Civiel recht overig

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 21 oktober 2025 aan partij B een uitingsverbod op…

Rechtbank Overijssel, 23 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 23 oktober 2026 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Overijssel
Zittingsplaats
Almelo
Datum uitspraak
23 oktober 2026
Datum publicatie
27 oktober 2026
Zaaknummer
C/08/350930 / KG ZA 26-193
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Advocaat
mr. C.M. Sent, mr. I. Mercanoglu
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2026:6485
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 21 oktober 2025 aan partij B een uitingsverbod op sociale media opgelegd. Partij B heeft daarna op diverse sociale media uitlatingen gedeeld over partij A en hun beider minderjarige kinderen en daarmee de maximale dwangsommen verbeurd en betaald. Omdat partij B hier nog steeds mee doorgaat, is partij A een kort geding gestart. Omdat partij B in eerste instantie niet in het geding is verschenen, zijn de vorderingen van partij A (grotendeels) toegewezen. Partij B is vervolgens tegen het verstekvonnis in verzet gegaan. Partij A heeft haar vorderingen nadien bij akte aangevuld en verduidelijkt. De voorzieningenrechter verklaart het verzet deels gegrond, vernietigt het verstekvonnis op één onderdeel en bekrachtigt het voor het overige. Daarnaast wijst zij de aangevulde en gewijzigde vorderingen van partij A (grotendeels) toe.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer: C/08/350930 / KG ZA 26-193

Vonnis in verzet in kort geding van 23 oktober 2026

in de zaak van

[partij A] ,

te [woonplaats],

eisende partij, gedaagde partij in het verzet,

hierna te noemen: [partij A],

advocaat: mr. C.M. Sent,

tegen

[partij B] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats,

gedaagde partij, eisende partij in het verzet,

hierna te noemen: [partij B],

advocaat: mr. I. Mercanoglu.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de inleidende dagvaarding van [partij A] met producties,

- het verstekvonnis van 23 juli 2026 met zaaknummer C/08/348429 / KG ZA 26-131,

- de verzetdagvaarding met producties,

- de akte houdende overlegging nadere producties van de zijde van [partij A],

- de akte aanvulling, nadere verduidelijking eis ex artikel 130 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van de zijde van [partij A],

- de mondelinge behandeling op [geboortedatum] 2026, waar [partij A], bijgestaan door haar advocaat is verschenen. [partij B] is niet verschenen, maar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn advocaat. Tijdens de mondelinge behandeling zijn de standpunten toegelicht, mede aan de hand van pleitaantekeningen. De griffier heeft tijdens de mondelinge behandeling aantekeningen gemaakt.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.

2 Samenvatting

2.1.

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 21 oktober 2025 aan [partij B] een uitingsverbod op sociale media opgelegd. [partij B] heeft daarna op diverse sociale media uitlatingen gedeeld over [partij A] en hun beider minderjarige kinderen en daarmee de maximale dwangsommen verbeurd en betaald. Omdat [partij B] hier nog steeds mee doorgaat, is [partij A] een kort geding gestart. Omdat [partij B] in eerste instantie niet in het geding is verschenen, zijn de vorderingen van [partij A] (grotendeels) toegewezen. [partij B] is vervolgens tegen het verstekvonnis in verzet gegaan. [partij A] heeft haar vorderingen nadien bij akte aangevuld en verduidelijkt. De voorzieningenrechter verklaart het verzet deels gegrond, vernietigt het verstekvonnis op één onderdeel en bekrachtigt het voor het overige. Daarnaast wijst zij de aangevulde en gewijzigde vorderingen van [partij A] (grotendeels) toe. De voorzieningenrechter licht haar oordeel hierna toe.

3 De feiten

3.1.

Partijen hebben een affectieve relatie gehad waaruit twee minderjarige zoons ([minderjarige 1] en [minderjarige 2]) zijn geboren. De kinderen zijn onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming Overijssel (de gecertificeerde instelling; GI), laatstelijk verlengd tot
13 december 2026.

3.2.

Nadat onder meer [partij A] een aantal keer aangifte van smaad en laster had gedaan, is [partij B] in mei 2025 aangehouden en in voorlopige hechtenis genomen.

3.3.

Op 4 juni 2025 heeft de raadkamer van de rechtbank tegen [partij B] een bevel tot gevangenhouding verleend.

3.4.

Op 2 juli 2025 heeft de raadkamer de termijn van het bevel tot gevangenhouding verlengd voor de duur van zestig dagen en het verzoek tot schorsing van voorlopige hechtenis toegewezen. Aan de schorsing zijn onder meer de volgende voorwaarden verbonden:

“(…)

8. De verdachte zal op enkele wijze direct of indirect (middels anderen) contact opnemen, zoeken of hebben met [partij A], (…)

9. De verdachte zal op geen enkele wijze direct of indirect (middels anderen) contact opnemen, zoeken of hebben met Jeugdbescherming Overijssel en/of het Landelijk Expertiseteam Jeugdbescherming, tenzij dit contact door genoemde instanties wordt gevraagd, zulks dan enkel door tussenkomst van een advocaat.

10. De verdachte zal zich niet ophouden in/op de volgende straten te [plaats]: [adres 1], [adres 2] en [adres 3].

11. De verdachte zal op geen enkele wijze direct of indirect (middels anderen) content of posts (tekstueel, auditief en/of visueel) plaatsen via een openbaar elektronisch medium (waaronder begrepen: Facebook. lnstagram, X, Snapchat, LinkedIn, TikTok en YouTube) die betrekking hebben op in de ruimste zin des woords [partij A] , (…) en (andere) (medewerkers van) de Jeugdbescherming (waaronder begrepen Jeugdbescherming Overijssel en het Landelijk Expertise Team Jeugdbescherming). Onder het indirect plaatsen van content of posts verstaat de raadkamer van deze rechtbank eveneens het voeren van (telefoon)gesprekken met derden welke inhoud direct of nadien door de derde wordt openbaar gemaakt of verspreid.(...)”

