Strafrecht overig

Mishandeling en eendaadse samenloop van poging doodslag en openlijke geweldpleging tegen personen…

Rechtbank Oost-Brabant, 11 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 11 augustus 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11 augustus 2026
Datum publicatie
12 augustus 2026
Zaaknummer
01-061456-24
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2026:5727
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Mishandeling en eendaadse samenloop van poging doodslag en openlijke geweldpleging tegen personen. Gevangenisstraf 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, proeftijd 2 jaar.

Uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummers: 01-061456-24 en 01-147082-23 (ter terechtzitting gevoegd)

Datum uitspraak: 11 augustus 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,

wonende te [woonplaats] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 juli 2026.

Op deze zitting heeft de rechtbank de tegen de verdachte, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 14 juli 2026 en 15 juli 2026.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

t.a.v. 01-061456-24 (hierna: dagvaarding I)

Feit 1:

hij op of omstreeks 9 februari 2024 te ’s-Hertogenbosch ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, (met geschoeide voet) tegen het hoofd en/of het gezicht heeft getrapt/heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 9 februari 2024 te ’s-Hertogenbosch ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (met geschoeide voet) tegen het hoofd en/of het gezicht heeft getrapt/heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 9 februari 2024 te ’s-Hertogenbosch openlijk, te weten, op of aan de Stationsweg en/of het Stationsplein, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 1] , door (met geschoeide voet) tegen het hoofd en/of het gezicht van die [slachtoffer 1] te schoppen/te trappen;

Feit 2:

hij op of omstreeks 9 februari 2024 te ’s-Hertogenbosch openlijk, te weten, op of aan de Stationsweg en/of het Stationsplein, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meerdere personen, te weten [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] , door een of meermalen

- te slaan,

- te schoppen en/of

- aan de haren van die [slachtoffer 2] te trekken;

t.a.v. 01-147082-23 (hierna: dagvaarding II)

hij op of omstreeks 17 juni 2023 te ’s-Hertogenbosch [slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 3] (met kracht) een kopstoot tegen het hoofd te geven.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsvraag.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Ten aanzien van het bij dagvaarding I onder feit 1 ten laste gelegde heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het primair ten laste gelegde, te weten poging tot doodslag.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft ten aanzien van het bij dagvaarding I onder feit 1 primair ten laste gelegde vrijspraak bepleit. Voor het overige heeft de verdediging geen bewijsverweer gevoerd. Op specifieke standpunten gaat de rechtbank hierna in, voor zover dat nodig is.

Het oordeel van de rechtbank.

Bewijsmiddelen.

De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Bewijsoverwegingen

1. Dagvaarding I

1.1

Het incident

Op 9 februari 2024 heeft omstreeks 21:15 uur op de Stationsweg in ‘s-Hertogenbosch, ter hoogte van de avondwinkel, een geweldsincident plaatsgevonden tussen twee personen enerzijds en [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) anderzijds. Het incident is vastgelegd op camerabeelden afkomstig van de avondwinkel. In de beschrijving van de camerabeelden door de politie, is onder meer opgenomen dat te zien is dat er een vechtpartij gaande is, waarbij één persoon (later blijkend: medeverdachte [medeverdachte] , hierna: [medeverdachte]) [slachtoffer 2] tegen haar hoofd slaat. Op het moment dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] weglopen, wordt [slachtoffer 1] van achter tweemaal tegen zijn hoofd geslagen door diezelfde persoon ( [medeverdachte] ), waardoor [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] ten val komen en op de grond belanden. Hij ( [medeverdachte] ) slaat dan nog driemaal met kracht in de richting van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , terwijl deze nog op de grond liggen. Op het moment dat [slachtoffer 1] overeind probeert te komen, schopt de andere persoon (later blijkend: de verdachte) met kracht, in zijn richting, waardoor hij weer ten val komt. Hij poogt een tweede maal overeind te komen, waarna diezelfde persoon wederom met kracht een schop geeft. [slachtoffer 1] valt hierdoor terug op straat en blijft bewegingloos liggen.

