Strafrecht overig
Bewezenverklaring opzettelijke brandstichting met gevaar voor goederen en levensgevaar voor personen…
Rechtbank Oost-Brabant, 14 augustus 2026
ECLI:NL:RBOBR:2026:5778 · Rechtbank Oost-Brabant · 14 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-oost-brabant/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbobr-2026-5778
Zaakgegevens
Op 14 augustus 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Oost-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 14 augustus 2026
- Datum publicatie
- 13 augustus 2026
- Zaaknummer
- 01/291732-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOBR:2026:5778
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Bewezenverklaring opzettelijke brandstichting met gevaar voor goederen en levensgevaar voor personen, bedreiging en voorhanden hebben pepperpistool.
Verdachte heeft de zolder van haar rijtjeshuiswoning in brand gestoken. Verder heeft verdachte haar buren met een pepperpistool bedreigd en dit pistool voorhanden gehad.
Bewijsoverwegingen ten aanzien van gevaar voor goederen en levensgevaar voor personen en betrouwbaarheid verklaringen aangevers ten aanzien van bedreiging.
Verdachte is verminderd toerekeningsvatbaar op basis van Pro Justitia-rapportages.
De rechtbank gaat uit van de conclusies van de deskundigen, voldaan aan gevaarscriterium en alle wettelijke vereisten voor opleggen tbs-maatregel.
Oplegging tbs met dwangverpleging wegens complexe problematiek in combinatie met een hoog risico op geweldsdelicten en de weinig coöperatieve houding en het gebrek aan intrinsieke motivatie van verdachte.
- Gevangenisstraf 12 maanden met aftrek;
- TBS met dwangverpleging (ongemaximeerd);
- Vordering van de benadeelde partij: niet-ontvankelijk.
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummers: 01-291732-25 en 01-004967-23 (ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 14 augustus 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1962] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres 1] ,
thans gedetineerd te: [verblijfplaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak
gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 12 februari 2026, 7 mei 2026 en 31 juli 2026.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaken zijn aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 16 januari 2026 (horende bij 01-291732-25) en 28 november 2025 (horende bij 01-004967-23).
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
T.a.v. 01-291732-25:
zij op of omstreeks 30 oktober 2025 te Eindhoven, althans in Nederland,
opzettelijk brand heeft gesticht in een woning aan [adres 2] , door de vloerbedekking van voornoemde woning te overgieten met benzine, althans een brandbare (vloei)stof en/of vervolgens die vloerbedekking en/of een papiertje, althans een brandbare stof, aan te steken met een brandende aansteker, althans in aanraking te brengen met open vuur, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten de in die woning zich bevindende goederen en/of aangrenzende woningen te duchten was
en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de in de aangrenzende woningen aanwezige personen te duchten was;
T.a.v. 01-004967-23 feit 1:
zij op of omstreeks 21 oktober 2022 te Veldhoven
een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te
weten een pepperpistool (merk Piexon, model JPX Jet Protector, kaliber 14x109 millimeter Piexon)
zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool
voorhanden heeft gehad
T.a.v. 01-004967-23 feit 2:
zij op of omstreeks 21 oktober 2022 te Veldhoven
[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door
- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in de richting van voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te richtten en/of schietbewegingen te maken en/of - (daarbij) die [slachtoffer 2] woordelijk toe te voegen dat ze bij [bedrijf 1] langs zou gaan komen, althans woorden van gelijke aard en/of strekking.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Bewijs
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich – onder verwijzing naar het schriftelijke requisitoir – op het standpunt gesteld dat alle drie de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Ten aanzien van de ten laste gelegde brandstichting heeft de officier van justitie gesteld dat gemeen gevaar voor goederen en ook zwaar lichamelijk letsel dan wel levensgevaar voor personen kan worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft op de in de pleitnota genoemde gronden betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde brandstichting en bedreiging. Volgens de raadsman kan gemeen gevaar of zwaar lichamelijk letsel dan wel levensgevaar voor personen niet worden vastgesteld. Ten aanzien van de bedreiging heeft de raadsman gesteld dat de verklaringen van de twee aangevers leugenachtig zijn. Voor wat betreft het voorhanden hebben van het pepperpistool heeft de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.
Het oordeel van de rechtbank.
De bewijsmiddelen.
De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zijn ten aanzien van het ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 01-291732-25 (brandstichting) en 01-004967-23 (feit 2: bedreiging) uitgewerkt in dit vonnis.
Gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen ten aanzien van het ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 01-004967-23 (feit 1: voorhanden hebben pepperpistool). Verdachte heeft het feit immers bekend en haar raadsman heeft geen vrijspraak bepleit.
Na de uitwerking en opgave van de bewijsmiddelen zal de rechtbank nog enkele overwegingen wijden aan het bewijs.
Ten aanzien van parketnummer 01-291732-25:
1. Een proces-verbaal van bevindingen van 30 oktober 2025, p. 14, voor zover inhoudende en zakelijk weergegeven:
Op 30 oktober 2025, om 13.13 uur, kregen wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , de opdracht van het Operationeel Centrum van Politie om te gaan naar [adres 2] in Eindhoven, rijtjeswoning.
