Strafrecht overig
De rechtbank verwerpt het preliminaire verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden…
Rechtbank Oost-Brabant, 14 oktober 2026
ECLI:NL:RBOBR:2026:7335 · Rechtbank Oost-Brabant · 14 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-oost-brabant/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbobr-2026-7335
Zaakgegevens
Op 14 oktober 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Oost-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 14 oktober 2026
- Datum publicatie
- 14 oktober 2026
- Zaaknummer
- 82-007286-23
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOBR:2026:7335
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De rechtbank verwerpt het preliminaire verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging. De rechtbank spreekt verdachte vrij ten aanzien van het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting (feit 1). De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het meermalen plegen van valsheid in geschrifte (feit 2) en het meermalen gebruik maken van valse geschriften (feit 3). De rechtbank verklaart verdachte schuldig zonder oplegging van straf of maatregel.
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 82.0007286.23
Datum uitspraak: 14 oktober 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
postadres te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 30 september 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 16 juli 2026.
T.a.v. feit 1:
zij op of omstreeks 29 februari 2016 en/of 3 februari 2017 en/of 2 februari 2018 en/of 6 februari 2019 en/of 20 januari 2021, te Andel en/of Honselersdijk en/of Apeldoorn en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de omzetbelasting ten name van [verdachte] over het/de aangiftetijdvak(ken):
1 januari 2016 t/m 31 januari 2016 (DOC-073-01, p. 5/346 e.v.) en/of
1 januari 2017 t/m 31 januari 2017 (DOC-073-01, p. 61/346 e.v.) en/of
1 januari 2018 t/m 31 januari 2018 (DOC-073-01, p. 109/346 e.v.) en/of
1 januari 2019 t/m 31 januari 2019 (DOC-073-01, p. 157/346 e.v.) en/of
1 december 2020 t/m 31 december 2020 (DOC-073-01, p. 249/346 e.v.)
onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, althans laten doen, immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of (een of meer) van haar medeverdachte(n) toen aldaar -zakelijk weergegeven- (telkens) opzettelijk op het/de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Apeldoorn en/of elders in Nederland, ingeleverde aangiftebiljet(ten) omzetbelasting over genoemd(e) aangiftetijdvak(ken), in elk geval een of meer tijdvak(ken), (telkens) valselijk en/of in strijd met de waarheid een te hoog en/of onjuist bedrag aan voorbelasting en/of een te hoog en/of onjuist bedrag aan terug te vragen omzetbelasting aangegeven en/of laten aangeven, terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven;
T.a.v. feit 2:
zij op of omstreeks 15 april 2019 en/of 6 mei 2019 en/of 3 juni 2019 en/of 6 november 2019 te Andel en/of Honselersdijk en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten:
- Een verkoopfactuur van [verdachte] d.d. 15 april 2019, factuurnr. 191252, gericht aan [afnemer/debiteur 1] (DOC-059-01) en/of
- Een bijbehorende (verpandings)borderel ten behoeve van [bedrijf] . (DOC-060-01) en/of
- Een verkoopfactuur van [verdachte] d.d. 6 mei 2019, factuurnr. 191511, gericht aan [afnemer/debiteur 2] (DOC-059-02 en/of
- Een bijbehorende (verpandings)borderel ten behoeve van [bedrijf] . (DOC-060-02) en/of
- Een verkoopfactuur van [verdachte] d.d. 3 juni 2019, factuurnr. 191849, gericht aan [afnemer/debiteur 3] (DOC-059-03) en/of
- Een bijbehorende (verpandings)borderel ten behoeve van [bedrijf] . (DOC-060-03) en/of
- Een specificatie van [verdachte] ten behoeve van [bedrijf] d.d. 6 november 2019 (DOC-062-01 en ZD-002-01, p. 17) van de incassobatch van 23.260 euro die op 14 november 2019 op de rekening van [bedrijf] . werd ontvangen (DOC-058-01 en ZD-002-01, p. 17),
valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of (een of meer van) haar medeverdachte(n) toen aldaar (telkens) valselijk en/of in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven-
- op die verkoopfactuur (DOC-059-01) voornoemd [afnemer/debiteur 1] als koper vermeld en/of doen vermelden, terwijl [afnemer/debiteur 1] in werkelijkheid niet de afnemer/debiteur was en/of