3.5.

Op 23 juli 2025 heeft de raadkamer van de rechtbank de schorsing van de voorlopige hechtenis van [partij B] opgeheven wegens overtreding van de schorsingsvoorwaarden.

3.6.

Op 3 september 2025 heeft de raadkamer van het Gerechtshof de voorlopige hechtenis van [partij B] met ingang van 5 september 2025 geschorst op voorwaarden, onder meer:

“(…)

9. dat de verdachte op geen enkele wijze direct of indirect contact heeft of zoekt met aangevers ( [partij A], geboren [geboortedatum] 1987 (…) zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;

(…)

12. dat de verdachte op geen enkele wijze - direct of indirect (middels anderen) - content of posts (tekstueel, auditief en/of visueel) zal plaatsen via een openbaar elektronisch medium (waaronder begrepen: Facebook, Instagram, X, Snapchat, LinkedIn, TikTok en YouTube) die betrekking hebben op in de ruimste zin des woords - [partij A] (…) en (andere) (medewerkers van) de Jeugdbescherming (waaronder begrepen Jeugdbescherming Overijssel en het Landelijk Expertise Team Jeugdbescherming). Onder het indirect plaatsen van content of posts verstaat de raadkamer van het hof eveneens het voeren van (telefoon)gesprekken met derden welke inhoud direct of nadien door de derde wordt openbaar gemaakt of verspreid.(..)”

3.7.

Bij arrest van 21 oktober 2025 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna ook: het Hof) aan [partij B] een uitingsverbod op sociale media opgelegd. In het arrest staat, voor zover van belang, het navolgende:

“(…) verbiedt [partij B], gedurende een periode van één jaar na de dagtekening van dit arrest informatie, berichten en meningen over [partij A] en/of beide kinderen openbaar te maken via elk bekend openbaar elektronisch medium, waaronder X, LinkedIn, TikTok, Blusky, Instagram, Facebook en/of YouTube, waarbij [partij B] tevens is verboden om overeenkomstig informatie, meningen en berichten over en gericht tegen [partij A] openbaar te maken, waarbij [partij B] haar noemt bij haar eigen naam, ‘mijn ex’ of ‘de moeder van mijn kinderen’ of op elke andere wijze waaruit de verwijzing naar [partij A] kennelijk volgt, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per overtreding, met een maximum van € 50.000,-.(...)”

3.8.

[partij B] heeft daarna diverse uitlatingen gedeeld op diverse sociale media waarmee hij het maximum van € 50.000,- aan dwangsommen als bedoeld in bovengenoemd arrest heeft verbeurd. Deze zijn geïncasseerd.

3.9.

Op 1 december 2025 heeft de kinderrechter beslist dat [partij B] niet langer met het gezag over zijn kinderen is belast. Hiertegen is door [partij B] geen hoger beroep ingesteld.

3.10.

Vanaf februari/maart 2026 heeft [partij B] de nieuwe werkgever en collega’s van [partij A] online benaderd en heeft hij ook berichten over de kinderen online geplaatst.

3.11.

Op 11 juni 2026 heeft [partij B], met hulp van zijn ouders, (een gedeelte van) de dag met zijn kinderen doorgebracht in Duitsland.

4 Het geschil

4.1.

[partij A] vorderde bij inleidende dagvaarding bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij vonnis:

I. [partij B] te verbieden, gedurende een periode van vijf jaar na betekening van dit vonnis, dan wel een in goede justitie te bepalen periode, in contact te treden met [partij A] in persoon, per brief, per poststuk, per e-mail of via elk bekend openbaar elektronisch medium waaronder, maar niet beperkt tot de volgende sociale media platforms: X, LinkedIn, TikTok, Blusky, Instagram, Facebook of op welke andere wijze ook, en/of publiek toegankelijke berichten te publiceren over de [partij A] en/of beide kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2], tenzij via haar advocaat, tenzij schriftelijk door Jeugdbescherming Overijssel bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling en omgangsregeling anders wordt beslist en

[partij B] te verbieden om berichten en meningen over [partij A] en/of beide kinderen openbaar te maken via elk bekend openbaar elektronisch medium, waaronder X, LinkedIn, TikTok, Instagram, Facebook en/of YouTube, waarbij [partij B] haar noemt bij haar eigen naam, ‘mijn ex’ of ‘de moeder van mijn kinderen’ of op elke andere wijze waaruit de verwijzing naar [partij A] en de kinderen, direct of indirect kennelijk volgt, op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 5.000,00 per overtreding met een maximum van EUR 100,000,00,

II. [partij B] te verbieden onder dreiging van een dwangsom, gedurende een periode van vijf jaren na betekening van dit vonnis, dan wel een in goede justitie te bepalen periode, foto's of berichten over zijn kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te plaatsen via elk bekend openbaar elektronisch medium waaronder, maar niet beperkt tot de volgende sociale media platforms: x, LinkedIn, TikTok, Blusky, Instagram, Facebook of op welke andere wijze ook, en/of publiek toegankelijke berichten te publiceren, waarbij [partij B] tevens dient te begrijpen dat als een medium niet genoemd wordt, het verbod zich ook over dat niet genoemde medium uitstrekt, en

dit verbod nadrukkelijk ook te laten uitstrekken tot alle berichten, video's en foto's over – of van zijn kinderen in elke vorm, ook wanneer dit berichten betreffen die zien op het missen van de kinderen, het trots zijn op de kinderen of ieder andere vorm waaruit vooral genegenheid en liefde blijkt, zonder uitdrukkelijke toestemming van [partij A] waarbij [partij B] tevens dient te begrijpen dat als een medium niet genoemd wordt, het verbod zich ook over dat niet genoemde medium uitstrekt en

dit verbod zich ook uitstrekt ‘voor zover gedaagde daar redelijkerwijs invloed op kan uitoefenen, tot door derden gedane uitingen’ en