1.2

Betrokkenheid van de verdachte

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of de verdachte één van de personen is geweest die zich schuldig heeft gemaakt aan de geweldshandelingen. Zij overweegt hierover het volgende.

Getuige [getuige 1] heeft (ook) camerabeelden gemaakt van het incident. Hierop is te zien dat één persoon bewegingloos op het trottoir ligt op de Stationsweg en dat twee personen wegrennen in de richting van het centraal station van ’s-Hertogenbosch. Medeverdachte [medeverdachte] is op basis van zijn signalement om 21:21 uur diezelfde avond aangehouden voor het station en is herkend op deze camerabeelden. De andere persoon op de door [getuige 1] gemaakte camerabeelden had een traditionele carnavalsjas aan met een groot logo op de achterzijde met een specifiek erekoord eraan, en een sjaal die bijna op de grond bungelde. Door de politie is op de camerabeelden van het station waargenomen dat kort na het incident, omstreeks 21:15 uur, een persoon met diezelfde kenmerken met de roltrap naar boven kwam en staande werd gehouden door het NS-personeel en een medewerker van handhaving van de gemeente. De gegevens van deze persoon zijn vastgelegd en het bleek dat deze gegevens betrekking hadden op de verdachte.

Op de camerabeelden van de avondwinkel is te zien dat bij de persoon die tweemaal schopt iets langwerpigs en lichtkleurigs onder de jas vandaan kwam van de persoon die [slachtoffer 1] tweemaal met kracht heeft geschopt. Ter terechtzitting zijn deze beelden vertoond en is door de rechtbank waargenomen dat de kleding en haardracht van de persoon die het slachtoffer schopt overeenkomt met de haardracht en kleding van verdachte ten tijde van zijn staande houding (foto’s in dossier.

De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij zich op 9 februari 2024 tezamen met medeverdachte [medeverdachte] in ’s-Hertogenbosch bevond, maar dat hij zich door zijn alcoholgebruik niets van het geweldsincident kan herinneren. Hij herkent zichzelf wel op de camerabeelden van getuige [getuige 1] , waarop te zien is dat hij samen met medeverdachte [medeverdachte] wegrent, alsmede op de camerabeelden van het station.

Gelet op het voorgaande, en in het bijzonder de op alle camerabeelden terugkomende uiterlijke kenmerken, stelt de rechtbank vast dat de verdachte de persoon is geweest die blijkens de camerabeelden afkomstig van de avondwinkel tweemaal in de richting van [slachtoffer 1] heeft geschopt.

1.3

Poging tot doodslag?

De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of het handelen van de verdachte gekwalificeerd kan worden als een poging tot doodslag. Hiervoor moet worden vastgesteld of de verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] .

Voor het voorwaardelijk opzet geldt dat bewezen zal moeten worden dat de verdachte met zijn gedragingen willens en wetens de aanmerkelijke kans op het intreden van de dood van [slachtoffer 1] heeft aanvaard. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans op het gevolg die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Vaststaat dat de verdachte tweemaal met kracht richting het hoofd van [slachtoffer 1] heeft geschopt terwijl deze op de grond lag en overeind wilde komen. Gelet op het feit dat [slachtoffer 1] na die schoppen tweemaal ten val is gekomen en uiteindelijk bewusteloos op de weg bleef liggen , nadat de verdachte in zijn richting had geschopt, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte hem daadwerkelijk met geschoeide voet in het gezicht heeft geraakt. Daar komt bij dat getuige [getuige 2] één van de schoppen heeft waargenomen en heeft verklaard dat de verdachte [slachtoffer 1] in zijn gezicht heeft geraakt, waarna hij bewegingloos op de grond bleef liggen. Deze verklaring wordt ook ondersteund door het letsel dat is waargenomen ter hoogte van het rechter aangezicht en de rechter wenkbrauw van [slachtoffer 1] . De rechtbank stelt gelet op het voorgaande vast dat de verdachte [slachtoffer 1] tweemaal tegen zijn hoofd heeft geschopt.