- op die bijbehorende (verpandings)borderel (DOC-060-01) voornoemd de factuur d.d. 15 april 2019, factuurnr. 191252, gericht aan debiteur [afnemer/debiteur 1] vermeld, terwijl die verkoopfactuur in werkelijkheid werd geïncasseerd vanuit de eigen bankrekening van [verdachte] en/of
- op die verkoopfactuur (DOC-059-02) voornoemd [afnemer/debiteur 2] als koper vermeld en/of doen vermelden, terwijl [afnemer/debiteur 2] in werkelijkheid niet de afnemer/debiteur was en/of
- op die bijbehorende (verpandings)borderel (DOC-060-02) voornoemd de factuur d.d. 6 mei 2019, factuurnr. 191511, gericht aan debiteur [afnemer/debiteur 2] , vermeld, terwijl die verkoopfactuur in werkelijkheid werd geïncasseerd vanuit de eigen bankrekening van [verdachte] en/of
- op die verkoopfactuur (DOC-059-31) voornoemd [afnemer/debiteur 3] als koper vermeld en/of doen vermelden, terwijl [afnemer/debiteur 3] in werkelijkheid niet de afnemer/debiteur was en/of
- op die (verpandings)borderel (DOC-060-03) voornoemd de factuur d.d. 3 juni april 2019, factuurnr. 191849, gericht aan debiteur [afnemer/debiteur 3] vermeld, terwijl die verkoopfactuur in werkelijkheid werd geïncasseerd vanuit de eigen bankrekening van [verdachte] en/of
- op die specificatie (DOC-062-01) voornoemd [afnemer/debiteur 1] en/of [afnemer/debiteur 2] en/of [afnemer/debiteur 3] als relatie vermeld van wier aldaar genoemde bankrekening(en) het/de aldaar genoemde factuurbedrag(en) zou(den) worden geïncasseerd, terwijl dit/deze in werkelijkheid werd(en) geïncasseerd vanuit de eigen bankrekening van [verdachte] , waardoor richting [bedrijf] . de schijn werd gewekt dat in de incassobatch van 14 november 2019 (DOC-058-01) sprake was van betalingen van de Franse klanten [afnemer/debiteur 1] en/of [afnemer/debiteur 2] en/of [afnemer/debiteur 3] en/of
zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door (een) ander(en) te doen gebruiken;
T.a.v. feit 3:
zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 november 2019 tot en met 19 april 2022 te Andel en/of Honselersdijk en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een of meer valse en/of vervalste verkoopfactu(u)r(en) en/of hierbij behorende (verpandings)borderel(len) en/of een of meer valse en/of vervalste specificatie(s) van (een) incassobatch(es), te weten
- Een incassospecificatie van [verdachte] ten behoeve van [bedrijf] d.d. 26 november 2019 voor een totaalbedrag 49.799,20 euro, waaronder het bedrag van 2.375 euro met betrekking tot de aan [bedrijf] verpande verkoopfactuur, factuurnr. 193442 (AMB-004-03, DOC-074-01, DOC-074-02 en AMB-004-02, pag. 5 e.v.) en/of
- Een verkoopfactuur van [verdachte] d.d. 25 januari 2021, factuurnr. 210271 ad. 5.477,50 euro, met bijbehorende verpandingsborderel (AMB-004-03, DOC-074-06, DOC-74-05 en AMB-004-02, pag. 9 e.v.) en/of
- Een verkoopfactuur d.d. 30 juni 2021 van [verdachte] , factuurnr. 20212027 ad. 2.300,55 euro, met bijbehorende verpandingsborderel (AMB-004-03, DOC-074-10, DOC-074-09 en AMB-004-02, pag. 12 e.v.) en/of
- Een incassospecificatie van [verdachte] ten behoeve van [bedrijf] d.d. 28 december 2021 voor een totaalbedrag 49.748,81 euro, waaronder het bedrag van 4.954,90 euro met betrekking tot de aan [bedrijf] verpande verkoopfactuur d.d. 29 september 2021, factuurnr. 213490 (AMB-004-03, DOC-074-15, DOC-074-16 en AMB-004-02, pag. 17 e.v.) en/of
- Een verkoopfactuur van [verdachte] d.d. 16 december 2021, factuurnr. 214568 ad. 5.466,79 euro, met bijbehorende verpandingsborderel (AMB-004-03, DOC-074-18, DOC-074-17 en AMB-004-02, pag. 19 e.v.) en/of
- Een incassospecificatie van [verdachte] ten behoeve van [bedrijf] d.d. 14 april 2022 voor een totaalbedrag van 44.897,05 euro, waaronder het bedrag van 3.602,11 euro met betrekking tot de aan [bedrijf] verpande verkoopfactuur d.d. 14 januari 2022, factuurnr. 2201 18 (AMB-004-03, DOC-74-23, DOC-74-24 en AMB-004-02, pag. 23 e.v.),
-elk- zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware het echt en onvervalst,
bestaande dat gebruikmaken -zakelijk weergegeven- hierin dat:
zij, verdachte, en/of (een of meer van) haar medeverdachte(n), toen aldaar, een of meer voornoemde valse en/of vervalste verkoopfactu(u)r(en) en/of hierbij behorende verpandingsborderel(len) en/of een of meer voornoemde valse en/of vervalste incassospecificatie(s) aan [bedrijf] . heeft/hebben verstuurd en/of verstrekt ten behoeve van de uitbetaling aan [verdachte] van een voorschot op het/de factuurbedrag(en) van de eveneens aan [bedrijf] . verpande en verzonden en/of verstrekte verkoopfactu(u)r(en) (AMB-004-02).