[partij B] te verbieden om gedurende een periode van vijf jaren na dagtekening van dit arrest (naar de voorzieningenrechter begrijpt: vonnis) informatie en [partij B] te gebieden om alle berichten/publicaties over [partij A] en over de kinderen op sociale media, waaronder op onder andere X, LinkedIn, Facebook, Instagram, TikTok, Blusky in het algemeen of specifiek gericht aan haar werkgever of haar collega's en/of iedere andere persoon uit haar (directe) omgeving (naar de voorzieningenrechter begrijpt: te verwijderen), waarbij [partij B] tevens dient te begrijpen dat als een medium niet genoemd wordt, het verbod zich ook over dat niet genoemde medium uitstrekt,

waarbij wordt bepaald dat dat [partij B] een dwangsom verbeurt ad EUR 5.000,00 per opgelegde overtreding, met een maximum van EUR 100.000,00, dan wel een in goede justitie te bepalen maximum som;

III. en bepaalt dat [partij B] een dwangsom verbeurt zoals voornoemd ad EUR 5.000,00 voor iedere dag dat [partij B], vijf dagen na betekening van een vonnis, publicaties over of gericht tegen de [partij A] of de kinderen niet heeft verwijderd, met een maximum van EUR 100.000,00, dan wel een in goede justitie te bepalen maximum som;

IV. [partij B] zal veroordelen tot betaling van buitengerechtelijke kosten en de (na) kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.2.

In het verstekvonnis zijn de vorderingen van [partij A] grotendeels toegewezen en is [partij B] veroordeeld in de proceskosten.

4.3.

[partij B] vordert in het verzet primair dat de voorzieningenrechter zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de vorderingen van [partij A], althans subsidiair dat [partij B] in de oorspronkelijke procedure niet behoorlijk is opgeroepen, althans meer subsidiair het exploot van 10 juni 2026 nietig te verklaren wegens niet-naleving van de toepasselijke voorschriften en de daardoor veroorzaakte onredelijke belangen; althans alvorens inhoudelijk nader te beslissen [partij A] op grond van artikel 22 Rv te bevelen de volledige gegevens over het verrichte adresonderzoek en de Zivver-verzending over te leggen, waaronder BRP-resultaten, deurwaardersnotities, geraadpleegde bronnen, het originele verzonden bericht, bijlagenlijst en verzend-, aflever-, openings- en download-gegevens, althans indien de formele verweren worden verworpen, de vorderingen van [partij A] alsnog af te wijzen, althans voor zover enige voorziening noodzakelijk wordt geacht deze in duur, reikwijdte en dwangsomregime te beperken, een en ander met veroordeling van [partij A] in de proceskosten in verzet, althans met compensatie van de proceskosten.

4.4.

Bij de akte aanvulling, nadere verduidelijking eis ex artikel 130 Rv heeft [partij A] haar vorderingen aangevuld en verduidelijkt in die zin dat er gewezen is op een taalfout, die in de hierboven weergegeven vorderingen reeds is verwerkt, het verbod zoals is vermeld onder 4.1. onder II., derde alinea, is aangevuld na de zinsnede “gedane uitingen “met de passage “waaronder het geven van interviews met het doel deze openbaar te publiceren”, en het gevorderde onder 4.1. onder II., vierde alinea en vijfde alinea, is verduidelijkt en aangevuld in die zin dat het gevorderde nu aldus luidt:

“[partij B] te gebieden om alle berichten/publicaties over [partij A] en over de kinderen op sociale media, waaronder foto’s op onder andere X, Linkedin, Facebook, Instagram, Tiktok, Blusky in het algemeen, of specifiek gericht aan haar werkgever of haar collega's en/of iedere andere persoon uit haar (directe) omgeving, te verwijderen en verwijderd te houden waarbij [partij B] tevens dient te begrijpen dat als een medium niet genoemd wordt, het (naar de voorzieningenrechter begrijpt) gebod zich ook over dat niet genoemde medium uitstrekt,

en

[partij B] te verbieden om enig interview te geven met de kennelijke bedoeling dit

openbaar te publiceren waarin hij in overeenstemming met het eerder geëiste,

diffamerend over [partij A] spreekt of naar haar verwijst en/of naar zijn kinderen,

zoals hij al eerder interviews heeft gegeven en die nog openbaar vindbaar zijn,

waarbij wordt bepaald dat [partij B] een dwangsom verbeurt ad EUR 5.000,00 per opgelegde overtreding, waaronder een publicatie wordt verstaan waarin zich verschillende uitingen kunnen bevinden meteen maximum van EUR 100.000,00, dan wel een in goede justitie te bepalen maximum som”.

4.5.

[partij B] heeft zowel procedureel/formeel als inhoudelijk verweer gevoerd tegen deze aanvulling en verduidelijking van het gevorderde door [partij A].

4.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5 De beoordeling

Ontvankelijkheid verzet

5.1.

Het verzet is op tijd en op de juiste wijze ingesteld.

Rechtsmacht

5.2.

De voorzieningenrechter is, anders dan door [partij B] is betoogd, van oordeel dat zij wel bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van [partij A]. Daarvoor acht zij redengevend dat de woon- of verblijfplaats van [partij B] niet bekend is. Ook in deze procedure is de (exacte) woon- of verblijfplaats van [partij B] niet bekend geworden. Voor zover ervan uit moet worden gegaan dat [partij B], zoals hij stelt, in Spanje zijn woon- of verblijfplaats heeft en de zaak dus een internationaal karakter heeft, wordt de rechtsmacht ontleend aan artikel 7 lid 2 van de Herschikte EEX-Verordening. Uit dat artikel vloeit voort dat bij een vordering op basis van onrechtmatige daad zoals hier aan de orde (mede) bevoegd is het gerecht van de plaats waar het schade-brengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen. Volgens vaste rechtspraak van het HvJ EU omvat dat begrip zowel de plaats waar de schade is ingetreden (Erfolgsort) als de plaats van de gebeurtenis die met de schade in een oorzakelijk verband staat (Handlungsort). Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het Erfolgsort in Nederland gelegen.

