Civiel recht overig

Verzoek vastleggen pachtovereenkomst; afgewezen; geen bedrijfsmatige exploitatie landbouw. Reconventionele…

Rechtbank Overijssel, 6 oktober 2020

Zaakgegevens

Op 6 oktober 2020 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Overijssel
Zittingsplaats
Zwolle
Datum uitspraak
6 oktober 2020
Datum publicatie
8 oktober 2020
Zaaknummer
8282746 \ CV EXPL 20-307
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2020:3304
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek vastleggen pachtovereenkomst; afgewezen; geen bedrijfsmatige exploitatie landbouw. Reconventionele vordering ontbinding primair huurovereenkomst, subsidiair pachtovereenkomst; verwijzing naar kantonrechter.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

PACHTKAMER

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer : 8282746 \ CV EXPL 20-307

Vonnis van 6 oktober 2020

in de zaak van

[A] ,
wonende te Vriezenveen,

eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie en in het incident,

hierna te noemen [A] ,

gemachtigde: Janssen en Janssen Gerechtsdeurwaarders,

tegen

de besloten vennootschap TWENTSVAST B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Enschede,

gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie en in het incident, hierna te noemen Twentsvast,

gemachtigde: mr. D.F. Briedé.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 31 maart 2020

- de conclusie van repliek in conventie, tevens conclusie van antwoord in reconventie met tevens conclusie van antwoord in het incident

- de conclusie van dupliek in conventie tevens repliek in reconventie

- de conclusie van dupliek in reconventie met tevens akte uitlating producties in conventie.

1.2.

In verband met de sterk beperkte toegankelijkheid van de rechtbank vanwege het Corona virus, heeft geen mondelinge behandeling (als bedoeld in artikel 87 Rv) plaatsgevonden en heeft de pachtmaker bepaald dat in de zaak schriftelijk wordt geprocedeerd. De pachtkamer heeft partijen bij genoemd tussenvonnis wel de mogelijkheid geboden om hun standpunt desgewenst mondeling uiteen te zetten, maar partijen hebben niet de wens daartoe te kennen gegeven.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Voor de feiten wordt verwezen naar hetgeen in het tussenvonnis in rubriek 2 is opgenomen.

3 Het geschil

3.1.

in het incident

3.1.1.

De vordering

Twentsvast vordert – als voorlopige voorziening ex art. 223 Rv - om [A] te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van het vonnis het registergoed met al diegenen die en al datgene dat zich daarin of daarop vanwege hem bevindt, te ontruimen en met afgifte van de sleutels in behoorlijke staat ter beschikking te stellen aan Twentsvast en ontruimd te houden, zonodig met behulp van de sterke arm conform art. 555 jo. art. 444 Rv.

3.1.2.

Het verweer

[A] concludeert tot afwijzing van de vordering. Enerzijds doet hij dat op grond van zijn stellingen in de hoofdzaak, en anderzijds omdat Twentsvast als onderneming die zich richt op het verkrijgen, beheren, exploiteren en vervreemden van onroerende zaken volgens hem geen dringend eigen belang bij een spoedige ontruiming heeft.

in de hoofdzaak

3.2.

in conventie

3.2.1.

De vordering

[A] vordert dat de pachtkamer de tussen partijen bestaande pachtovereenkomst met betrekking tot het registergoed in overeenstemming met de wettelijke bepalingen schriftelijk vastlegt, ingaande (primair) eind december 1999, dan wel (subsidiair) in september 2015, tegen betaling van een bedrag van € 500,00 per maand dan wel € 1.000,00 per maand. [A] wil verder dat de pachtkamer Twentsvast veroordeelt in de kosten van deze procedure.

3.2.2.

Het verweer

Twentsvast betwist dat [A] op het registergoed bedrijfsmatig de landbouw uitoefent of heeft uitgeoefend, zodat er geen sprake is van pacht, en de vordering tot vastlegging van een pachtovereenkomst moet worden afgewezen. Volgens Twentsvast wordt er ten aanzien van de woning voldaan aan de essentialia van een huurovereenkomst, te weten genot, huurprijs en een bepaalde duur.

3.3.

in reconventie

3.3.1.

De vordering

Twentsvast vordert:

  • Ontbinding van (primair:) de huurovereenkomst dan wel (subsidiair:) de pachtovereenkomst;

  • (voorwaardelijk, namelijk in het geval dat haar vordering in het incident wordt afgewezen) om [A] te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van het vonnis het registergoed met al diegenen die en al datgene dat zich daarin of daarop vanwege hem bevindt, te ontruimen en met afgifte van de sleutels in behoorlijke staat ter beschikking te stellen aan Twentsvast en ontruimd te houden, zonodig met behulp van de sterke arm conform art. 555 jo. art. 444 Rv;

  • Betaling van een bedrag van € 33.250,00 ter zake van de betalingsachterstand, alsmede een bedrag van € 1.000,00 met ingang van maart 2020 tot het moment dat de overeenkomst is ontbonden.

