Civiel recht overig
vernietiging opzegging. loonvordering.
Rechtbank Overijssel, 21 juli 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:4697 · Rechtbank Overijssel · 21 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-overijssel/civiel-recht/civiel-recht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbove-2026-4697
Zaakgegevens
Op 21 juli 2026 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Rechtbank OverijsselRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Datum uitspraak
- 21 juli 2026
- Datum publicatie
- 1 augustus 2026
- Zaaknummer
- 12214420 \ EJ VERZ 26-144
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOVE:2026:4697
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
vernietiging opzegging. loonvordering.
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer / rekestnummer: 12214420 \ EJ VERZ 26-144
Beschikking van 21 juli 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap FIDA BEWIND B.V.,
gevestigd in Oldenzaal,
handelend in hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van:
[verzoeker],
wonende in [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. N.R. Breman-Kleine,
procederend met een toevoeging, afgegeven onder nummer 2HD8538,
tegen
de besloten vennootschap SAGITTA MARKETING ZWOLLE B.V.,
gevestigd in Zwolle,
verwerende partij,
hierna te noemen: Sagitta,
niet verschenen.
De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt de werknemer om vernietiging van een opzegging van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd door de werkgever alsmede betaling van (achterstallig) loon totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd. De werkgever heeft geen verweer gevoerd. De kantonrechter wijst het verzoek toe, omdat de opzegging niet (rechts)geldig is.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift,
- de mondelinge behandeling van 1 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waar werkgever niet is verschenen.
Hoewel werkgever daartoe in de gelegenheid is gesteld, heeft hij geen verweerschrift ingediend.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2 De feiten
[verzoeker] is sinds 8 december 2025 in dienst bij Sagitta. De arbeidsovereenkomst is op basis van oproep en eindigt van rechtswege op 8 juli 2026. De functie van [verzoeker] is telefonisch verkoper met een loon van € 14,40 bruto per uur tot 1 januari 2026 en € 14,71 bruto per uur vanaf 1 januari 2026. In de arbeidsovereenkomst is opgenomen dat het loon maandelijks achteraf wordt betaald op de vijftiende van de maand of de eerstvolgende werkdag.
Op 17 maart 2026 heeft Sagitta de arbeidsovereenkomst met directe ingang opgezegd.
3 Het verzoek
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen en Sagitta te veroordelen tot betaling van loon, te vermeerderen met wettelijke rente en de wettelijke verhoging en om Sagitta te veroordelen in de proceskosten.
Sagitta heeft geen verweer gevoerd.
4 De beoordeling
Het gaat in deze zaak om de vraag of de opzegging van de arbeidsovereenkomst moet worden vernietigd en of Sagitta moet worden veroordeeld tot betaling van loon.
De kantonrechter oordeelt dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is, omdat [verzoeker] niet schriftelijk heeft ingestemd met de opzegging en van de uitzonderingen genoemd onder lid 1 van artikel 7:671 Burgerlijk Wetboek, zoals toestemming voor de opzegging van het UWV, niet is gebleken. De kantonrechter zal daarom het verzoek van [verzoeker] tot vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst toewijzen.
[verzoeker] heeft recht op loon, omdat de opzegging wordt vernietigd en de arbeidsovereenkomst dus voortduurt en [verzoeker] zich bereid en beschikbaar heeft gehouden werkzaamheden voor Sagitta te verrichten. [verzoeker] heeft aangevoerd dat hij een loonstrook heeft ontvangen van zijn loon van € 1.138,29 bruto over februari 2026, maar dat dit loon niet is uitgekeerd. Wat betreft zijn loon vanaf maart 2026 beroept [verzoeker] zich op het rechtsvermoeden van zijn gemiddelde arbeidsomvang. Dit gemiddelde komt uit op een bedrag van € 1.105,56 bruto per maand. De kantonrechter zal de vordering van [verzoeker] tot loonbetaling toewijzen met inachtneming van de datum waarop de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt.
De gevorderde wettelijke verhoging en de wettelijke rente zullen ook worden toegewezen, omdat Sagitta het loon niet heeft betaald. Sagitta is vanaf de zestiende dag van de maand of de eerstvolgende werkdag volgend op de maand waarin het loon is verdiend in verzuim, aangezien Sagitta op de dag van opeisbaarheid van het loon van rechtswege in verzuim is. De wettelijke rente per maandloon zal daarom vanaf die data worden toegewezen. De wettelijke verhoging zal worden toegewezen vanaf de vierde werkdag volgend op de dag waarop Sagitta in verzuim is geraakt. De kantonrechter ziet geen aanleiding de wettelijke verhoging te beperken en zal daarom de wettelijke verhoging toewijzen tot het maximale percentage van 50%.
De proceskosten komen voor rekening van Sagitta, omdat Sagitta ongelijk krijgt en de kantonrechter geen aanleiding ziet de proceskosten te compenseren. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 780,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 543,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten).
5 De beslissing
De kantonrechter
vernietigt de opzegging van de arbeidsovereenkomst,
veroordeelt Sagitta tot betaling aan [verzoeker] van € 1.138,29 bruto aan loon over de maand februari 2026, € 1.105,56 bruto aan loon over de maanden maart, april, mei en juni 2026 en € 285,30 bruto aan loon over de maand juli 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over de toegewezen bedragen vanaf 16 maart 2026, 16 april 2026, 18 mei 2026, 16 juni 2026, 16 juli 2026 respectievelijk 17 augustus 2026 tot aan de dag van de algehele betaling en te vermeerderen met de wettelijke verhoging met een maximum van 50% vanaf de vierde werkdag volgend waarop de wettelijke rente is toegewezen,
veroordeelt Sagitta in de proceskosten van € 780,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.R.H. Lutjes en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026. (hg)