Betekening en oproeping

5.3.

De voorzieningenrechter stelt vast dat [partij B] in deze procedure niet zelf is verschenen maar zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn advocaat. Namens [partij B] is (kort gezegd) betoogd dat de inleidende dagvaarding niet zonder meer openbaar kon worden betekend omdat er concrete aanknopingspunten bestonden dat [partij B] in Spanje verbleef en bovendien rechtstreeks bereikbaar was. Daarnaast is de gehanteerde dagvaar-dingstermijn verkort onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat de originele dagvaarding via het bij [partij B] in gebruik zijnde e-mailadres zou worden toegezonden. Uit het dossier blijkt niet dat de betekende dagvaarding met alle veertien producties daadwerkelijk aan [partij B] zijn verzonden en hem hebben bereikt. [partij B] meent dan ook dat het verstek-vonnis niet in stand kan blijven omdat de oorspronkelijke oproeping niet rechtsgeldig is.

5.4.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter faalt dit verweer. Bij bericht van
4 juni 2026 heeft de griffie van deze rechtbank namens de voorzieningenrechter laten weten dat zij akkoord is met openbare betekening en in aanvulling daarop spoedige vermelding van de datum en tijd van het kort geding in de digitale Staatscourant alsmede toezending van de originele dagvaarding via het e-mailadres van [partij B]. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is aan deze vereisten voldaan. Op 10 juni 2026 is de dagvaarding openbaar betekend en op 12 juni 2026 is een uittreksel van het exploot van de dagvaarding in de Staatscourant gepubliceerd. Bij e-mailbericht van 11 juni 2026 van de advocaat van [partij A] is de openbaar betekende dagvaarding en de geplaatste advertentie aan het (bekende) e-mailadres van [partij B] gezonden. Dat deze twee bestanden zijn meegezonden volgt duidelijk uit de vermelde pdf-bestanden bij “bijlagen”. Dat [partij B] dit e-mailadres gebruikt volgt reeds uit het feit dat hij per e-mailbericht van 3 juni 2026 heeft gereageerd op het verzoek van de advocaat van [partij A] om verhinderdata door te geven. Nog daargelaten dat uit het eerdergenoemde bericht van 4 juni 2026 niet expliciet volgt dat ook de producties zouden moeten worden meegezonden heeft [partij B] in het licht van het voorgaande de stelling van de zijde van [partij A] dat de producties een dag later aan hem per e-mailbericht zijn verzonden onvoldoende weersproken. Daarbij komt dat de dagvaarding ook al diverse screenshots/ passages van de van belang zijnde producties bevat. Overigens is het ook niet ongebruikelijk om de producties op een later moment toe te zenden. Daarnaast is [partij B] in verzet gekomen tegen het verstekvonnis van 23 juli 2026 en is van zijn zijde, mede gelet op dat wat hiervoor is overwogen, onvoldoende concreet toegelicht dat hij door de vermelde gang van zaken daadwerkelijk in zijn belangen zou zijn geschaad. Van een situatie die tot nietigheid van de inleidende dagvaarding zou moeten leiden is dan ook geen sprake.

Toepasselijk recht

5.5.

Ook als ervan uit wordt gegaan dat de woon- of verblijfplaats van [partij B] is gelegen in Spanje, is Nederlands recht van toepassing. Het door [partij A] gevorderde is gebaseerd op (gesteld) onrechtmatig handelen door [partij B]. Dit betekent dat de Rome II-Verordening van toepassing is. Artikel 4 van deze Verordening bepaalt dat het recht van het land waar de (directe) schade zich voordoet van toepassing is, ongeacht in welk land de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan en ongeacht in welke landen de indirecte gevolgen van die gebeurtenis zich voordoen. Aangezien het [partij A] is die stelt dat zij dan wel de kinderen schade lijden als gevolg van het handelen van [partij B] en zij in Nederland wonen, is Nederlands recht van toepassing.

5.6.

Nu er geen sprake is van een situatie die tot nietigheid van de inleidende dagvaarding zou moeten leiden, bestaat er naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook geen aanleiding om [partij A] te bevelen nadere gegevens te verstrekken.

Aanvulling/verduidelijking van het gevorderde

5.7.

Op grond van artikel 130 Rv is een eisvermeerdering toegestaan zolang er nog geen eindvonnis is gewezen, tenzij dit (ambtshalve) in strijd wordt geacht met de goede procesorde of de wederpartij op die grond tegen de eiswijziging bezwaar heeft gemaakt.

5.8.

Van de zijde van [partij B] is bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om de aanvulling van het gevorderde buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde, temeer niet omdat (de advocaat van) [partij B] in de gelegenheid is geweest om tijdens de mondelinge behandeling inhoudelijk op de gewijzigde/vermeerderde eis te reageren en van deze gelegenheid ook gebruik is gemaakt. Dat het de advocaat van [partij B] niet is gelukt om, na de eiswijziging, ondanks een poging daartoe, contact te krijgen met [partij B] maakt dit niet anders. [partij B] was op de hoogte van onderhavige procedure (hij is de verzetprocedure gestart) en het ligt dan ook in zijn risicosfeer dat zijn advocaat hem niet kon bereiken. De voorzieningenrechter zal dan ook beslissen op de gewijzigde/aangevulde eis.