Op 30 oktober 2025, om 13.15 uur, kwamen wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , ter plaatse. Wij zagen dat [adres 3] volledig doorliep aan [adres 2] . Ter plaatse zagen wij dat er grijze rook onder de overstek van het dak, van genoemd pand, vandaan kwam. Op dat moment roken wij een gaslucht.
2) Een proces-verbaal van 2 november 2025, p. 38, voor zover inhoudende en zakelijk weergegeven:
Ik was doende met het beschrijven van twee camerabeelden, afkomstig van een bodycam van een brandweermedewerker. Toen ik het document 420251 030_1 35425 opende zag ik dat de vlizotrap toegang gaf naar een zolderkamer. Ik zag veel ravage [verbalisant 3] in de kamer.
3) Een proces-verbaal van bevindingen van 7 november 2025, p. 60, voor zover inhoudende en zakelijk weergegeven:
In kader van de gevaarzetting bij de woningbrand aan [adres 2] te Eindhoven is aan de brandweer gevraagd om hun bevindingen vast te leggen.
Zij hebben hun antwoorden toegestuurd en deze antwoorden zijn in dit proces-verbaal verwerkt.
Vraag: Wat werd er ter plaatse aangetroffen?
Antwoord:
• Toen de eerste ploeg van de brandweer uit het voertuig stapte roken de brandweerlieden buiten een benzinelucht en een brandlucht. Ze namen ook rook waar onder de dakpannen ter hoogte van de goot.
• Op de eerste verdieping in een slaapkamer onder de daar aanwezige vlizotrap trof de brandweer een bewusteloos persoon aan. Bij het slachtoffer lag een zwarte jerrycan van 5 liter zonder dop met benzine. Dat hierin benzine zat (of had gezeten) is op basis van de geur vastgesteld.
• Op de zolder was een brandhaard. Daar trof de brandweer een brandspoor en brandend papier aan.
• In de twee aan het brandadres grenzende woningen is geen brand geweest maar was wel sprake van rookontwikkeling. In deze woningen gingen de CO-meters in alarm.
Vraag: Een duidelijke beschrijving van de gevaar zetting in het pand en ook voor omwonende alsmede de gevolgen die hieruit voortkwamen (welk gevaar liepen de aangrenzende panden - door het handelen van de bewoner).
Antwoord: Elke brand en dus ook deze brand kan zich uitbreiden. Omdat het in dit geval om een rijtjeswoning ging en het alleen op zolder heeft gebrand, lijkt de kans op branduitbreiding via de zolders het grootst.
Vraag: Welke acties zijn er door jullie uitgezet om gevaar/gezondheid klachten te beperken (bijvoorbeeld het luchten van de panden van de duur van 24 uur).
Antwoord: De Officier van Dienst Brandweer heeft aan Salvage en de woningbouwcoöperatie het advies gegeven het brandadres en de twee daarnaast gelegen woningen 24 uur niet te (laten) betreden. Dit vanwege de daar aanwezige concentratie CO. Voor de volledigheid wordt hierbij opgemerkt dat het bij een te hoge concentratie CO vaak volstaat om een pand 12 uur niet te betreden. Omdat de ventilatiemogelijkheden in de betreffende woningen beperkt waren, is besloten om veiligheidshalve te adviseren de panden 24 uur niet te (laten) betreden.
Vraag: De algemene gevaarzetting in de woonwijk - wat had kunnen gebeuren als er niet adequaat was opgetreden door de hulpdiensten.
Antwoord: Zoals hiervoor aangegeven, kan elke brand zich uitbreiden. Bovendien is de bij brand vrijkomende rook schadelijk voor de gezondheid.
4) Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] van 30 oktober 2025, p. 25, voor zover inhoudende en zakelijk weergegeven:
Ik ben woonachtig op [adres 3] in Eindhoven. Omstreeks 12.50 uur deed ik mijn make-up op de eerste verdieping van mijn woning, in de kamer aan de voorzijde van de woning. Ik hoorde, vervolgens vrij snel achter elkaar, twee harde knallen. Ik liep naar het kantoor van [bedrijf 2] . Bij terugkomst bij mijn woning zag ik dat de buurman van [adres 4] buiten stond. Ik zag dat hij wees naar de woning en zei dat er rook uit het dak kwam. Ik rook direct een hevige gaslucht.
5) De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 31 juli 2026, voor zover inhoudende en zakelijk weergegeven:
Op 30 oktober 2025 heb ik op de zolder van mijn woning, gelegen aan [adres 2]
te Eindhoven, brand gesticht. Er zat benzine in een jerrycan en die benzine heb ik over de vloerbedekking gestrooid en vervolgens heb ik de brand met een aansteker gesticht. Voordat ik dit deed, had ik eerst de achterdeur van mijn woning op een kiertje gezet, zodat mijn kat naar buiten kon gaan.
Ten aanzien van parketnummer 01-004967-23, feit 1:
-
Een proces-verbaal van bevindingen van 21 oktober 2022, p. 9;
-
Een proces-verbaal onderzoek wapen van 8 november 2022, p. 13;
-
De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 31 juli
2026.