Twentsvast vordert tenslotte veroordeling van [A] in de proceskosten

3.3.2.

Het verweer

Aangezien volgens [A] sprake is van een pachtovereenkomst kan ontbinding van een huurovereenkomst niet gevorderd worden. Voor zover Twentsvast ontbinding van de pachtovereenkomst vordert, gaat het verwijt dat [A] te kort schiet in zijn betalingsverplichting niet op omdat betaling juridisch niet kan worden afgedwongen zolang de grondkamer de pachtovereenkomst niet heeft goedgekeurd.

4 De beoordeling

in het incident

4.1.

Aan de provisionele vordering heeft Twentsvast blijkens de conclusie van eis in reconventie ten grondslag gelegd dat de rechtsverhouding tussen haar en [A] juridisch kwalificeert als die van huur, in welke optiek [A] zijn verplichtingen tot betaling niet nakomt en daarmee reden geeft voor ontbinding van de huurovereenkomst.

4.2.

In reconventie heeft zij dezelfde vordering ingesteld, maar voorwaardelijk, namelijk in geval die vordering in het incident niet wordt toegewezen.

De pachtkamer acht zich niet bevoegd om een beslissing te geven in het incident. Zij verwijst voor de motivering van dit oordeel naar de hierna volgende overwegingen ten aanzien van de vorderingen in reconventie en de daaraan verbonden gevolgtrekking.

De zaak zal daarom worden verwezen naar de kantonrechter te Almelo.

in de hoofdzaak

4.3.

in conventie

4.3.1.

[A] heeft zich op het standpunt gesteld dat het door hem gemaakte gebruik van het registergoed voldoet aan de definitie van een pachtovereenkomst in de zin van artikel 7:311 BW. Hij stelt namelijk dat hij het registergoed vanaf eind 1999 van zijn zoon [B] . tegen een tegenprestatie van € 500,00 per maand in gebruik had ten behoeve van de landbouw en tuinbouw en dat hij dat gebruik vanaf de verkoop van het registergoed in september 2015 tot op heden heeft doorgezet, maar dan tegen een met Twentsvast overeengekomen tegenprestatie van € 1.000,00 per maand.

4.3.2.

[A] heeft aangegeven dat zowel vollegronds als in kassen rode biet en diverse soorten peulvruchten worden verbouwd, ten bewijze waarvan hij als productie heeft ingebracht een overzicht van [X] inzake inkopen (per crediteur/per periode), waarop als crediteur is vermeld “kwekerij [A] ” en dat ziet op de periode 1 juni 2019 tot en met 21 oktober 2019. Verder heeft hij overgelegd een overzicht met de gerealiseerde omzet in 2019 en een prognose voor 2020. Verder wijst hij erop dat in het handelsregister als activiteiten van de onderneming naast markthandel in aardappelen, groenten en fruit ook ambulante handel in (agrarische) producten staat vermeld. Tenslotte heeft hij een winst- en verliesrekening 2019 van zijn accountant overgelegd d.d. 19 juni 2020.


4.3.3.

Twentsvast betwist dat sprake is van een pachtovereenkomst omdat [A] ter plekke geen bedrijf voert, ofwel het registergoed niet bedrijfsmatig exploiteert, maar daar slechts woont. Geen van partijen heeft beoogd dat [A] daar een kwekerij zou drijven. [A] mocht na de aankoop door Twentsvast alleen daar blijven wonen totdat zich een koper voor de boerderij zou aandienen. Zodoende is volgens Twentsvast sprake van een huurovereenkomst, zodat de vordering van [A] moet worden afgewezen.

4.3.4.

Twentsvast heeft ter onderbouwing van zijn standpunt aangevoerd dat blijkens het handelsregister op het registergoed sinds 1999 een kwekerij wordt gedreven door [B] .

Volgens het handelsregister voert [A] zelf sinds 2014 een eenmanszaak met als activiteiten markthandel in aardappelen, groenten en fruit. Volgens Twentsvast wijst ook de leeftijd van [A] , 78 jaar, niet op het voeren van een kwekerij als onderneming. De kwekerij moet dan ook worden beschouwd als bedrijf van de zoon van [A] .

4.4.