Spoedeisend belang

5.9.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het spoedeisend belang van [partij A] reeds in voldoende mate voortvloeit uit haar stellingen en de aard van het gevorderde. In het arrest van 21 oktober 2025 heeft het Hof een dwangsom opgelegd en sindsdien is de maximale dwangsom al verbeurd en geïncasseerd zodat daarmee de financiële prikkel om het arrest na te leven is verdwenen. Voor zover van de zijde van [partij B] in dat verband is aangevoerd dat met de (feitelijke) constatering in het verstekvonnis van 23 juli 2026 dat het maximum van de dwangsommen is verbeurd en is geïncasseerd, sprake is van een (feitelijke) misslag in dat vonnis wordt [partij B] hierin niet gevolgd. In dat kader acht de voorzieningenrechter ook van belang dat in de inleidende dagvaarding voldoende is onderbouwd dat [partij B] de maximum verbeurde dwangsom van in totaal € 50.000,- heeft voldaan. De voorzieningen-rechter verwijst in dat verband op het als screenshot opgenomen bericht van [partij B] op LinkedIn bij randnummer 1.1. van de inleidende dagvaarding. Bovendien wordt in de verzetdagvaarding ook erkend dat het bedrag van € 50.000,- is voldaan.

Inhoudelijke beoordeling

Geen executiegeschil

5.10.

Vooropgesteld wordt dat de onderhavige procedure geen executiegeschil is als bedoeld in artikel 438 Rv. Het staat een dwangsomschuldenaar (in dit geval [partij B]) weliswaar vrij om een executiegeschil aanhangig te maken ter zake van al dan niet verbeurde dwangsommen, maar dat heeft [partij B] niet gedaan. In deze procedure is dan dus ook niet aan de orde of het bedrag van € 50.000,- aan maximale dwangsom al dan niet terecht is verbeurd/betaald.

Toetsingskader

5.11.

Kern van dit geschil is of er voldoende grond is om de door [partij A] gevorderde geboden dan wel verboden (opnieuw) op te leggen op straffe van verbeurte van een dwangsom. De voorzieningenrechter zal daarbij een belangenafweging moeten maken.

5.12.

Waar het gaat om het gevorderde contactverbod gaat het om een afweging van het recht van [partij B] om vrijelijk contact op te kunnen nemen met een ander en het daar tegenover staande recht van [partij A] op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (artikel 8 EVRM). De voorzieningenrechter moet alle relevante omstandigheden van het geval in aanmerking nemen en de betrokken belangen van partijen afwegen om te beoordelen of dat verbod, zoals gevorderd door [partij A], kan worden gerechtvaardigd. Het is daarbij aan [partij A] om haar belang bij het gevorderde contactverbod aannemelijk te maken.

5.13.

Bij het gevorderde uitingsverbod, publicatieverbod en het verbod tot het geven van interviews alsmede het verwijderingsgebod gaat het om een afweging van het recht van [partij B] op vrijheid van meningsuiting (artikel 10 EVRM) tegenover het door artikel 8 EVRM beschermde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van [partij A] en de kinderen. Bij een botsing tussen deze rechten moet, om te bepalen welk recht zwaarder weegt, een belangenafweging plaatsvinden, waarbij alle van belang zijnde feiten en omstandigheden in aanmerking worden genomen. Bij genoemde afweging geldt niet als uitgangspunt dat voorrang toekomt aan het door artikel 7 Grondwet en artikel 10 EVRM gewaarborgde recht op vrijheid van meningsuiting. Voor de door artikel 8 EVRM beschermde rechten geldt hetzelfde. De toetsing dient in één keer te geschieden waarbij het oordeel dat een van beide rechten, gelet op alle ter zake dienende omstandigheden, zwaarder weegt dan het andere recht, meebrengt dat de inbreuk op het andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van artikel 10 lid 2 EVRM, dan wel artikel 8 lid 2 EVRM.

Contactverbod

5.14.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit kort geding voldoende feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden op basis waarvan een contactverbod ten laste van [partij B] noodzakelijk is. Daarvoor is het volgende redengevend. De raadkamer van het Hof heeft de voorlopige hechtenis van [partij B] onder (verscherpte) voorwaarden geschorst met ingang van 5 september 2025. Eén van de voorwaarden is dat [partij B] op geen enkele wijze direct of indirect contact heeft of zoekt met [partij A], zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. Van de zijde van [partij B] is niet (onderbouwd) gesteld dat het Openbaar Ministerie dat verbod niet meer nodig vindt. Ook anderszins is dat niet gebleken. Ondanks deze schorsingsvoorwaarde heeft [partij A] onweersproken onderbouwd gesteld dat [partij B] haar op 11 mei 2026 en 24 mei 2026 (rechtstreeks) een e-mailbericht heeft gestuurd. Vooralsnog moet dan ook worden geoordeeld dat het [partij B] niet lukt om zich te houden aan het contactverbod dat als schorsingsvoorwaarde is opgelegd. De strafrechtelijke stok achter de deur is dus onvoldoende gebleken om [partij B] ervan te weerhouden om [partij A] rechtstreeks te benaderen dan wel lastig te vallen via e-mailberichten. Reeds gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van [partij A] dat haar privéleven en privacy wordt gerespecteerd zwaarder weegt dan het belang van [partij B] om vrijelijk contact te kunnen opnemen en te communiceren met een ander. Het gevorderde contactverbod zal dan ook op na te melden wijze worden toegewezen. Voor verdergaande uitzonderingen dan de opgenomen “tenzij-bepalingen” bestaat geen aanleiding.

Uitingsverbod en publicatieverbod

5.15.