Ten aanzien van parketnummer 01-004967-23, feit 2:
1. Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 21 oktober 2022, p. 3, voor zover inhoudende en zakelijk weergegeven:
Ik was op 21 oktober 2022 op bezoek bij mijn moeder. Zij woont op het adres [adres 5] in Veldhoven. Ik was alleen thuis. Samen met de buurvrouw van [adres 6] ben ik aan de deur gegaan bij de buurvrouw. We hebben geklopt/aangebeld. Zij deed open. En ze wilde niet met ons praten. We stonden anderhalve meter van de deur af. Ze deed de deur weer dicht. We hebben nog een keer geklopt. Nadat ze de tweede keer open deed bedreigde ze ons met een wapen. Ik zag dat de buurvrouw kwaad was. Ze was aan het schreeuwen. Ik zag dat zij een zwart wapen in haar hand had. Ze was hiermee op mij en de andere buurvrouw aan het richten. En maakte daarbij zogenaamde schietbewegingen. Het wapen had een soort loop. De buurvrouw richtte het wapen op borsthoogte. Het ging allemaal erg snel.
2) Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 21 oktober 2022, p. 6, voor zover inhoudende en zakelijk weergegeven:
Op 21 oktober omstreeks 10.00 uur, belde de zoon, [naam 2] , van de buurman van [adres 5] bij mij aan. Wij, Ik en [naam 2] , besloten om bij [naam 1] langs te gaan. Ik belde aan bij [adres 7] , bij de woning van [naam 1] . [naam 2] stond rechtsachter mij. Ik zag dat [naam 1] de deur open maakte. Ik zag dat zij een vuurwapen, of iets gelijkends daarop in haar hand had, ik weet niet meer op dit links of rechts was. Ik zag dat zij het vuurwapen op mij richtte. Ik was op dat moment heel erg verbluft. Ik hoorde haar zeggen dat 'hij' verwijzend naar [naam 2] , illegaal in de flat verbleef. En dat ze bij [bedrijf 1] , waar ik werk, langs zou komen. Terwijl ze dit zei hield ze het vuurwapen nog steeds op mij gericht. Ik zag dat ze vervolgens de deur dicht deed.
Het moment dat [naam 1] de deur open maakte en dat zij hem weer dicht deed duurde totaal ongeveer 4 seconden, heel kort. Doordat het zo snel ging had ik geen tijd om aan de kant te springen. Ik was heel erg verbluft en wist niet goed hoe ik moest reageren.
Nu het incident is ingedaald realiseer ik me pas wat er is gebeurd en voel ik me
bedreigd door mijn buurvrouw [naam 1] van [adres 7] .
Het vuurwapen kan ik als volgt omschrijven:
- zwart
- ongeveer dezelfde grootte als het vuurwapen van de politie
- de voorkant (het gedeelte wat op mij gericht was) was vierkant met daarin 2 ronde gaten (lopen) naast elkaar
3) Een proces-verbaal van bevindingen van 21 oktober 2022, p. 9, voor zover inhoudende en zakelijk weergegeven:
Op 21 oktober 2022, waren wij, verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , doende met een melding op [adres 7] te Veldhoven.
Omstreeks 11.50 uur, hoorden wij van de collega's, die voor het appartement stonden van de verdachte, dat de verdachte was aangehouden. Daarop liepen wij naar boven. Wij zagen dat collega [verbalisant 5] de rechterjaszak van de verdachte opende. Wij zagen dat er een voorwerp, lijkend op een vuurwapen, in de verdachte haar jaszak zat.
Goednummer: PL2100-2022229459-1989210
4) Een proces-verbaal onderzoek wapen van 8 november 2022, p. 13, voor zover inhoudende en zakelijk weergegeven:
Pepperpistool (BVH goednummer 1989210, SIN AAPK3634NL):
Ik zag dat dit voorwerp een 2 schots, double -action, centraalvuur pepperpistool was van het merk Piexon, model JPX Jet Protector, kaliber 14x109 millimeter Piexon.
Ik zag dat dit pepperpistool was voorzien van een dubbelloops cassette met geïntegreerde pepperpatronen en lopen.
Ik zag dat de cassette was voorzien van 2 lopen.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
De bewijsoverwegingen.
Ten aanzien van parketnummer 01-291732-25 (brandstichting).
Inleiding
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat er op 30 oktober 2025 omstreeks 12:50 uur een brand heeft gewoed in de zolder van een rijtjeswoning gelegen aan [adres 2] in Eindhoven. Dit betreft de woning waar verdachte destijds woonde.
Bij de beoordeling van de beschuldiging zal de rechtbank achtereenvolgens ingaan op de vragen 1) of verdachte de brand opzettelijk heeft aangestoken en 2) of er bij de brand sprake was van gemeen gevaar voor goederen en/of (levens)gevaar voor personen.
Was er sprake van opzettelijke brandstichting?
