Strafrecht overig
De rechtbank Overijssel veroordeelt een 44-jarige man tot een taakstraf van 120 uur. De man hield zich een…
Rechtbank Overijssel, 24 juni 2021
ECLI:NL:RBOVE:2021:2554 · Rechtbank Overijssel · 24 juni 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-overijssel/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbove-2021-2554
Zaakgegevens
Op 24 juni 2021 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank OverijsselRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Datum uitspraak
- 24 juni 2021
- Datum publicatie
- 24 juni 2021
- Zaaknummer
- 08-770307-17 (P)
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOVE:2021:2554
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De rechtbank Overijssel veroordeelt een 44-jarige man tot een taakstraf van 120 uur. De man hield zich een aantal maanden bezig met bedrijfsmatige hennepteelt op twee adressen in Hardenberg.
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08-770307-17 (P)
Datum vonnis: 24 juni 2021
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1977 in [geboorteplaats] (Birma/Myanmar),
wonende te [adres 1] .
1 Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 10 juni 2021.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie
mr. M. Hoekstra en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. R. van Faassen, advocaat te Zwolle, naar voren is gebracht.
2 De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1: samen met anderen een hennepkwekerij heeft gehad aan [adres 2] en [adres 3] in Hardenberg, dan wel medeplichtig is geweest aan het hebben van een hennepkwekerij aldaar;
feit 2: samen met anderen elektriciteit heeft gestolen op het adres [adres 2] in Hardenberg.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1
Primair
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 24 januari
2017 tot en met 4 april 2017 tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
althans alleen, (telkens) al dan niet in het kader van een beroep of bedrijf,
opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in
elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad, - in of omstreeks de periode van 24 januari 2017 tot en met 4 april 2017,
althans op 4 april 2017, te Hardenberg, gemeente Hardenberg, althans in
Nederland, in een pand aan of nabij [adres 2] , 448
(vierhonderdachtenveertig) hennepplanten, en/of
- in of omstreeks de periode van 7 maart 2017 tot en met 4 april 2017,
althans op 4 april 2017, te Hardenberg, gemeente Hardenberg, althans in
Nederland, in een pand aan of nabij [adres 3] , 3524
(vijfendertighonderdvierentwintig) hennepplanten(waarvan ongeveer 2900
(negenentwintighonderd) hennepstekken), althans (telkens) een (groot) aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk
geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal
bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet
behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van
die wet;
Subsidiair
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van
9 februari 2016 tot en met 4 april 2017 tezamen en in vereniging met een of
meer anderen, althans alleen, (telkens) al dan niet in het kader van een
beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of
verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, - in of omstreeks de periode van 24 januari 2017 tot en met 4 april 2017,
althans op 4 april 2017, te Hardenberg, gemeente Hardenberg, althans in
Nederland, in een pand aan of nabij [adres 2] , 448 hennepplanten, en/of - in of omstreeks de periode van 7 maart 2017 tot en met 4 april 2017,
althans op 4 april 2017, te Hardenberg, gemeente Hardenberg, althans in
Nederland, in een pand aan of nabij [adres 3] , 600 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een
hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde
hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel
aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, tot en/of bij het
plegen van welk misdrijf verdachte - op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 24 januari 2017
tot en met 4 april 2017, althans op 4 april 2017, te Hardenberg, gemeente
Hardenberg, althans in Nederland, en/of - op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 maart 2017 tot
en met 4 april 2017, althans op 4 april 2017, te Hardenberg, gemeente
Hardenberg, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid en/of middelen
heeft verschaft, door - [medeverdachte 3] ertoe te bewegen zijn huis aan of nabij [adres 2] te verhuren
ten behoeve van de hennepkwekerij, en/of -(hiervoor) 500 euro te betalen aan [medeverdachte 3] , en/of -(vervolgens) het overhandigen van de sleutel van de woning aan of nabij [adres 2]
(teneinde) mensen toegang te verschaffen tot de hennepkwekerij,
en/of -voornoemd pand aan of nabij [adres 3] ter beschikking te stellen voor de
hennepkwekerij;
2
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 24 januari
2017 tot en met 4 april 2017, althans op 4 april 2017, te Hardenberg, gemeente
Hardenberg, althans in Nederland, in een pand aan of nabij [adres 2]
te Hardenberg, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans
alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft
weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, (telkens)
geheel of ten dele toebehorende aan Enexis B.V., in elk geval aan een ander
of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of
zijn mededader(s) (telkens) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs
heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun
bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.
3 De voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
4 De bewijsoverwegingen
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1 primair en feit 2 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van beide feiten. Niet bewezen kan worden dat verdachte actief bezig was met hennep in de woning aan [adres 2] . Hij had geen overall of handschoenen aan zoals de rest, maar was slechts in de woning aanwezig. De verklaringen in het dossier geven ook geen concrete aanwijzingen voor betrokkenheid van verdachte bij de kwekerij aan [adres 2] . Ten aanzien van de hennepkwekerij aan de [adres 3] heeft de raadsman bepleit dat de medeverdachte onvoldoende is doorgevraagd op de rol van verdachte en dat er aldus onvoldoende bewijs is. Er is tevens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor een nauwe en bewuste samenwerking in de tenlastegelegde diefstal van stroom.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder feit 2 is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. Verdachte was geen huurder van de woning, verbleef daar niet en het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten dat hij nauw en bewust heeft samengewerkt met een ander om stroom te stelen.
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het ten laste gelegde feit 1 primair heeft begaan en overweegt daartoe het volgende.