Het Hof heeft [partij B] bij het arrest van 21 oktober 2025 een uitingsverbod op social media opgelegd voor de duur van één jaar, op straffe van verbeurte van een dwangsom van maximaal € 50.000,-. Bij de huidige stand van zaken moet het er vooralsnog voor worden gehouden dat de maximale dwangsom is verbeurd en geïncasseerd. [partij B] heeft immers in of omstreeks maart 2026 het bedrag van € 50.000,- voldaan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er voldoende reden om opnieuw een uitingsverbod op te leggen. [partij A] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat [partij B] nadat het bedrag van € 50.000,- aan dwangsommen is verbeurd en betaald, is doorgegaan met het plaatsen van online berichten over [partij A] en de kinderen. Zo heeft [partij A] (onder meer) onderbouwd gesteld dat [partij B] zich in april 2026 via LinkedIn-berichten richt tot de nieuwe werkgever van [partij A] en haar (nieuwe) collega’s met berichten over ouderverstoting en kindermishandeling, waarbij hij zich negatief uitlaat over [partij A]. De voorzieningenrechter wijst daarbij op de - niet door [partij B] concreet betwiste -screenshots die zijn opgenomen in randnummer 1.4 van de inleidende dagvaarding. Onder verwijzing naar de screenshots die zijn opgenomen in de akte houdende overlegging nadere producties (onder productie 16) is bovendien voldoende duidelijk geworden dat [partij B] op 11 juni 2026 (Vaderdag), met hulp van zijn ouders, (een deel van) de dag heeft doorgebracht met zijn kinderen en dat hij daarover een bericht met een foto van hem en de kinderen, op een social media platform heeft geplaatst. Nog daargelaten of [partij B] daarmee andere wet- en/of regelgeving dan wel (schorsings-)voorwaarden heeft geschonden, heeft hij daarmee in ieder geval het door het Hof opgelegde uitingsverbod (opnieuw) overtreden. Deze handelwijze van [partij B] toont aan dat hij zich niet laat afschrikken door voorwaarden die binnen het strafrechtelijk kader gelden en/of een civielrechtelijk verbod. Gelet hierop heeft [partij A] een gerechtvaardigd belang dat er opnieuw een uitingsverbod en een daarmee samenhangend publicatieverbod aan [partij B] wordt opgelegd. Het belang van [partij A] en de kinderen dat hun privéleven en privacy worden gerespecteerd weegt in dit geval zwaarder dan het belang van [partij B] op vrijheid van meningsuiting.

5.16.

Wat betreft de omvang van het uitings- en publicatieverbod overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Het door [partij A] gevorderde uitingsverbod omvat ook uitingen van gemis, trots, genegenheid of liefde van of voor zijn kinderen zonder dat zij daar uitdrukkelijk toestemming voor heeft verleend. Van de zijde van [partij B] is hiertegen verweer gevoerd. Hoewel toewijzing van dit onderdeel van het uitingsverbod vergaand is, bestaat er wel aanleiding toe. In dit kader acht de voorzieningenrechter van belang dat voldoende is gebleken dat [partij B] (veelal) niet in staat is gebleken om berichten met een dergelijke inhoud over zijn kinderen te plaatsen zonder daarbij (in)direct te verwijzen naar [partij A], de onderliggende (familie)conflicten en (in zijn ogen) ouderverstoting. Het eerdergenoemde geplaatste bericht betreffende Vaderdag 2026 is wat dat betreft naar het oordeel van de voorzieningenrechter illustratief. Door zijn handelwijze bewerkstelligt [partij B] dat de kinderen onderdeel worden van de conflicten die [partij B] heeft met [partij A] en/of instanties en het publieke debat. Bovendien kan er niet aan voorbij worden gegaan dat [partij B] niet meer belast is met het gezag over zijn kinderen. De verlangde toestemming van [partij A] moet dan ook in dat licht worden bezien. Tot slot wordt het [partij B] met opgelegde uitings- en publicatieverbod niet onmogelijk om zijn genegenheid voor de kinderen kenbaar te maken, bijvoorbeeld via zijn advocaat of de jeugdbescherming.

Het geven van interviews

5.17.

Het geven van interviews en deze (laten) publiceren is ook een vorm van uiten. De voorzieningenrechter stelt vast dat de eisvermeerdering met name hierop ziet. [partij A] wil dat het [partij B] wordt verboden om interviews te geven met de bedoeling om deze openbaar te publiceren. Het gaat daarbij niet om een algemeen verbod tot het geven van interviews, maar om het geven van interviews waarbij op diffamerende wijze over [partij A] wordt gesproken of naar haar en/of beide kinderen wordt verwezen. De voorzieningenrechter zal deze vordering in die zin toewijzen. Met productie 19 en de daarin opgenomen (samengevatte) berichtgeving voorzien van hyperlinks heeft [partij A] voldoende aannemelijk gemaakt dat [partij B] ook door middel van het geven van interviews uitingen doet over [partij A] en/of beide kinderen waardoor hun privacy en privéleven wordt aangetast. Aan [partij B] kan weliswaar worden toegegeven dat de hyperlinks via het Digitaal Werkdossier (DWD) niet zijn “aan te klikken” en derhalve niet rechtstreeks naar de desbetreffende webpagina’s leiden, maar dat doet aan het voorgaande niet af, te meer nu niet (voldoende) wordt betwist dat de in deze productie vermelde publicaties/interviews zijn verschenen dan wel hebben plaatsgevonden en nog steeds openbaar zij te vinden. Het staat [partij B] vrij om een of meerdere onderwerpen van algemeen belang (zoals bijvoorbeeld de jeugdzorg of ouderverstoting) aan de orde te stellen, maar daarvoor acht de voorzieningenrechter het niet essentieel voor het begrip van de kwestie(s) dat [partij A] en/of beide kinderen worden genoemd en dat daarbij foto’s van hen worden gepubliceerd. Van belang daarbij is dat [partij A] en de kinderen geen publieke personen zijn. Daarnaast kan niet uit het oog worden verloren dat de kinderen minderjarig zijn en in een kwetsbare positie verkeren. Het verbod tot het geven van interviews in vorenbedoelde zin vormt een inbreuk op de vrijheid van meningsuiting, maar deze is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet onevenredig in verhouding tot het nagestreefde doel, te weten bescherming van de privacy en het privéleven van [partij A] en de kinderen.