Het feit dat verdachte de brand heeft gesticht, staat niet ter discussie. Dit is immers door de verdachte bekend. De vraag die de rechtbank allereerst moet beantwoorden is of de brand opzettelijk is aangestoken. Deze vraag beantwoordt de rechtbank als volgt.
Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat zij vóór de brandstichting de achterdeur van haar woning op een kiertje had gezet, zodat haar kat de woning kon verlaten. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte op berekende wijze te werk is gegaan door een voorzorgsmaatregel te nemen. Dit handelen van verdachte strookt niet met de veronderstelling dat zij zich op geen enkel moment rekenschap heeft kunnen geven van de mogelijke gevolgen van haar handelen. Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte de brand opzettelijk heeft gesticht.
Dat, zoals de raadsman stelt, verdachte geen gewelddadig oogmerk had en dat dit een wanhoopsdaad betrof, doet hieraan niet af.
Was er bij de brand sprake van gemeen gevaar voor goederen en/of (levens)gevaar voor een ander?
De rechtbank is van oordeel dat het handelen van verdachte bij uitstek een situatie oplevert waarin naar algemene ervaringsregels gemeen gevaar voor de woning (inclusief de inboedel) te duchten was, wat zich ook heeft verwezenlijkt. Uit de beschrijving van de bodycambeelden van de brandweer blijkt dat de woning, in het bijzonder de zolder en de daar aanwezige goederen, verwoest is door de brand. Ook is door de brandweer beschreven dat de brand zich via de zolder had kunnen uitbreiden naar de aangrenzende woningen.
Gelet hierop acht de rechtbank bewezen dat er gemeen gevaar voor goederen te duchten was.
Daarnaast was naar algemene ervaringsregels op het moment van de brandstichting ook levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor in de aangrenzende woningen aanwezige personen voorzienbaar. De brand vond plaats in de zolder van een rijtjeshuiswoning, welke woning volledig doorliep aan [adres 3] . Op grond hiervan stelt de rechtbank vast dat de door verdachte gestichte brand zonder ingrijpen door de brandweer gemakkelijk had kunnen overslaan naar de aangrenzende woningen. Dee brand werd gesticht in de middag, omstreeks 12:50 uur, een tijdstip waarop doorgaans buurtbewoners in hun woning aanwezig zijn.
De direct aangrenzende woning met [adres 3] betreft de woning van getuige [getuige] . Uit haar verklaring blijkt dat zij ten tijde van de brandstichting ook daadwerkelijk thuis was. Ook was er als gevolg van de brand sprake van rookontwikkeling. De brandweer beschrijft immers dat zij rook onder de dakpannen ter hoogte van de goot zagen en dat in de twee aan het brandadres grenzende woningen weliswaar geen brand is geweest maar dat er wel sprake was van rookontwikkeling en daardoor de CO-meters in alarm gingen. Door de brandweer is vanwege de in deze woningen aanwezige concentratie CO en het gegeven dat de ventilatiemogelijkheden beperkt waren, om veiligheidsredenen geadviseerd de betreffende woningen 24 uur niet te betreden. Het is een feit van algemene bekendheid dat rookontwikkeling en koolmonoxidevergiftiging de belangrijkste doodsoorzaak bij brand is. De rechtbank acht dan ook bewezen dat door de brand en de rookontwikkeling het gemene gevaar bestond dat de in aangrenzende woningen aanwezige personen het leven zouden verliezen of zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen.
Conclusie
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk stichten van brand en dat als gevolg van deze brand gemeen gevaar voor goederen en personen te duchten is geweest.
Ten aanzien van parketnummer 01-291732-25, feit 2 (bedreiging).
De raadsman heeft ten aanzien van dit feit aangevoerd dat de verklaringen van beide aangevers leugenachtig zijn en dat om die reden overtuigend bewijs ontbreekt.
De rechtbank verwerpt dit verweer. Zij heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaringen van zowel aangeefster [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) als die van aangever [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) en overweegt daartoe als volgt.
[slachtoffer 2] heeft in haar aangifte het door haar waargenomen vuurwapen zeer nauwkeurig beschreven. Zo heeft zij specifiek verklaard dat de voorkant van het vuurwapen een vierkante vorm had met daarin twee ronde gaten (lopen) naast elkaar. Ongeveer één uur later is bij de aanhouding van verdachte een vuurwapen in haar jaszak aangetroffen. Dit vuurwapen is door de politie nader onderzocht en hiervan zijn ook foto’s gemaakt.
De rechtbank stelt vast dat de door [slachtoffer 2] gegeven omschrijving overeenkomt met het vuurwapen zoals afgebeeld op deze foto’s, waarbij met name opvallen de twee ronde lopen aan de voorkant van het vuurwapen.
Nadat verdachte ter terechtzitting hiermee is geconfronteerd en is gevraagd hoe het kan zijn dat [slachtoffer 2] dit vuurwapen in exact en in detail heeft kunnen omschrijven, heeft verdachte geen verklaring kunnen geven.
Verder zijn van dit incident door de raadsman ringdeurbelbeelden verstrekt. De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaringen van aangevers niet worden bevestigd en juist worden tegengesproken door deze beelden.