De pachtkamer overweegt hierover het volgende.

4.4.1.

Een pachtovereenkomst is ingevolge artikel 7:311 BW een overeenkomst waarbij de verpachter zich verbindt om tegen een tegenprestatie aan de pachter een onroerende zaak of een gedeelte daarvan in gebruik te verstrekken ter uitoefening van de landbouw.

Ingevolge artikel 7:312 BW moet het bij pacht gaan om landbouw voor zover bedrijfsmatig uitgeoefend.

4.4.2.

Naar vaste rechtspraak van het pachthof veronderstelt een bedrijfsmatige exploitatie van het gepachte dat sprake is van een complex van economische activiteiten, gericht op winst door uitoefening van de landbouw. Voor de vraag of daarvan sprake is, zijn de navolgende gezichtspunten in het bijzonder van belang:

a. de omvang van het bedrijf en de onderlinge samenhang tussen de diverse bedrijfsactiviteiten;

b. de vraag of de voor toekomstige winstkansen noodzakelijke investeringen plaatsvinden;

c. het redelijkerwijs te verwachten ondernemingsrendement;

d. de vraag of de gebruiker een hoofdfunctie buiten de landbouw heeft;

een en ander in onderlinge samenhang te beschouwen en met inachtneming van de overige omstandigheden van het geval.

4.4.3.

[A] besteedt in zijn processtukken nauwelijks aandacht aan de bedrijfsmatigheid als vereiste voor een pachtovereenkomst. Hij lijkt in de veronderstelling te verkeren dat het genoeg is dat hij het registergoed tegen een tegenprestatie in gebruik heeft voor tuinbouwactiviteiten. Dit ook ondanks het feit dat de pachtkamer in het tussenvonnis d.d. 31 maart 2020 onder 4.1. heeft overwogen dat zij nader geïnformeerd wil worden over de bedrijfsmatige uitoefening van de landbouw door [A] en waar dat uit kan blijken. De pachtkamer overweegt er het volgende over.

4.4.4.

De pachtkamer zal zich eerst richten op de door [A] gestelde pachtovereenkomst tussen hem en zijn zoon [B] waarvan in 1999 sprake zou zijn, toen zijn zoon het registergoed en het tuinbouwbedrijf had gekocht en hij zelf “gewoon is doorgegaan met zijn tuinbouwbedrijf en er ook is blijven wonen”.

De vraag is of de rechtsverhouding tussen vader en zoon kwalificeert als pacht. Afspraken hierover zijn niet vastgelegd. Maar dat een pachtovereenkomst niet schriftelijk is vastgelegd, behoeft er op zich niet aan in de weg te staan om van de geldigheid daarvan uit te kunnen gaan.

[A] heeft gesteld dat hij sinds 1970 het registergoed altijd heeft gebruikt en bewerkt voor zijn tuinbouwbedrijf en dat hij dat eind 1999 is blijven voorzetten, ondanks dat hij toen het registergoed en het bedrijf aan zijn zoon heeft verkocht. Aan zijn zoon is hij vanaf dat moment een vergoeding gaan betalen voor het gebruik van woning, kassen en grond van € 500,00 per maand. Daarmee zou in beginsel van een pachtverhouding kunnen worden uitgegaan, mits het gebruik door [A] aangemerkt kan worden als bedrijfsmatig uitgeoefende landbouw. Hiertegen pleit echter de inschrijving in het handelsregister van [B] , inhoudende dat [B] sinds 1992 op het registergoed een kwekerij voert. [A] heeft geen uittreksel uit het handelsregister overgelegd waaruit zou kunnen blijken dat hij toen zelf ter plaatse nog een kwekerijbedrijf voerde. Wel heeft Twentsvast een uittreksel uit het handelsregister overgelegd waaruit blijkt dat [A] vanaf 2014 een handelsonderneming voert, gericht op de handel in aardappelen, groenten en fruit, maar dat zijn op zich geen landbouwactiviteiten. [A] stelt zelf dat zijn zoon niet alleen het registergoed maar ook het bedrijf heeft gekocht. Dat [A] volgens zijn eigen stellingen werk is blijven verrichten op de kwekerij van zijn zoon, nadat hij het registergoed had verkocht, brengt nog niet mee dat [A] dat in het kader van zijn eigen bedrijfsvoering is blijven doen en dat er hierdoor een pachtovereenkomst tussen hen is ontstaan. Integendeel, uit de stellingen van [A] lijkt veeleer te moeten worden afgeleid dat [A] zijn tuinbouwwerkzaamheden is gaan verrichten in het kader van het kwekerijbedrijf van zijn zoon.
Jaarstukken of belastingaangiftes waaruit de bedrijfsmatige exploitatie van een tuinbouwbedrijf door [A] zou kunnen blijken ontbreken, hoewel de pachtkamer in het tussenvonnis d.d. 31 maart 2020 onder 4.1. nog heeft gesuggereerd dergelijke stukken over te leggen.