De rechtbank overweegt dat het hoofd een kwetsbaar en vitaal onderdeel is van het lichaam. Wanneer er met kracht tegen het hoofd wordt geschopt, bestaat de kans dat het slachtoffer dusdanig letsel oploopt dat hij ten gevolge daarvan komt te overlijden. Gelet op de omstandigheid dat de verdachte naar eigen zeggen verschillende vechtsporten heeft beoefend, moet hij zich daar extra bewust van zijn geweest De aard en de locatie van het letsel, in het bijzonder de zwelling ter hoogte van het rechter aangezicht, duiden erop dat daarbij aanzienlijk geweld is uitgeoefend. Dit blijkt ook uit de omstandigheid dat [slachtoffer 1] na de tweede schop bewusteloos is geraakt. Daarbij neemt de rechtbank eveneens in aanmerking dat [slachtoffer 1] tijdens de geweldshandelingen op de grond lag en probeerde overeind te komen. Hij verkeerde daardoor in een kwetsbare en weerloze positie en had geen reële mogelijkheid om de schoppen tegen zijn hoofd af te weren of zich aan het geweld te onttrekken. Pas nadat het slachtoffer bewusteloos op de grond lag is verdachte gestopt.

Anders dan de raadsman is de rechtbank dan ook van oordeel dat de aard en intensiteit van de geweldshandelingen en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, maakt dat de kans op overlijden aanmerkelijk was, en de verdachte de kans op het intreden van dit gevolg bewust heeft aanvaard.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag.

1.4

Openlijke geweldpleging

Ten aanzien van de onder 2 ten laste gelegde openlijke geweldpleging concludeert de rechtbank onder verwijzing naar het hiervoor onder r.o. 1.1 en 1.2 overwogene het volgende. Medeverdachte [medeverdachte] en de verdachte hebben samen geweld gepleegd tegen [slachtoffer 1] door hem te slaan en te schoppen. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte door tweemaal tegen het hoofd van [slachtoffer 1] te schoppen zonder meer een significante bijdrage heeft geleverd aan het openlijk geweld.

Voorts overweegt de rechtbank dat het geweld heeft plaatsgevonden in de openbare ruimte, namelijk te midden van publiek op de Stationsweg in ’s-Hertogenbosch, waardoor is voldaan aan het vereiste van openlijkheid.

De rechtbank acht hiermee wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer 1] .

Partiële vrijspraak

Uit het voorhanden zijnde bewijsmateriaal volgen geen aanwijzingen dat de verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tegen [slachtoffer 2] gepleegde (openlijke) geweld. De rechtbank zal de verdachte daarom partieel vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

2. Dagvaarding II

Ten aanzien van dagvaarding II wordt zonder nadere overwegingen verwezen naar de bewijsbijlage, waaruit volgt dat de verdachte heeft bekend [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ) te hebben mishandeld door hem een kopstoot te geven.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsbijlage uitgewerkte en opgesomde bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

t.a.v. 01-061456-24 (hierna dagvaarding I)

Feit 1:

op 9 februari 2024 te 's-Hertogenbosch ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, met geschoeide voet tegen het hoofd en/of het gezicht heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Feit 2:

op 9 februari 2024 te ’s-Hertogenbosch openlijk, te weten, op de Stationsweg in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 1] , door meermalen

- te slaan, en

- te schoppen.

t.a.v. 01-147082-23 (hierna dagvaarding II)