De rechtbank ziet op deze beelden weliswaar dat de twee aangevers op dat moment niet angstig ogen, maar dat brengt niet zonder meer met zich mee dat moet worden geconcludeerd dat geen bedreiging heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft op deze beelden namelijk ook waargenomen dat [slachtoffer 2] tegen [slachtoffer 1] meermalen in het Engels aangeeft dat zij de politie moeten bellen, hetgeen wijst op een strafbaar feit, hetgeen door verdachte juist wordt ontkend. Verdachte heeft geen verklaring gegeven voor het feit dat aangevers de politie wilden bellen. Het past meer bij de verklaring van aangevers dat zij door verdachte vlak daarvoor met een vuurwapen zijn bedreigd. De rechtbank acht de verklaringen van beide aangevers dan ook authentiek en geloofwaardig. Aan dit oordeel draagt bij dat [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij door de korte duur van de bedreiging verbluft was en pas op een later moment besefte dat zij door verdachte was bedreigd.
Daarnaast overweegt de rechtbank dat de verklaringen van de aangevers op grote lijnen met elkaar overeenkomen en zodoende elkaar ondersteunen.
De rechtbank neemt deze verklaringen daarom als uitgangspunt. Daarbij komt dat de politie kort daarop ter plaatse komt en bij verdachte daadwerkelijk een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in haar zak hebben aangetroffen, namelijk het pepperpistool. Verdachte heeft hiervoor geen plausibele verklaring gegeven.
Ten slotte merkt de rechtbank nog op dat het door de raadsman geschetste scenario, te weten dat de aangevers het vuurwapen bij de aanhouding van verdachte gezien kunnen hebben en hun verklaringen daarop kunnen hebben afgestemd, geen enkele steun vindt in de bewijsmiddelen in het dossier. De rechtbank acht dit scenario dan ook onaannemelijk.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het bedreigen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , zoals onder feit 2 in de zaak met parketnummer 01-004967-23 is ten laste gelegd.
De bewezenverklaring.
Op grond van het voorgaande, alsmede op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de opgesomde en uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
Ten aanzien van parketnummer 01-291732-25:
op 30 oktober 2025 te Eindhoven,
opzettelijk brand heeft gesticht in een woning aan [adres 2] , door de vloerbedekking van voornoemde woning te overgieten met benzine, en vervolgens die vloerbedekking, aan te steken met een brandende aansteker, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten de in die woning zich bevindende goederen en aangrenzende woningen te duchten was
en
- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de in de aangrenzende woningen aanwezige personen te duchten was;
Ten aanzien van parketnummer 01-004967-23, feit 1:
op 21 oktober 2022 te Veldhoven
een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te
weten een pepperpistool (merk Piexon, model JPX Jet Protector, kaliber 14x109 millimeter Piexon), zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad;
Ten aanzien van parketnummer 01-004967-23, feit 2:
op 21 oktober 2022 te Veldhoven
[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door
- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in de richting van voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te richten en schietbewegingen te maken en
- (daarbij) die [slachtoffer 2] woordelijk toe te voegen dat ze bij [bedrijf 1] langs zou gaan komen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
De strafbaarheid van de feiten.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de Pro Justitia-rapportage van 15 april 2026, opgesteld door GZ-psychologen M.H. Keppel en N.R. de Kloet en psychiater F. Verstraeten Ook heeft zij acht geslagen op de aanvullende Pro Justitia-rapportage van 23 juli 2026, opgesteld door GZ-psycholoog M.H. Keppel en psychiater F. Verstraeten.
De rapporteurs hebben vastgesteld dat bij verdachte sprake is van een niet anders gespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis die wordt gekenmerkt door een uitgebreid waansysteem. De rapporteurs hebben geconcludeerd dat bij verdachte ook ten tijde van de bewezenverklaarde feiten sprake was van deze stoornissen.
De rapporteurs adviseren daarom om alle feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
De rechtbank neemt de conclusies van de rapporteurs over dat bij verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten sprake was van eerdergenoemde stoornissen. Met de rapporteurs is de rechtbank van oordeel dat deze stoornissen maken dat de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend.
Er is overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte (volledig) uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
Oplegging van straf en maatregel.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft geëist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
-
een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van het voorarrest;
-
een ongemaximeerde terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege (hierna: tbs met dwangverpleging).
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft zich primair – mocht de rechtbank enkel komen tot een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van het pepperpistool – gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Subsidiair heeft de raadsman – mocht de rechtbank wel komen tot een bewezenverklaring van de overige ten laste gelegde feiten – verzocht geen tbs met dwangverpleging op te leggen en geen hogere gevangenisstraf op te leggen dan het aantal dagen dat verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht tbs met voorwaarden op te leggen, waaraan als voorwaarde ambulante behandeling kan worden gekoppeld.
Het oordeel van de rechtbank.