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat de rechtspersoon is opgeheven bij gebrek aan baten op 22 september 2026. Voorts heeft de verdediging een uitspraak van het Hof Amsterdam van 17 oktober 2022 overlegd, waaruit blijkt dat in dat specifieke geval kan worden afgeweken van de bestendige lijn van de Hoge Raad (welke kort gezegd inhoudt dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in haar vervolging van een rechtspersoon als de dagvaarding is betekend voorafgaand aan de inschrijving in het handelsregister van de Kamer van Koophandel van de opheffing van die desbetreffende rechtspersoon bij gebrek aan baten). Verder heeft de verdedigding aangevoerd dat er onvoldoende maatschappelijk belang is bij vervolging van de opgeheven rechtspersoon.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om de bestendige lijn van de Hoge Raad te volgen en het Openbaar Ministerie ontvankelijk te verklaren in de vervolging nu de dagvaarding aan verdachte is betekend voorafgaand aan voornoemde inschrijving. Ten aanzien van het verweer dat er onvoldoende maatschappelijk belang is, heeft de officier van justitie aangevoerd dat indien de niet-ontvankelijkheid zal worden uitgesproken verdachte aanspraak kan maken op een schadevergoeding hetgeen onwenselijk wordt geacht.
De beoordeling van door de rechtbank.
De rechtbank overweegt als volgt. De Hoge Raad heeft beslist dat indien de dagvaarding voorafgaand aan de opheffing van een rechtspersoon – althans de inschrijving van dat feit in het handelsregister van de Kamer van Koophandel waarmee bekendheid wordt gegeven aan dit feit - is betekend, de opheffing van de rechtspersoon geen belemmering vormt voor verdere strafvervolging. Het arrest van het Hof Amsterdam waar de verdediging naar verwijst, gaat in beginsel ook uit van deze hoofdregel. In dat arrest maakt het Hof een uitzondering omdat er tussen het instellen van verdere strafvervolging en het opheffen van de rechtspersoon een periode van acht jaren is verstreken. Naar het oordeel van de rechtbank is deze uitzondering in onderhavige zaak niet van toepassing nu het moment van verdere strafvervolging en de opheffing van de rechtspersoon kort na elkaar hebben plaatsgevonden. Bovendien overweegt de rechtbank dat behandeling van de strafzaak maatschappelijk een signaalfunctie heeft. De rechtbank verwerpt het verweer en verklaart het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging.
Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De bewijsvraag.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft de rechtbank gevorderd om tot een bewezenverklaring te komen ten aanzien van alle aan verdachte ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft verzocht om verdachte integraal vrij te spreken. Ten aanzien van feit 1 heeft de verdediging – kort gezegd – aangevoerd dat ten tijde van het doen van de aangiften omzetbelasting zoals op de tenlastelegging aangegeven die aangiften inhoudelijk correct waren en dat het opzet op het doen van onjuiste aangiften ontbreekt. Ten aanzien van feiten 2 en 3 is – kort gezegd – aangevoerd dat verdachte geen weet had van de totale omvang van de fraude en dat de schade die [bedrijf] heeft geleden volledig is vergoed.
Het oordeel van de rechtbank.
De door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage. De inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Overwegingen ten aanzien van feit 1.