op 17 juni 2023 te ’s-Hertogenbosch [slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 3] (met kracht) een kopstoot tegen het hoofd te geven.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van de duur van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat volstaan kan worden met een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte gelijk is aan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat bij de bepaling van de aan de verdachte op te leggen straf rekening dient te worden gehouden met het tijdsverloop, de positieve ontwikkelingen in het leven van de verdachte en het feit dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag en openlijke geweldpleging. Hij is samen met zijn medeverdachte betrokken geweest bij een zeer ernstige vorm van uitgaansgeweld, dat heeft plaatsgevonden tijdens carnaval op 4 februari 2024. Nadat zijn medeverdachte slachtoffer [slachtoffer 1] reeds naar de grond had gewerkt door hem van achteren te slaan, heeft de verdachte slachtoffer [slachtoffer 1] , terwijl hij op de grond lag en probeerde overeind te komen, tweemaal tegen het hoofd geschopt totdat [slachtoffer 1] was uitgeschakeld. [slachtoffer 1] bleef ten gevolge hiervan bewegingloos liggen. Het slachtoffer mag van geluk spreken dat het door verdachte gepleegde geweld geen fatale afloop heeft gehad. Daar komt bij dat dit geweldsincident voor de verdachte geen op zichzelf staand voorval is. Hij heeft zich een aantal maanden voor dit incident eveneens schuldig gemaakt aan een geweldsincident in het uitgaansleven. Hierbij heeft de verdachte slachtoffer [slachtoffer 3] mishandeld door hem een kopstoot te geven. Beide slachtoffers hebben door het handelen van de verdachte letsel opgelopen. Met dit ongeremde en agressieve handelen heeft de verdachte een ontoelaatbare inbreuk gemaakt op lichamelijk integriteit van de slachtoffers en hun gevoel van veiligheid. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van. Uit de toelichting op de vorderingen van de benadeelde partijen blijkt dat dit ook in deze zaak het geval is. Daarnaast heeft het geweld zich in het openbaar afgespeeld, waardoor ook omstanders hiermee zijn geconfronteerd. Dit kan ook voor hen een nare en beangstigende gebeurtenis zijn geweest. Bovendien heeft de verdachte deze handelingen verricht onder invloed van alcohol, terwijl hij wist dat het gebruik van alcohol hem tot agressief gedrag kan brengen. Dit alles neemt de rechtbank de verdachte bijzonder kwalijk.

Samenloop

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van het bij dagvaarding I onder feit 1 (poging tot doodslag) en feit 2 (openlijke geweldpleging) met betrekking tot aangever [slachtoffer 1] ten laste gelegde sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De bewezen verklaarde gedragingen leveren in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend, feitencomplex op dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 16 juni 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op de Pro Justitia rapportage over de verdachte van 18 juli 2024, opgemaakt door C.D. Ploeg en M.H. Keppel, beiden GZ-psycholoog. De deskundigen concluderen dat er bij de verdachte sprake is van problematische emotieregulatie en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling, waarbij narcistische en in mindere mate borderline persoonlijkheidstrekken worden gezien. Daarnaast is er sprake van ontwikkelingsproblematiek in de vorm van ADHD van het gecombineerde type, een problematisch alcoholgebruik, en een stoornis in het cannabisgebruik in langdurige remissie. Deze problematiek, zo stellen de deskundigen, was ook aanwezig ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Mogelijk was de verdachte vanwege zijn emotieregulatieproblemen en zijn impulsiviteit, in combinatie met het alcoholgebruik minder in staat zijn negatieve gevoelens adequaat te reguleren en conform te handelen. Daarbij moet opgemerkt worden dat het alcoholgebruik de verdachte is toe te rekenen. Hij geeft zelf aan dat hij onder invloed van alcohol agressief kan reageren. Echter heeft dit hem er niet van weerhouden overmatig alcohol te drinken op de dag van het ten laste gelegde. In het licht van deze omstandigheden ligt het in de rede om het ten laste gelegde in licht verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Daarbij dient evenwel te worden opgemerkt dat niet kan worden uitgesloten dat het ten laste gelegde volledig aan de verdachte kan worden toegerekend.

Gezien het bovenstaande wordt geadviseerd om de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden: reclasseringstoezicht en ambulante behandeling.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland over de verdachte van 3 juli 2026. Uit de rapportage volgt dat het advies van de deskundige inmiddels is uitgevoerd tijdens het schorsingstoezicht. De verdachte heeft zich aan de bijzondere voorwaarden gehouden, waaronder een meldplicht, het volgen van de gedragsinterventie ‘Alcohol en geweld’, het volgen van een forensische behandeling bij de GGZ en een alcoholverbod. Het reclasseringstoezicht is positief afgerond en er is sprake van gedragsverandering in positieve zin. De risico’s op recidive en geweld worden nu, ruim twee jaar later, laag ingeschat, met de kanttekening dat dit weer toe kan nemen indien de verdachte zou besluiten om toch overmatig, ongecontroleerd alcohol te gaan drinken.