Inleiding.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden, waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor min of meer soortgelijke zaken zijn opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening gehouden met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en met straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. De oriëntatiepunten dienen, voor zover beschikbaar, als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzettelijke brandstichting. Zij heeft de zolder van haar woning in brand gestoken. Brandstichting is uiterst gevaarlijk gedrag en door brand te stichten is er gevaar ontstaan voor goederen en levensgevaar voor personen. De brand vond namelijk in de middaguren plaats in een rijtjeshuiswoning met aangrenzende woningen. Een brand kan snel uit de hand lopen en is niet controleerbaar. De zolderverdieping is volledig verbrand en er was al een stevige rookontwikkeling richting de naastgelegen woningen. Dat er uiteindelijk geen brand is ontstaan in die woningen komt niet door het handelen van verdachte maar doordat de brandweer snel heeft kunnen ingrijpen. Er was wel een zeer hoge concentratie koolmonoxide gemeten, wat een veelvoorkomende doodsoorzaak is bij brand. Gelukkig waren de aanwezigen in de aangrenzende woningen al gealarmeerd. Het is dus ondanks het handelen van verdachte dat er geen slachtoffers zijn gevallen. Verdachte zelf was bij de brand bijna omgekomen, zij is bewusteloos aangetroffen en gereanimeerd. Dit soort feiten veroorzaakt gevoelens van angst, onveiligheid en onrust, niet alleen bij de buurtbewoners van de betreffende woonwijk, maar ook meer in het algemeen in de samenleving. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
Daarnaast heeft verdachte twee buren met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp bedreigd. Zij maakte hierbij schietbewegingen en zei tegen haar buurvrouw dat zij langs haar werk zou gaan. Het spreekt voor zich dat dit buitengewoon beangstigend geweest moet zijn voor de buren.
Verder heeft verdachte een pepperpistool voorhanden gehad, dat door de politie terecht is aangemerkt als vuurwapen in de zin van de Wet wapens en munitie. Het onbevoegd voorhanden hebben van een dergelijk vuurwapen, is maatschappelijk onaanvaardbaar vanwege de grote dreiging die daarvan kan uitgaan voor anderen. Het brengt onaanvaardbare risico’s voor de veiligheid van personen en gevoelens van onveiligheid in de samenleving met zich en vormt daarom een ernstige inbreuk op de rechtsorde.
De rechtbank neemt bij de strafoplegging wel in aanmerking dat verdachte zelf deze brandstichting ternauwernood heeft overleefd. Duidelijk was dat verdachte deze brand heeft gesticht omdat zij uit het leven wilde stappen uit wanhoop vanwege haar persoonlijke situatie.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank kennis genomen van het strafblad van verdachte, gedateerd 8 januari 2026, waaruit blijkt dat zij in de afgelopen vijf jaren niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
Tbs-maatregel met dwangverpleging
Ter beantwoording van de vraag of een maatregel aan verdachte moet worden opgelegd heeft de rechtbank acht geslagen op voornoemde Pro Justitia-rapportages.
De rechtbank stelt vast dat een deel van de bewezenverklaarde feiten misdrijven betreffen als bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht, waarvoor tbs met dwangverpleging mogelijk is. Bij verdachte was tijdens het begaan van het misdrijf sprake van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis. Het recidiverisico op gewelddadig gedrag wordt door de deskundigen ingeschat als hoog.
De rechtbank dient te beoordelen of de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van tbs met dwangverpleging eist.
In de Pro Justitia-rapportage van 15 april 2026 hebben de deskundigen het volgende – kort samengevat – geconcludeerd en geadviseerd:
Er is bij betrokkene sprake van een niet anders gespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis die wordt gekenmerkt door een uitgebreid waansysteem dat zorgt voor disfunctioneren op verschillende leefgebieden (maatschappelijk- en interpersoonlijk). De genoemde stoornissen bestonden ten tijde van het ten laste gelegde.
Geadviseerd wordt om het ten laste gelegde betrokkene in verminderde mate toe te rekenen.
De gedragingen van betrokkene dienen in het licht te worden gezien van de hardnekkige overtuiging dat er dreiging is van buitenaf en dat alle mensen in haar omgeving het slechtste met haar voor hebben. Ze is ervan overtuigd dat zij zichzelf moet wapenen tegen allerlei verschillende partijen vanuit het idee dat zij er alleen voor staat. Betrokkene isoleert zich van anderen en is immuun voor tegengeluid ten opzichte van deze opvattingen. Ze hanteert overwaardige gedachten ten aanzien van haar eigen functioneren en daarbij behorende rechten die ze zichzelf toe-eigent. Betrokkene wordt in staat geacht het ontoelaatbare van haar handelen in te zien, echter was zij in verminderde mate in staat hiernaar te handelen, al werd zij niet volledig vanuit psychose gestuurd. Zij had echter minder gedragsalternatieven voorhanden, het onvermogen haar gedrag te remmen en het ontbreekt haar aan empathisch vermogen.