Door derden gedane uitingen

5.18.

Onderdeel van het gevorderde is dat, naar de voorzieningenrechter begrijpt, het uitingsverbod zich ook uitstrekt over door derden gedane uitingen, voorzover [partij B] daar redelijkerwijs invloed op kan uitoefenen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [partij A], mede gelet op de hiervoor gevorderde en (grotendeels) toegewezen verboden, dit onderdeel van het gevorderde onvoldoende onderbouwd. Er zijn weliswaar posts in het geding gebracht waaruit blijkt dat derden reageren op uitlatingen van [partij B], maar daaruit kan niet worden afgeleid dat [partij B] die derden daartoe heeft aangezet. Dit betekent dat deze vordering zal worden afgewezen.

Gebod tot verwijdering van berichten op social media

5.19.

[partij A] stelt ter onderbouwing van dit door haar gevorderde gebod dat, ondanks eerdere verboden, publicaties laat staan en er opnieuw publicaties zijn verschenen. Het had [partij B] gesierd wanneer hij de publicaties zou hebben verwijderd. Een voorziening waarbij alleen toekomstige uitingen worden verboden, maar reeds openbaar toegankelijke publicaties mogen blijven staan, biedt [partij A] en de kinderen onvoldoende bescherming.

5.20.

[partij B] voert verweer tegen het verwijderingsgebod. Hij stelt dat het Hof dit gebod in het eerdergenoemde arrest van 21 oktober 2025 heeft afgewezen. Daarnaast moet een uitvoerbaar verwijderingsgebod beperkt zijn tot concreet geïdentificeerde

publicaties die door [partij B] zijn geplaatst, nog openbaar zijn en onder zijn feitelijke

zeggenschap vallen. Ook is een redelijke termijn voor verwijdering nodig.

5.21.

De voorzieningenrechter overweegt hierover als volgt. Bij de huidige stand van zaken is er voldoende aanleiding om het verwijderingsgebod toe te wijzen. Duidelijk is geworden dat [partij B] het door hem opgelegde uitingsverbod heeft geschonden en dat hij zich kennelijk niet realiseert dat zijn handelwijze/gedrag niet door de beugel kan. Het gevorderde verbod is ook zodanig geformuleerd dat het is beperkt tot social media. Van [partij B] kan worden verlangd dat hij de door hem geplaatste berichtgeving/publicaties over [partij A] en de kinderen verwijdert van social-media. Hij heeft immers toegang tot zijn eigen accounts. Een verdergaand verbod is naar het oordeel van de voorzieningen-rechter niet gevorderd en voor zover dat wel is beoogd door [partij A] is dat te weinig specifiek gedaan. De voorzieningenrechter constateert dat in het verstekvonnis aan het verwijderingsgebod geen termijn is verbonden. Aan [partij B] moet een redelijke termijn worden gegund. De voorzieningenrechter zal [partij B] een termijn van vijf dagen na betekening van dit arrest geven om aan het verwijderingsgebod te voldoen.

Duur van de verboden/geboden en (de hoogte van) de dwangsom

5.22.

Van de zijde van [partij B] is (ook) verweer gevoerd tegen de duur van de gevorderde verboden en (de hoogte van) de dwangsommen. De voorzieningenrechter passeert dit verweer. De handelwijze en gedragingen van [partij B] na het arrest van het Hof van 21 oktober 2025 laten zien dat [partij B] niet uit eigen beweging stopt met (kort gezegd) het zoeken van contact met [partij A] en/of de kinderen en het plaatsen/ publiceren van berichten over [partij A] en/of de kinderen (al dan niet via het geven van interviews). Hierin ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de verboden voor een langere duur, namelijk vijf jaar, zoals gevorderd, te laten gelden en aan de opgelegde verboden en het opgelegde verwijderingsgebod hogere dwangsommen te verbinden. Van [partij A] kan niet worden verlangd dat zij telkens opnieuw een procedure start.

5.23.

De voorzieningenrechter is zich ervan bewust dat er deels een overlap zit tussen de toegewezen vorderingen, waarmee handelingen/gedragingen van [partij B] onder meer dan één verbod zouden kunnen vallen. Overlap is naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter niet geheel uit te sluiten nu [partij B] zijn inventiviteit aanwendt, althans lijkt aan te wenden, om nieuwe manieren te vinden om door te gaan met het doen van uitingen en/of het plaatsen/publiceren van berichten waarmee hij de privacy en het privéleven van [partij A] en/of de kinderen schendt. Benadrukt wordt dat [partij B], indien hij na betekening van het vonnis met één gedraging in strijdt handelt met meerdere verbodsbepalingen hij daarvoor slechts één keer een dwangsom kan verbeuren.

Slotsom en proceskosten

5.24.

Op grond van het voorgaande is de slotsom dat het verstekvonnis grotendeels bekrachtigd wordt, maar wat betreft het verwijderingsgebod wordt vernietigd omdat [partij B] geen termijn is gegund om aan dit gebod te voldoen. Zoals hiervoor is overwogen wordt [partij B] een termijn van vijf dagen na betekening van het vonnis gegund om aan het verwijderingsgebod te voldoen. Omdat er ook sprake is van een (grotendeels toegewezen) eiswijziging/-vermeerdering zal de voorzieningenrechter voor de duidelijkheid alle aan [partij B] opgelegde verboden en geboden (opnieuw) onder de beslissing opnemen, waarbij er, mede in verband met de eiswijziging en -vermeerdering sprake is van enige herformulering en (her)rubricering.

5.25.