De reclassering adviseert bij een veroordeling van de verdachte hem op te leggen een straf zonder bijzondere voorwaarden, nu zij interventies of toezicht niet meer nodig achten. Wel zou een (fors) voorwaardelijk strafdeel met een langere proeftijd helpend kunnen zijn voor de verdachte om recidive blijvend te voorkomen, aldus de reclassering.

Toerekenbaarheid

De rechtbank zal het bewezen verklaarde volledig aan de verdachte toerekenen. De rechtbank ziet, mede gelet op de aard en de omstandigheden waaronder de bewezen verklaarde feiten zijn gepleegd, geen aanleiding om de mate van toerekening te beperken. Hierbij betrekt de rechtbank dat de verdachte wist dat hij onder invloed van alcohol agressief kan reageren, maar dat dit hem er desondanks niet van heeft weerhouden om tijdens het uitgaan voor de bewezenverklaarde feiten veel alcohol te drinken.

Redelijke termijn

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank tevens gelet op het feit dat de verdachte het recht heeft om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt geldt dat binnen twee jaar na aanvang van de op zijn redelijkheid te toetsen termijn door de rechtbank moet zijn beslist, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Met betrekking tot de zaak van dagvaarding I is de redelijke termijn aangevangen op 21 februari 2024, de dag waarop de verdachte in verzekering is gesteld. Met betrekking tot de zaak van dagvaarding II is de redelijke termijn aangevangen op 17 juni 2023, de dag waarop de verdachte als verdachte is gehoord door de politie. Hij kon daaraan in redelijkheid de verwachting ontlenen dat tegen hem strafvervolging zou worden ingesteld. De termijn eindigt met het wijzen van dit vonnis op 11 augustus 2026. Hieruit volgt dat de termijn waarbinnen de verdachte had moeten worden berecht in de zaak van dagvaarding I met bijna 6 maanden en in de zaak van dagvaarding II met bijna 1 jaar en 2 maanden is overschreden. Nu deze overschrijdingen niet toe te rekenen zijn aan de verdachte, acht de rechtbank het op zijn plaats dat de overschrijding van de redelijke termijn leidt tot matiging van de straf.

Strafoplegging

Gezien de ernst van de bewezenverklaarde feiten kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een gevangenisstraf. De rechtbank houdt bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf rekening met de omstandigheid dat de verdachte er blijk van heeft gegeven de ernst van het door hem aan de slachtoffers toegebrachte leed in te zien en hiervoor berouw te hebben getoond. Anders dan de raadsman heeft bepleit, doet echter een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest onvoldoende recht aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten. Het gaat om gewelddadige en zeer gewelddadig geweld in het uitgaansleven met slachtoffers die daar letsel aan overhouden en omstanders voor wie het zeer bedreigend moet zijn geweest.

Alles afwegende acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde straf passend, zodat de rechtbank deze eis zal volgen. Dit betekent dat aan de verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Door een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen, wil de rechtbank enerzijds de ernst van de door de verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds de verdachte ervan weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank ziet – mede gelet op het advies van de reclassering – geen toegevoegde waarde in het opleggen van bijzondere voorwaarden.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert schadevergoeding van €1.985,- te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit €385,- materiële schade en €1.600,- immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij integraal en hoofdelijk toegewezen dient te worden, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft geen verweer gevoerd tegen de vordering van de benadeelde partij. De verdachte heeft verklaard bereid te zijn de geleden schade te vergoeden en heeft ingestemd met de gevorderde hoogte van het schadebedrag.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank stelt vast dat de vordering namens de verdachte niet is betwist en namens de benadeelde partij voldoende is onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij deze schade heeft geleden als rechtstreeks gevolg van de bij dagvaarding I onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten. Niet in geschil is immers dat de benadeelde partij ten gevolge van de gepleegde feiten lichamelijk letsel heeft opgelopen, zoals bedoeld in art. 6:106 sub b BW, waar hij last van heeft gehad en hinder van heeft ondervonden, en waarvoor hij zijn eigen risico heeft moeten aanspreken.