Op basis van het gebruik van de risicotaxatie-instrumenten gecombineerd met het klinische oordeel komen ondergetekenden tot de inschatting van een hoog recidiverisico op geweld. Onderzoekers menen dat de kans op recidive sterk bepaald wordt door de psychose van waaruit betrokkene ervan overtuigd is dat anderen haar onheus bejegenen en kapot willen maken, en van waaruit zij overwaardige gedachten heeft en dus meent dat de oorsprong van conflicten niet bij haar ligt. Ten aanzien van deze psychose is er een gebrek aan probleembesef en motivatie voor hulp. Betrokkene blijft zonder behandeling impulsief en instabiel, mede vanuit beperkt functioneren vanuit de cluster A en B persoonlijkheidskenmerken. Onder stress, vooral wanneer zij anderen wantrouwt, raakt zij snel overspoeld en ontbreekt het haar aan adequate coping, netwerk of vangnet, waardoor de kans op gewelddadig gedrag toeneemt. Naar verwachting schakelt betrokkene geen hulp in op momenten dat stress toeneemt en trekt zij conclusies over de intenties van anderen zonder helpende perspectieven toe te laten, waardoor haar gedrag (impulsief en destructief) zeer beperkt in te schatten en te remmen is. Er wordt ingeschat dat toekomstig delictgedrag zich richt op zichzelf beschermen en/of zelfdestructief gedrag in verband met ontbrekend perspectief, zonder na te denken over de gevolgen voor anderen. Er zijn geen beschermende factoren en er is een gebrek aan maatschappelijk perspectief (zoals huisvesting). Zodoende wordt het risico op recidive hoog beoordeeld.
Er is sprake van complexe problematiek die reeds zeer langdurig aanwezig is. Er is bij betrokkene sprake van ontbrekend probleembesef en geen intrinsieke motivatie voor behandeling. Naar verwachting zal het een tijd duren voordat een behandelrelatie is opgebouwd van waaruit interventies kunnen worden ingezet.
Het is noodzakelijk dat er een combinatie van medicamenteuze- en psychologische behandeling plaatsvindt door een multidisciplinair behandelteam om ruimte te creëren in de hardnekkige paranoïde overtuiging van betrokkene. Indien de psychose voldoende behandeld is, kunnen de persoonlijkheid en het geheugen van betrokkene opnieuw onderzocht worden en kan betrokkene eventueel behandeld worden voor persoonlijkheidsproblematiek.
Er dient daarnaast veel aandacht te komen voor maatschappelijke inbedding; betrokkene beschikt niet over de vaardigheden om dit zelfstandig en adequaat op te bouwen.
Haar sociale netwerk dient vergroot te worden, er dient aandacht te zijn voor haar financiële beheer en zingevende dagbesteding. Een klinische setting is noodzakelijk om medicatietrouw te waarborgen en zorgmijding te voorkomen. Vanuit een klinische setting kan dan stapsgewijs toegewerkt worden naar een situatie van zelfstandig (of begeleid) wonen, met eventueel woonbegeleiding, en ambulante behandeling
Gezien de ernst en complexiteit van de problematiek, de noodzaak tot een langdurige behandeling, het hoge recidiverisico, het maatschappelijk gevaar en de ontbrekende beschermende factoren wordt TBS met dwangverpleging geadviseerd. Behandeling in een voorwaardelijk kader wordt niet haalbaar geacht, omdat het betrokkene volledig ontbreekt aan probleembesef (laat staan probleeminzicht), ze aangeeft niet mee te willen werken aan een behandeling en eerder heeft laten zien niet open te staan voor adviezen van en afspraken met hulpverlenende instanties.
In de aanvullende Pro Justitia-rapportage van 23 juli 2026 hebben de deskundigen nog het volgende toegevoegd:
Een behandeling in het kader van een zorgmachtiging heeft een te beperkte behandelduur en ook ontbreekt daarbij de aandacht voor de forensische risico’s.
Een tbs-kader kan de noodzakelijk geachte intensieve behandeling en langere behandelduur bieden waarbij forensisch risicomanagement aanwezig is en de kans op herhaling van gewelddadig gedrag gereduceerd kan worden. Een tbs met voorwaarden wordt niet haalbaar geacht, zoals reeds vermeld, gezien de ontkenning van het risico door betrokkene en aangezien zij onvoldoende responsief is op het management (zij is niet gemotiveerd, verdraagt moeizaam controle en heeft vooralsnog niet de vaardigheden en de leerstijl om van de geïndiceerde behandeling en/of training te profiteren). Tevens is de problematiek te complex om binnen een tbs met voorwaarden behandeld te worden, waarbij de behandeling sneller dan bij de tbs met dwangverpleging gericht is op resocialisatie. Zodoende is tbs met dwangverpleging aangewezen, indien het ten laste bewezen wordt geacht. Daarbij wordt niet het hoogste beveiligingsniveau noodzakelijk geacht om het vlucht- en recidiverisico te beheersen.
Daarnaast is er desgevraagd informatie ontvangen van derden, waarin het door de deskundigen omschreven beeld wordt bevestigd.