Het bekrachtigde gedeelte van het verstekvonnis omvat ook de proceskosten in verstek. Dit betekent dus dat [partij B] de proceskosten in verstek moet voldoen. Daarnaast wordt [partij B] als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van het verzet. Deze proceskosten (inclusief nakosten) worden begroot op:

- salaris advocaat

€

1.177,00

- nakosten

€

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

1.366,00

6 De beslissing

De voorzieningenrechter

6.1.

verklaart het verzet deels gegrond;

6.2.

vernietigt het verstekvonnis van 23 juli 2026 met zaaknummer C/08/348429 / KG ZA 26-131, voor zover betrekking hebbend op het in dictumonderdeel 6.5. opgenomen verwijderingsgebod, en bekrachtigt het hiervoor genoemde verstekvonnis voor het overige;

en (opnieuw) rechtdoende

6.3.

bepaalt dat met ingang van de datum van dit vonnis de verboden en het gebod die staan vermeld in het verstekvonnis van 23 juli 2026 worden gewijzigd/aangevuld in de volgende verboden en geboden, waarbij de reeds verschuldigde dwangsommen op basis van het verstekvonnis verschuldigd blijven, behalve met betrekking tot het in dictumonderdeel 6.5. opgenomen verwijderingsgebod, en meetellen voor het maximum:

6.3.1.

verbiedt [partij B], gedurende een periode van vijf jaar, na betekening van dit vonnis, in contact te treden met [partij A] in persoon, per brief, per poststuk, per e-mail of via elk bekend openbaar elektronisch medium waaronder, maar niet beperkt tot de volgende sociale media platforms: X, LinkedIn, TikTok, Blusky, Instagram, Facebook of op welke andere wijze ook, tenzij via haar advocaat, tenzij schriftelijk door Jeugdbescherming Overijssel bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling en omgangsregeling anders wordt beslist, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 per overtreding met een maximum van € 100.000,00;

6.3.2.

verbiedt [partij B] om, gedurende een periode van vijf jaar, na betekening van dit vonnis berichten en meningen over [partij A] openbaar te maken via elk bekend openbaar elektronisch medium, waaronder X, LinkedIn, TikTok, Instagram, Facebook en/of YouTube, waarbij [partij B] [partij A] noemt bij haar eigen naam, ‘mijn ex’ of ‘de moeder van mijn kinderen’ of op elke andere wijze waaruit de verwijzing naar [partij A] en de kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (hierna ook: de kinderen), direct of indirect kennelijk volgt, en/of publiek toegankelijke berichten te publiceren over [partij A], op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 per overtreding met een maximum van
€ 100.000,00;

6.3.3.

verbiedt [partij B], gedurende een periode van vijf jaar na betekening van dit vonnis foto’s, video’s of berichten en meningen over - of van - de kinderen in welke vorm dan ook (dit betreffen ook berichten die zien op het missen van de kinderen, het trots zijn op de kinderen of ieder andere vorm waaruit vooral genegenheid en liefde blijkt, waarvoor [partij A] geen uitdrukkelijke toestemming voor heeft gegeven) te plaatsen of openbaar te maken via elk bekend openbaar elektronisch medium waaronder, maar niet beperkt tot de volgende sociale media platforms: X, LinkedIn, TikTok, Blusky, Instagram, Facebook of op welke andere wijze ook, en/of publiek toegankelijke berichten over de kinderen te publiceren, waarbij [partij B] dient te begrijpen dat als een medium niet genoemd wordt, het verbod zich ook over dat niet genoemde medium uitstrekt, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 per overtreding met een maximum van € 100.000,00;

6.3.4.

verbiedt [partij B], onder verwijzing naar de hiervoor opgenomen verboden en in het verlengde daarvan, om enig interview te geven met de kennelijke bedoeling dit openbaar te publiceren waarin hij op diffamerende wijze over [partij A] spreekt of naar haar en/of de kinderen verwijst, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 per overtreding met een maximum van € 100.000,00;

6.3.5.

gebiedt [partij B] om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis alle berichten/ publicaties over [partij A] of over de kinderen op sociale media, waaronder foto’s, op onder andere X, LinkedIn, Facebook, Instagram, TikTok, Blusky in het algemeen of specifiek gericht aan haar werkgever of haar collega’s en/of iedere andere persoon uit haar (directe) omgeving, te verwijderen en verwijderd te houden, waarbij [partij B] tevens dient te begrijpen dat als een medium niet genoemd wordt, het gebod zich ook over dat niet genoemde medium uitstrekt, en bepaalt dat [partij B] een dwangsom verbeurt van
€ 5.000,00 voor iedere dag, met een maximum van € 100.000,00 indien [partij B] publicaties over of gericht tegen [partij A] of de kinderen niet heeft verwijderd;

6.4.

veroordeelt [partij B] in de proceskosten van de verzetprocedure van
€ 1.366,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;

6.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Smedes en in het openbaar uitgesproken op
23 oktober 2026 door mr. J.A.M. Egberink.

De voorzieningenrechter leidt uit deze passage af dat er sprake is van een kennelijke verschrijving in die zin dat tussen de woorden “op” en “enkele” abusievelijk het woord “geen” ontbreekt en leest de passage aldus. Dit arrest is gepubliceerd onder nummer ECLI:NL:GHARL:2025:6566. In het petitum staat “verbod”. Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken. Hof van Justitie van de Europese Unie. Productie 17 van de zijde van [partij A]. Productie 14 van de zijde van [partij A]. Verordening (EG) nr. 864/2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (hierna: Rome II-Vo). Randnummer 52 van de verzetdagvaarding. Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden. Vgl. o.a. HR 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9230 en de conclusie van PG T. Hartlief van 27 februari 2026, ECLI:NL:PHR:2026:197, bij HR 17 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:666 (artikel
81 RO).
Zie productie 8 bij de inleidende dagvaarding en het als screenshot opgenomen e-mailbericht van
24 mei 2026 op pagina 21 van voornoemde dagvaarding.
ECLI:NL:RBOVE:2026:6485 – Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 21… | Uitspraken.nl