Gelet op de onderbouwing en de hoogte van schadevergoedingen die in min of meer vergelijkbare gevallen zijn toegekend, acht de rechtbank de vordering in haar geheel toewijsbaar. De rechtbank zal de vordering dan ook integraal toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2024 tot de dag van de algehele voldoening.

De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt de verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Hoofdelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat de verdachte het bij dagvaarding I onder feit 2 strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd. Nu de verdachte en zijn mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij ten aanzien van de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de gehele schade.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2024 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan de verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte of zijn mededader heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien de verdachte of zijn mededader heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .

[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert schadevergoeding van €650,- te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte partieel wordt vrijgesproken voor het feit waarop de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft.

De rechtbank zal de kosten van partijen als bedoeld in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] .

[slachtoffer 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert schadevergoeding van €1.647,73,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit €947,73 materiële schade en €700,- immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partij te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft geen verweer gevoerd tegen de vordering van de benadeelde partij. De verdachte heeft verklaard bereid te zijn de geleden schade te vergoeden en heeft ingestemd met de gevorderde hoogte van het schadebedrag.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank stelt vast dat de vordering namens de verdachte niet is betwist en namens de benadeelde partij voldoende is onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij deze schade heeft geleden als rechtstreeks gevolg van het bij dagvaarding II bewezen verklaarde feit. Niet in geschil is immers dat de benadeelde partij ten gevolge van het gepleegde feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, zoals bedoeld in art. 6:106 sub b BW, waar hij last van heeft gehad en hinder van heeft ondervonden, en waarvoor hij materiële kosten, te weten tandartskosten en reiskosten, heeft moeten maken.

Gelet op de onderbouwing en de hoogte van schadevergoedingen die in min of meer vergelijkbare gevallen zijn toegekend, acht de rechtbank de vordering in haar geheel toewijsbaar. De rechtbank zal de vordering dan ook integraal toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 juni 2023 tot de dag van de algehele voldoening.

De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt de verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 juni 2023 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan de verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 36f, 45, 55, 57, 141, 287 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart dat het bewezen verklaarde de misdrijven oplevert:

t.a.v. dagvaarding I (01-061456-24):

Feit 1 en 2:

eendaadse samenloop van:

poging tot doodslag;

en

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

t.a.v. dagvaarding II (01-147082-23)

mishandeling

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

legt op de volgende straf en maatregelen;

t.a.v. 01-061456-24 feit 1, feit 2, 01-147082-23:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 6 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren;

voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;

t.a.v. 01-061456-24 feit 1, feit 2:

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , van een bedrag van 1.985,00 euro, bestaande uit 385,00 euro materiële schade en 1.600,00 euro immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

bepaalt dat de verdachte niet is gehouden tot betaling voor zover deze bedragen door zijn mededader zijn betaald;

t.a.v. 01-061456-24 feit 1, feit 2:

Schadevergoedingsmaatregel

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] , van een bedrag van 1.985,00 euro, bestaande uit 385,00 euro materiële schade en 1.600,00 euro immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 19 dagen;

bepaalt dat toepassing van deze gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;

bepaalt dat de verdachte niet is gehouden tot betaling voor zover deze bedragen door zijn mededader zijn betaald;

bepaalt dat wanneer de verdachte en/of zijn mededader heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien de verdachte en/of zijn mededader heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;

t.a.v. 01-061456-24 feit 2:

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] :

bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen;

t.a.v. 01-147082-23:

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] :

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 3] , van een bedrag van 1.647,73 euro, bestaande uit 947,73 euro materiële schade en 700,00 euro immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

t.a.v. 01-147082-23:

Schadevergoedingsmaatregel

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 3] , van een bedrag van 1.647,73 euro, bestaande uit 947,73 euro materiële schade en 700,00 euro immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 16 dagen;

bepaalt dat toepassing van deze gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;

bepaalt dat wanneer de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.G. Vos, voorzitter,

mr. E.H. Groen en mr. M.W.M. Bankers, leden,

in tegenwoordigheid van mr. R. Ringeling, griffier,

en is uitgesproken op 11 augustus 2026.