Ten aanzien van de aangifte omzetbelasting over het tijdvak januari 2016 en het tijdvak januari 2017 is de rechtbank met de verdediging van oordeel dat er geen sprake is van een onjuiste onderliggende boeking, waardoor er evenmin sprake is van een onjuiste aangifte omzetbelasting over die tijdvakken ten tijde van het doen van die aangiften.
De rechtbank stelt voorop dat de rechtbank uitgaat van de tijdstippen en tijdvakken die door de verdediging in de pleitnota zijn opgenomen, nu de rechtbank niet beschikt over DOC-068-01. Vervolgens komt de rechtbank net als de verdediging tot de conclusie dat de aangifte omzetbelasting over het tijdvak januari 2018 juist is geweest, omdat de onjuiste boekingsregel pas na het indienen van de aangifte is gewijzigd. Daarmee kan de later toegevoegde boekingsregel geen onderdeel hebben uitgemaakt van de daarvoor verrichtte aangifte.
Ten aanzien van de aangifte omzetbelasting over het tijdvak januari 2019 overweegt de rechtbank dat de onjuiste boekingen niet in datzelfde tijdvak hebben plaatsgevonden, waardoor er geen onjuiste aangifte omzetbelasting is gedaan.
Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er in het tijdvak december 2020 mogelijk onjuiste boekingen hebben plaatsgevonden, maar de rechtbank kan niet vaststellen dat deze voorafgaand aan de aangifte omzetbelasting zijn gewijzigd en dat de desbetreffende aangifte omzetbelasting ten tijde van het doen daarvan dús onjuist was.
Gelet op het voorgaande kan de rechtbank geen vaststellingen doen dat ten tijde van het doen van de aangiften omzetbelasting zoals ten laste gelegd, opzettelijk onjuiste stukken zijn ingediend waardoor de Belastingdienst is benadeeld. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de boekingen voor zover kan worden vastgesteld pas na het indienen van de aangiften omzetbelasting aangepast met als doel een beter en gezonder financieel beeld te schetsen van de onderneming richting de Rabobank. De rechtbank kan niet vaststellen wat deze wijzigingen uiteindelijk hebben betekend voor het indienen van de aangiften en de uiteindelijke teruggave van belasting door de Belastingdienst. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder feit 1 ten laste gelegde.
Overwegingen ten aanzien van feit 2 en feit 3.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat zij verkoopfacturen en verpandingsborderellen valselijk heeft opgemaakt, waardoor bij factoringbedrijf [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ) ten onrechte de schijn werd gewekt dat de gevraagde bevoorschotting zag op Franse klanten (feit 2), en dat zij gebruik heeft gemaakt van valselijk opgemaakte bescheiden als het ware echt en onvervalst om zo bevoorschotting te krijgen (feit 3).
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de stukken zoals genoemd onder feiten 2 en 3 vals zijn, en dat de stukken zoals genoemd onder feit 3 zijn gebruikt als het ware echt en onvervalst. De verdediging heeft de valsheden niet betwist. Naar het oordeel van de rechtbank is voor de vraag of het tenlastegelegde kan worden bewezen, niet van belang wat de hoogte van de benadeling van [bedrijf] nog is of is geweest.
De vraag die aan de rechtbank voorligt is of er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de toerekenbaarheid aan [verdachte] en of de feiten opzettelijk zijn begaan. De rechtbank beantwoordt die vragen bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
Toerekenbaarheid aan de rechtspersoon.
De rechtbank stelt voorop dat een rechtspersoon als dader van een strafbaar feit kan worden aangemerkt indien de gedraging in redelijkheid aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt daarbij is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake kunnen zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:
-
het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;
-
de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;
-
de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf;
-
de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede is begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op het voorkomen van de gedraging.
De rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast. [verdachte] heeft in de periode van juli 2018 tot mei 2022 een factoringsovereenkomst gesloten met [bedrijf] , waarbij [bedrijf] [verdachte] heeft bevoorschot. De klanten die contant betaalden werden niet meegenomen in de overeenkomst, hetgeen mogelijk de oorzaak was voor liquiditeitsproblemen bij [verdachte] Door facturen te vervalsen kon er alsnog bevoorschotting worden aangevraagd bij [bedrijf] . Daarnaast heeft [verdachte] onjuiste klanten vermeld bij de specificaties van de incassobatches, waardoor eveneens bevoorschotting is aangevraagd. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze gedragingen de rechtspersoon dienstig geweest, omdat ten tijde van liquiditeitsproblemen bevoorschotting is verkregen zodat de rechtspersoon kon blijven voortbestaan. Dit was ook nodig omdat de Rabobank [verdachte] op enig moment in bijzonder beheer heeft geplaatst waardoor zij ook voor wat betreft de financiële positie onder een vergrootglas kwam te liggen.
Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de onder feit 2 en feit 3 ten laste gelegde gedragingen hebben plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon. De gedragingen kunnen daarom in redelijkheid aan verdachte worden toegerekend.
Opzet.
De rechtbank overweegt dat het opzet van verdachte ten aanzien van feit 2 en feit 3 besloten licht in de handelswijze van verdachte.
Conclusie.
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder feit 1 aan verdachte ten laste is gelegd en zal verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank komt tot een bewezenverklaring ten aanzien van het onder feit 2 en feit 3 ten laste gelegde.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelenbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen en alles wat hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
T.a.v. feit 2:
op 15 april 2019 en 6 mei 2019 en 3 juni 2019 en 6 november 2019 in Nederland, , meermalen, telkens een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten:
- Een verkoopfactuur van [verdachte] d.d. 15 april 2019, factuurnr. 191252, gericht aan [afnemer/debiteur 1] te Frankrijk en
- Een bijbehorende verpandingsborderel ten behoeve van [bedrijf] .) en
- Een verkoopfactuur van [verdachte] d.d. 6 mei 2019, factuurnr. 191511, gericht aan [afnemer/debiteur 2] , Ludres te Frankrijk en
- Een bijbehorende verpandingsborderel ten behoeve van [bedrijf] . en
- Een verkoopfactuur van [verdachte] d.d. 3 juni 2019, factuurnr. 191849, gericht aan [afnemer/debiteur 3] , Lannilis te Frankrijk en
- Een bijbehorende verpandingsborderel ten behoeve van [bedrijf] . en
- Een specificatie van [verdachte] ten behoeve van [bedrijf] d.d. 6 november 2019 van de incassobatch van 23.260 euro die op 14 november 2019 op de rekening van [bedrijf] . werd ontvangen
valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, immers heeft zij, verdachte toen aldaar telkens valselijk en in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven-
- op die verkoopfactuur voornoemd [afnemer/debiteur 1] als koper terwijl [afnemer/debiteur 1] in werkelijkheid niet de afnemer/debiteur was en
- op die bijbehorende verpandingsborderel voornoemd de factuur d.d. 15 april 2019, factuurnr. 191252, gericht aan debiteur [afnemer/debiteur 1] vermeld, terwijl die verkoopfactuur in werkelijkheid werd geïncasseerd vanuit de eigen bankrekening van [verdachte] en
- op die verkoopfactuur voornoemd [afnemer/debiteur 2] als koper vermeld terwijl [afnemer/debiteur 2] in werkelijkheid niet de afnemer/debiteur was en
- op die bijbehorende verpandingsborderel voornoemd de factuur d.d. 6 mei 2019, factuurnr. 191511, gericht aan debiteur [afnemer/debiteur 2] , vermeld, terwijl die verkoopfactuur in werkelijkheid werd geïncasseerd vanuit de eigen bankrekening van [verdachte] en
- op die verkoopfactuur voornoemd [afnemer/debiteur 3] als koper vermeld terwijl [afnemer/debiteur 3] in werkelijkheid niet de afnemer/debiteur was en
- op die verpandingsborderel voornoemd de factuur d.d. 3 juni april 2019, factuurnr. 191849, gericht aan debiteur [afnemer/debiteur 3] vermeld, terwijl die verkoopfactuur in werkelijkheid werd geïncasseerd vanuit de eigen bankrekening van [verdachte] en
- op die specificatie voornoemd [afnemer/debiteur 1] en [afnemer/debiteur 2] en [afnemer/debiteur 3] als relatie vermeld van wier aldaar genoemde bankrekeningen de aldaar genoemde factuurbedragen zouden worden geïncasseerd, terwijl deze in werkelijkheid werden geïncasseerd vanuit de eigen bankrekening van [verdachte] , waardoor richting [bedrijf] . de schijn werd gewekt dat in de incassobatch van 14 november 2019 sprake was van betalingen van de Franse klanten [afnemer/debiteur 1] en [afnemer/debiteur 2] en [afnemer/debiteur 3] en
zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken;
T.a.v. feit 3:
in de periode van 27 november 2019 tot en met 19 april 2022 in Nederland, meermalen, telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse verkoopfacturen hierbij behorende verpandingsborderellen en valse specificaties van incassobatches, te weten
- Een incassospecificatie van [verdachte] ten behoeve van [bedrijf] d.d. 26 november 2019 voor een totaalbedrag 49.799,20 euro, waaronder het bedrag van 2.375 euro met betrekking tot de aan [bedrijf] verpande verkoopfactuur, factuurnr. 193442 en