De rechtbank overweegt dat – anders dan door de raadsman is gesteld – wel van de conclusies van de deskundigen mag worden uitgegaan. De rechtbank is van oordeel dat
de rapportages zorgvuldig tot stand zijn gekomen en dat de conclusies voldoende zijn onderbouwd. De deskundigen beschikten immers over voldoende relevante informatie waardoor voldoende inzicht kon worden gekregen in de persoonlijkheid van verdachte, mede gelet op het feit dat er diverse gesprekken met verdachte zijn gevoerd.
De rechtbank neemt daarom bovenstaande conclusies en adviezen over. Gelet daarop stelt de rechtbank vast dat is voldaan aan het gevaarscriterium en daarmee aan alle wettelijke vereisten om een tbs-maatregel op te leggen.
Vervolgens is het de vraag wat in dit geval passend is; een tbs met voorwaarden of een tbs met dwangverpleging.
Uit de inhoud van de rapportages blijkt dat bij verdachte sprake is van complexe problematiek in combinatie met een hoog risico op geweldsdelicten waarbij behandeling noodzakelijk is. Een andere behandeling dan binnen een tbs met dwangverpleging is vanwege die complexiteit en risico’s niet haalbaar. In het gesprek dat op de zitting met verdachte is gevoerd, werd het door de rapportages beschreven beeld over het beperkte ziekte-inzicht en de beperkte behandelmotivatie van verdachte ook bevestigd.
De rechtbank onderschrijft dat verdachte haar psychische problemen en de risico’s daarvan onvoldoende (h)erkent en dus ook niet inziet waarom zij behandeld zou moeten worden. Deze opstelling zal de uitvoering van een tbs met voorwaarden ernstig bemoeilijken. Gelet op de weinig coöperatieve houding en het gebrek aan intrinsieke motivatie van verdachte bestaat bij de rechtbank, net als bij de deskundigen, niet de verwachting dat verdachte bij machte zal zijn om zich aan de eventueel te stellen voorwaarden te houden. Zo heeft verdachte verklaard dat zij bereid en gemotiveerd is om behandeling te volgen, maar enkel met betrekking tot haar tijd in detentie en de door toedoen van anderen in de afgelopen jaren opgelopen psychische schade. De behandeling zoals door de deskundigen noodzakelijk geacht, vindt verdachte niet aangewezen. Verder is zij niet bereid om naar de bron van haar stoornissen te gaan in een behandeling, omdat zoals zij stelt ‘dat al vijftig jaar geleden is’.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat er een te groot risico is dat de behandeling in het kader van een tbs met voorwaarden mislukt, en later wordt omgezet in een tbs met dwang. Zo levert het feitelijk alleen vertraging op in de noodzakelijke behandeling ter voorkoming van recidive en ter beveiliging van de samenleving.
Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank verdachte ter beschikking stellen en bevelen dat verdachte van overheidswege wordt verpleegd.
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat de brandstichting gericht was tegen of gevaar kon veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Op grond van artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht kan de tbs-maatregel daarom langer duren dan vier jaar, zodat de duur van de terbeschikkingstelling niet op voorhand gemaximeerd is.
Strafoplegging
Daarnaast acht de rechtbank uit een oogpunt van vergelding en ter bescherming van de maatschappij en in verband met een juiste normhandhaving, een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden passend en geboden. Een kortere gevangenisstraf zou geen recht doen aan de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan. De tijd die door verdachte in voorlopige hechtenis is doorgebracht, komt hierop in mindering.
Voorlopige hechtenis
De raadsman heeft ter terechtzitting primair opheffing en subsidiair schorsing van de voorlopige hechtenis verzocht. De feiten zijn wettig en overtuigend bewezen en de gronden voor de voorlopige hechtenis zijn gelet op het voorgaande ook nog onverkort aanwezig.
Nu de rechtbank tbs met dwangverpleging oplegt, hetgeen vrijheidsbeneming meebrengt, is opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis op grond van artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering niet aan de orde. De voorlopige hechtenis blijft daarom voortduren.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de schade onvoldoende is onderbouwd.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de schade onvoldoende is onderbouwd.
Beoordeling.
Uit de vordering en de daaraan ten grondslag gelegde toelichting heeft benadeelde partij de gevolgen naar aanleiding van het strafbare feit omschreven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde partij de vordering echter onvoldoende met concrete gegevens onderbouwd om op basis van deze toelichting, een aantasting van de persoon op andere wijze te kunnen aannemen. Evenmin is sprake van een situatie waarin de relevante nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Gelet hierop zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
37a, 37b, 57, 157, 285 Wetboek van Strafrecht
26, 55 Wet wapens en munitie.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
Ten aanzien van 01-291732-25:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
Ten aanzien van 01-004967-23:
Feit 1:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.
Feit 2:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Legt hiervoor op de volgende straf en maatregel.
De rechtbank:
T.a.v. 01-291732-25 feit 1, 01-004967-23 feit 1, feit 2:
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden;
- beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat zij van overheidswege zal worden verpleegd.
T.a.v. 01-004967-23 feit 2:
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :
Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.M.L.A.T. Doll, voorzitter,
mr. W. Heijninck en mr. I.C. Meuris, leden,
in tegenwoordigheid van mr. S. Durmus, griffier,
en is uitgesproken op 14 augustus 2026.