4.4.5.

De vraag of bij [A] sprake is van een complex van landbouwactiviteiten, in dit geval tuinbouw, die primair gericht is (geweest) op (zijn eigen) winst, kan al met al door de pachtkamer niet bevestigend worden beantwoord.

[A] heeft onvoldoende gesteld en onderbouwd om tot de conclusie te kunnen komen dat hij zijn tuinbouwwerkzaamheden in het kader van zijn eigen (tuinbouw-)bedrijf heeft verricht. Ook met betrekking tot de omvang van de activiteiten en de onderlinge samenhang tussen het kwekerijbedrijf van zijn zoon en zijn eigen handelsonderneming is onvoldoende gebleken. [A] heeft weliswaar vermeld welke groenten ter plaatse worden verbouwd, maar uit niets blijkt dat dat in het kader van zijn eigen bedrijf is gebeurd.

Ook ter zake van investeringen in het bedrijf van [A] is niets gesteld of gebleken.

Gelet op de hiervoor onder 4.4.3. genoemde aspecten van een bedrijfsmatige exploitatie, is de pachtkamer van oordeel dat [A] onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd om de conclusie te kunnen trekken dat de rechtsverhouding tussen vader en zoon ten tijde van de aankoop van het registergoed door Twentsvast naar de aard als een pachtverhouding krachtens een mondelinge overeenkomst uit 1999 had te gelden. Nu een begin van bewijs voor de bedrijfsmatige exploitatie ontbreekt en [A] ook geen specifiek en concreet bewijsaanbod heeft gedaan, ziet de pachtkamer geen reden voor een bewijsopdracht aan [A] .

4.4.6.

Wat betreft het subsidiaire standpunt van [A] dat na de verkoop van het registergoed een pachtovereenkomst tot stand is gekomen met Twentsvast geldt eigenlijk hetzelfde. De pachtkamer overweegt dienaangaande het volgende.

4.4.7.

[A] beroept zich er op dat Twentsvast na de aankoop contact met hem heeft opgenomen en kenbaar heeft gemaakt dat hij het gebruik van het woonhuis met schuren, opstallen en aanhorigheden kon blijven voortzetten, tegen betaling van een bedrag van € 1.000,00 per maand. Op grond van die overeenkomst heeft [A] dat gebruik voortgezet, in zijn benadering was dat een gebruik ten behoeve van de landbouw.

Twentsvast betwist op zich niet dat zij met [A] afspraken heeft gemaakt over de voortzetting van de bewoning, maar zij ontkent met [A] te hebben gesproken over het pachten van het perceel. Volgens haar is sprake van een huurovereenkomst, aangezien zij de bewoning van de woning door [A] heeft toegestaan tot het moment waarop voor de boerderij een koper gevonden zou zijn. Die koper is evenwel tot 1 januari 2020 niet gevonden. Volgens Twentsvast exploiteert de zoon ondertussen op het registergoed zijn kwekerijbedrijf, maar Twentsvast stelt dat zij daarmee geen afspraken heeft gemaakt.

4.4.8.

[A] heeft niet weersproken dat Twentsvast niet met zoveel woorden met hem heeft gesproken over “pacht”, maar [A] heeft zich - op zichzelf juist - op het standpunt gesteld dat blijkens de jurisprudentie voor de beantwoording van de vraag of sprake is van pacht, de intentie van partijen niet doorslaggevend hoeft te zijn.

4.4.9.

De pachtkamer concludeert dat van eenduidige afspraken tussen [A] en Twentsvast over het voortgezet gebruik van het registergoed niet is gebleken. Dit zou moeten leiden tot een bewijsopdracht aan [A] met betrekking tot zijn stelling dat Twentsvast heeft ingestemd met het voortgezet gebruik van het registergoed, óók voor tuinbouwactiviteiten. Maar afgezien van de vraag of tussen partijen wilsovereenstemming kan worden aangenomen over het gebruik van het registergoed voor de uitoefening van de tuinbouw, is ook hier de vraag weer cruciaal of er bij het gebruik van het registergoed door [A] sprake is van bedrijfsmatige uitoefening van de tuinbouw, zodat de overeenkomst tussen partijen – in beginsel, volgens de stellingen van [A] – kan worden aangemerkt als een pachtovereenkomst.

