeft geremd om een botsing met het voertuig voor hem te voorkomen. Uit onderzoek van de data van de tachograaf volgt dat de verdachte tussen 07:56:16 uur en 07:56:35 uur reed met een minimale snelheid van 82 km/u (22,78 m/s) en met een maximale snelheid van 86 km/u (23,89 m/s). Om 07:56:36 trad plotseling een grote vertraging op, waarbij de snelheid vertraagde van 83 km/u naar 9 km/u in vijf seconden om vervolgens na nog zes seconden geheel tot stilstand te komen. De rechtbank kan aldus niet bewijzen dat de verdachte in het geheel niet heeft geremd. Daarnaast overweegt de rechtbank dat op de camerabeelden waarneembaar is dat de personenauto rechtsachter wordt geraakt, hetgeen impliceert dat de vrachtwagen nog een uitwijkmanoeuvre heeft gemaakt. Deze uitwijking is weliswaar niet tijdig geweest om het ongeluk te voorkomen, maar de rechtbank kan niet bewijzen dat de verdachte in het geheel niet heeft uitgeweken voor de personenauto. De rechtbank zal de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging partieel zal vrijspreken.
Evenmin acht de rechtbank bewezen dat de verdachte zijn vrachtwagen niet of niet voortdurend onder controle heeft gehad of gehouden, zoals de verdachte onder het derde gedachtestreepje is ten laste gelegd, zodat de verdachte ook van dit onderdeel van de tenlastelegging partieel zal worden vrijgesproken
De rechtbank overweegt dat de verdachte, zeker gezien zijn hoge zitpositie in de vrachtwagen, de stilstaande personenauto tijdig had moeten kunnen opmerken als hij zijn aandacht op het verkeer gericht had gehad en gehouden. De oorzaak van het ongeval is gelegen in de onoplettendheid van de verdachte. Anders dan de raadsman heeft bepleit, is de rechtbank van oordeel dat deze onoplettendheid langer dan een kort moment heeft geduurd. Hierbij weegt de rechtbank mee dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de auto al ongeveer zeven seconden stilstond. De mogelijke omstandigheid dat op het moment van de botsing de remlichten van de personenauto niet meer uitstraalden, zoals door de verdachte is aangevoerd, maakt dit oordeel van de rechtbank niet anders, temeer omdat het knipperlicht voor linksaf wel was geactiveerd.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte té lang zijn aandacht niet bij de weg en het overige verkeer heeft gehouden. Van de verdachte, die vrachtwagenchauffeur van beroep is, mag een grotere mate van zorgvuldigheid worden verlangd dan van een gemiddelde, ervaren weggebruiker. Een vrachtwagen is immers een zwaar voertuig dat een langere remweg heeft en in geval van een aanrijding aanzienlijk meer schade kan veroorzaken dan een personenauto. Op een professioneel vrachtwagenchauffeur rust een bijzondere verantwoordelijkheid om tijdig te kunnen anticiperen op wat zich voordoet in het verkeer, met het oog op andere kwetsbaardere verkeersdeelnemers.
Alles overziend, heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank niet de nodige oplettendheid betracht met een ernstig ongeval tot gevolg. Dit is aan de verdachte toe te rekenen. De verdachte is tekortgeschoten in de op hem rustende zorgplicht om in het verkeer oplettend te zijn. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte zich, met het voorgaande weggedrag, aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen en daarmee schuld heeft aan het ongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994.
Conclusie
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring.