- Een verkoopfactuur van [verdachte] d.d. 25 januari 2021, factuurnr. 210271 ad. 5.477,50 euro, met bijbehorende verpandingsborderel en
- Een verkoopfactuur d.d. 30 juni 2021 van [verdachte] , factuurnr. 20212027 ad. 2.300,55 euro, met bijbehorende verpandingsborderel en
- Een incassospecificatie van [verdachte] ten behoeve van [bedrijf] d.d. 28 december 2021 voor een totaalbedrag 49.748,81 euro, waaronder het bedrag van 4.954,90 euro met betrekking tot de aan [bedrijf] verpande verkoopfactuur d.d. 29 september 2021, factuurnr. 213490 en
- Een verkoopfactuur van [verdachte] d.d. 16 december 2021, factuurnr. 214568 ad. 5.466,79 euro, met bijbehorende verpandingsborderel en
- Een incassospecificatie van [verdachte] ten behoeve van [bedrijf] d.d. 14 april 2022 voor een totaalbedrag van 44.897,05 euro, waaronder het bedrag van 3.602,11 euro met betrekking tot de aan [bedrijf] verpande verkoopfactuur d.d. 14 januari 2022, factuurnr. 220118,
-elk- zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware het echt en onvervalst,
bestaande dat gebruikmaken -zakelijk weergegeven- hierin dat:
zij, verdachte, toen aldaar, voornoemde valse verkoopfacturen en hierbij behorende verpandingsborderellen en voornoemde valse incassospecificaties aan [bedrijf] . heeft verstuurd en verstrekt ten behoeve van de uitbetaling aan [verdachte] van een voorschot op de factuurbedragen van de eveneens aan [bedrijf] . verpande en verzonden en verstrekte verkoopfacturen.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf en/of maatregel.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft de rechtbank gevorderd om over te gaan tot schuldigverklaring zonder oplegging van verdere straf of maatregel.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het vervalsen van facturen en verpandingsborderellen en het gebruik maken van deze valse stukken. Tussen [verdachte] en [bedrijf] is een factoringsovereenkomst gesloten, waarbij [verdachte] werd bevoorschot. Vanwege liquiditeitsproblemen heeft verdachte samen met haar compagnons een werkwijze opgezet waarbij facturen en verpandingsborderellen zijn vervalst om alsnog bevoorschotting te krijgen voor klanten die contant betaalden en niet in de overeenkomst zijn opgenomen. Verdachte heeft doelbewust [bedrijf] gedurende een lange periode misleid door het opmaken en gebruiken van valse facturen en verpandingsborderellen. Bovendien ging het hierbij om grote bedragen omdat er veel geld in het bedrijf omging. Dit rekent de rechtbank verdachte aan. De rechtbank heeft oog voor de financiële positie waarin het bedrijf is komen te verkeren en de eisen die door de financiers zijn gesteld om het hoofd boven water te houden. Dit zal voor de betrokken personen een enorme druk hebben opgeleverd. Die druk is echter niet zodanig, dat dit strafrechtelijk gezien verdachte de ruimte geeft om fraude te plegen. En zeker niet op zo een grote schaal.
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 27 augustus 2026 betreffende verdachte, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
Voorts houdt de rechtbank rekening met de overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank houdt tevens rekening met de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 september 2026, waaruit volgt dat het faillissement is opgeheven wegens gebrek aan baten.
Alles overziend acht de rechtbank het niet passend om nog een straf aan verdachte op te leggen. De rechtbank zal verdachte schuldig verklaren zonder oplegging van verdere straf of maatregel.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
51, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 aan haar ten laste gelegde;
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij;
het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:
t.a.v. feit 2:
valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon;
t.a.v. feit 3:
opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
verklaart verdachte schuldig zonder oplegging van straf of maatregel.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. F.H.E. Boerma, voorzitter,
mr. S.J.H. van de Kant en mr. M. Langstraat, leden,
in tegenwoordigheid van mr. L.A.P.H. Kirkels, griffier,
en is uitgesproken op 14 oktober 2026.