4.4.10.

En ook hier geldt dan weer dat [A] onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd om tot de conclusie te kunnen komen dat hij zijn tuinbouwwerkzaamheden na de verkoop in 2015 in het kader van een eigen (tuinbouw-)bedrijf heeft verricht.

Daarbij heeft de pachtkamer mede in aanmerking genomen dat [A] sinds 16 oktober 2014 op het desbetreffende adres in het handelsregister staat ingeschreven met een handelsonderneming (markt- en ambulante handel) in aardappelen, groeten en fruit en agrarische producten. [A] heeft geen uittreksel uit het handelsregister overgelegd waaruit zou kunnen blijken dat hij toen zelf ter plaatse ook nog een tuinbouwbedrijf voerde.

4.4.11.

De door [A] overgelegde stukken over in 2019 van hem ingekochte groenten, zijn omzet en winst- en verliesrekening over de jaren 2018 en 2019 brengen naar het oordeel van de pachtkamer voorts niet overtuigend mee dat de verkoop, inkomsten en bedrijfsopbrengsten van de handelsonderneming onmiskenbaar zijn gerealiseerd met een eigen bedrijfsmatige exploitatie van een kwekerij. Noch in het verkoopoverzicht, noch in de winst en verliesrekening over 2019 zijn bedrijfslasten opgenomen die men normaliter zou verwachten bij een bedrijfsmatige exploitatie. Bovendien gaat het erom hoe de bedrijfsvoering in 2015 was.

4.4.12.

Daarmee komt de pachtkamer in de verhouding tussen [A] en Twentsvast tot eenzelfde conclusie als verwoord in rechtsoverweging 4.4.5. over de rechtsverhouding tussen [A] en [B]

4.4.13.

De pachtkamer komt tot de slotsom dat de vordering van [A] tot schriftelijke vastlegging van een pachtovereenkomst niet kan slagen en dus moet worden afgewezen.

4.4.14.

[A] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van Twentsvast tot op heden begroot op € 480,00 wegens salaris gemachtigde (2 punten x tarief 240,00).

4.5.

in reconventie

4.5.1.

De primaire vordering van Twentsvast strekt tot ontbinding van de huurovereenkomst met Twentsvast. Subsidiair vordert Twentsvast ontbinding van de pachtovereenkomst. Gelet op het hiervoor in conventie gegeven oordeel van de pachtkamer ten aanzien van de vordering tot vastlegging van enige pachtovereenkomst moet de subsidiair gedane vordering worden afgewezen.

Daarmee resteert een geschil tussen partijen over het bestaan van een huurovereenkomst, de nakoming en beëindiging daarvan en over de aan de stellingen van Twentsvast in dit kader te verbinden rechtsgevolgen in de vorm van een veroordeling tot ontruiming en betaling van huurachterstand.

Zodanig geschil behoort niet tot de bevoegdheid van de pachtkamer, zodat zij de zaak ingevolge artikel 1019k Rv in de stand waarin deze zich bevindt zal verwijzen naar de kantonrechter te Almelo

5 De beslissing

De pachtkamer,

in het incident

5.1.

verklaart zich onbevoegd van de provisionele vordering kennis te nemen,

5.2.

verwijst de zaak in de staat waarin deze zich bevindt naar de kantonrechter te Almelo,

in de hoofdzaak

in conventie

5.3.

wijst de vordering af,

5.4.

veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van Twentsvast tot op heden begroot op € 480,00,

5.5.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.6.

verklaart zich onbevoegd van de reconventionele vordering kennis te nemen,

5.7.

verwijst de zaak voor het overige, in de stand waarin deze zich bevindt, naar de rolzitting van de kantonrechter van deze rechtbank, locatie Almelo, op dinsdag 13 oktober 2020 te 10.00 uur,

5.8.

wijst partijen erop dat zij op de hiervoor vermelde rolzitting niet hoeven te verschijnen, omdat de kantonrechter eerst zal beslissen op welke wijze de procedure zal worden voortgezet, waarna de griffier partijen over deze beslissing zal informeren,

5.9.

draagt de griffier op het procesdossier door te zenden aan de roladministratie van de kantonrechter te Almelo.

Dit vonnis is gewezen door de pachtkamer in de rechtbank Overijssel, bestaande uit

mr. F. Koster, kantonrechter-voorzitter, E.F.F. van Heek en R. Bos, deskundige leden, en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2020. (AR)

Rv = Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BW = Burgerlijk Wetboek ECLI:NL:GHARN:2009:BI4361 Zie dagvaarding sub 4. Producties 6, 7 en 8 van [A]