De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte
(primair)
op 12 mei 2025 te Sint Anthonis, gemeente Land van Cuijk, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een vrachtwagen, daarmede rijdende over de weg, de Boxmeerseweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend:
- tijdens het besturen van de vrachtwagen gedurende enige tijd zijn aandacht niet steeds op de weg gevestigd te hebben en te houden en niet voldoende aandacht voor het verkeer te hebben en de veiligheid ter plaatse en niet voldoende op te letten en
- daarbij niet of in onvoldoende mate heeft gelet op het direct voor hem gelegen weggedeelte van die weg
- waarna verdachte met zijn vrachtwagen tegen die stilstaande personenauto is aangereden, welke personenauto ten gevolge van die aanrijding is doorgeschoven op de rijbaan van het tegemoetkomend verkeer en daar in botsing is gekomen met een tegemoetkomende bedrijfsbus,
waardoor aan een ander, genaamd [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, te weten een wond op het achterhoofd, een schedelbreuk, meerdere gebroken ruggenwervels en een kneuzing van het hart.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
De strafbaarheid van de verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft ten aanzien van het primaire feit gevorderd:
-
een geldboete van € 2.500,- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 dagen hechtenis;
-
een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage 2 aan dit vonnis gehecht.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straffen die aan de verdachte dienen te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door de verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte waaronder zijn draagkracht.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft als bestuurder van een vrachtwagen aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gereden. Hij heeft bij het naderen van een bekende en gevaarlijke verkeerssituatie een stilstaande personenauto niet tijdig opgemerkt en is zonder tijdig te remmen tegen die personenauto gereden. Hierdoor heeft slachtoffer [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel opgelopen.
Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf heeft de rechtbank naast de ernst van het feit ook gekeken naar de volgende aspecten.
De rechtbank overweegt dat de oriëntatiepunten straftoemeting, zoals deze zijn vastgesteld in het landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de rechtbanken en gerechtshoven, in het geval van aanmerkelijke schuld waarbij zwaar lichamelijk letsel het gevolg is en waarbij geen alcoholgebruik in het spel is, een onvoorwaardelijke taakstraf van 120 uren en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van zes maanden als uitgangspunt nemen.
In het voordeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat de verdachte er blijk van heeft gegeven dat hij de ernst van het door hem aan het slachtoffer aangedane leed inziet. Uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte verschillende malen contact heeft gehad met het slachtoffer en diens echtgenote en dat hij ook thuis bij het slachtoffer op bezoek is geweest. Ook weegt de rechtbank mee dat verdachte al zijn hele leven beroepschauffeur is en nimmer een ernstig verkeersongeval heeft veroorzaakt.
Door de verdachte is ter terechtzitting verklaard dat hij sinds 2020 rugproblemen ervaart ten gevolge waarvan hij tegenwoordig drie dagen per week werkt. Ook is bij hem enkele maanden geleden prostaatkanker vastgesteld. Hiervoor zal hij vanaf augustus 2026 moeten worden bestraald.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat er sprake is van schuld in de vorm van aanmerkelijke onvoorzichtigheid en onoplettendheid. Dit is, in de zin van artikel 6 WVW 1994, de laagste schuldgradatie. De rechtbank weegt dit mee in de strafmaat.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat in de hiervoor beschreven persoonlijke omstandigheden ten aanzien van deze verdachte in strafmatigende zin dient te worden afgeweken van het voormelde oriëntatiepunt. Gelet op de persoonlijke omstandigheden is een taakstraf mogelijk lastig uitvoerbaar. De rechtbank acht het daarom passend om aan de verdachte een geldboete op te leggen. De rechtbank acht daarnaast een stevige waarschuwing in de zin van een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid passend en geboden. De rechtbank ziet geen redenen om af te wijken van de eis van de officier van justitie en volgt deze. De rechtbank zal aan de verdachte een geldboete van
€ 2.500,00 te vervangen door 25 dagen hechtenis opleggen. Betaling in termijnen is hierbij toegestaan. Daarnaast zal aan de verdachte een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaar worden opgelegd.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24a en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
De uitspraak
De rechtbank:
verklaart het primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor primair bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart dat het primair bewezen verklaarde oplevert het misdrijf:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht;
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;
legt op de volgende straf:
*een geldboete van € 2.500,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 dagen hechtenis;
bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in 10 termijnen van elk € 250,00 per maand;
legt op de volgende bijkomende straf:
* een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden;
bepaalt dat deze ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op de grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M. Kleijn Hesselink, voorzitter,
mr. J.G. Vos en mr. S.V. Vullings, leden,
in tegenwoordigheid van mr. I.J.M. Weemers, griffier,
en is uitgesproken op 4 augustus 2026.