Ten aanzien van de hennepkwekerij aan [adres 2]
De hennepkwekerij is aangetroffen op 4 april 2017. In de slaapkamer op de eerste etage bevond zich een in werking zijnde hennepkwekerij met 196 planten van ongeveer 60 centimeter hoogte. Op de zolder bevond zich een in werking zijne hennepkwekerij achter een houten afgetimmerde muur met 252 hennepplanten van ongeveer 60 centimeter hoog. Dat de hennepkwekerij daar al langer was kan worden afgeleid uit een melding van een buurtbewoner op 23 februari 2016 dat het had gesneeuwd en het dak van [adres 2] niet bevroren was en andere daken wel.
De eigenaar van de woning is ‘ [woningstichting] ’ en de huurder is medeverdachte [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] heeft verklaard dat verdachte een sleutel van zijn woning had en dat verdachte hem heeft overgehaald om een hennepkwekerij te beginnen en het ook heeft geregeld.
Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat verdachte altijd in de woning van [medeverdachte 3] komt. Op
4 april 2017 zou zij aan [adres 2] helpen met de wietplantjes. De politie heeft gezien dat [medeverdachte 2] en verdachte aan [adres 3] waren en [medeverdachte 2] heeft daarover verklaard dat zij verdachte heeft verteld dat hij op [adres 2] kon komen voor de hulp. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij aan [adres 2] was om rubberen slangetjes van een plastic pennetje af te knippen en weer vast te maken met een tie-rip. Dat was voor de hennepkwekerij.
Vervolgens is verdachte op diezelfde dag samen met drie medeverdachten aangehouden in de woning aan [adres 2], terwijl zijn medeverdachten met overalls en handschoenen aan in de woning stonden en één medeverdachte een knipschaartje vast had. Verdachte zelf kwam de trap naar de eerste etage aflopen. Uit die omstandigheden leidt de rechtbank voldoende wettig en overtuigend bewijs af dat verdachte samen met anderen een hennepkwekerij had aan [adres 2] .
Ten aanzien van de hennepkwekerij aan [adres 3]
Op 4 april 2017 heeft de politie een in werking zijnde hennepkwekerij met 600 hennepplanten en een ingerichte hennepstekkerij met in totaal 2964 hennepstekken aangetroffen in de woning aan [adres 3] .
Op grond van de aangetroffen factuur van coffeeshop ‘ [coffeeshop] ’ in Zwolle leidt de rechtbank af dat de hennepstekkerij was bedoeld voor levering aan coffeeshops in de regio en aldus sprake is geweest van het telen van hennep in het kader van een bedrijf.
Medeverdachte [medeverdachte 4] was huurder van de woning aan [adres 3] en zowel hij als verdachte hadden een sleutel van de woning. [medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij op 28 maart 2017 thuis kwam en planten in zijn huis aantrof. [medeverdachte 4] wilde dat verdachte de planten weg zou halen en verdachte gaf aan dat hem dat niet in drie of vier dagen zou lukken. Verdachte heeft op die dag ook tegen [medeverdachte 4] gezegd dat het om drugsplanten ging.
Getuige [getuige] woont aan [adres 4] en rook regelmatig een hennepgeur. Volgens haar zit de hennepkwekerij er al wel een half jaar. Het gordijn zat altijd dicht en zij hoorde soms een zoemtoon. Verdachte en [medeverdachte 4] zijn na de aanhouding bij het huis van [getuige] geweest om hun excuses aan te bieden voor de hennepkwekerij. Verdachte was blijkbaar zo vaak in de woning aan de [adres 3] , dat buurman [naam] hem herkent als de bewoner van [adres 3] .
Medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn op 4 april 2017 door de politie gezien bij [adres 3] . Gezien is dat [medeverdachte 2] de woning in ging en [medeverdachte 1] , na een bezoek aan de Jumbo, ook de woning binnen ging met een bruin doosje in zijn handen. Even later komen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar buiten met het kartonnen doosje dat inmiddels is dichtgeplakt. De Volvo van [medeverdachte 1] is op 4 april 2017 in beslag genomen en op 6 april 2017 onderzocht. In de auto is een kartonnen doosje aangetroffen met daarin 32 hennepstekken en ook twee jerrycans met ongeveer vijf liter groeimiddel. De hennepstekken zijn herkend als zijnde hennep. Gebleken is dat de Volvo van [medeverdachte 1] ook aan de [adres 3] is gezien op 7, 10, 14, 18, 21, 25 en 29 maart 2017 en op 1 april 2017. [medeverdachte 2] heeft bij de politie verklaard dat zij betrokken is bij de hennepkwekerijen waar zij is gezien en dat zij schuldig is.
Uit die omstandigheden leidt de rechtbank voldoende wettig en overtuigend bewijs af dat verdachte samen met anderen een hennepkwekerij had aan [adres 3] .
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit 1 primair heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in de periode van 24 januari 2017 tot en met 4 april 2017 tezamen en in vereniging met anderen, (telkens) in het kader van een bedrijf, opzettelijk hebben geteeld en bereid en bewerkt en verwerkt,
- in de periode van 24 januari 2017 tot en met 4 april 2017, te Hardenberg, gemeente Hardenberg, in een pand aan [adres 2] , 448 (vierhonderdachtenveertig) hennepplanten, en
- in de periode van 7 maart 2017 tot en met 4 april 2017, te Hardenberg, gemeente Hardenberg, in een pand aan [adres 3] , 3524 (vijfendertighonderdvierentwintig) hennepplanten (waarvan ongeveer 2900 (negenentwintighonderd) hennepstekken), zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47 van het Wetboek van Strafrecht (SR) en 3 en 11 van de Opiumwet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:
feit 1
het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B gegeven verbod, meermalen gepleegd.
6 De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezen verklaarde feit.
7 De op te leggen straf of maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en aftrek van de tijd die verdachte voor deze zaak in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft bij zijn eis rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat sprake is van een enorm tijdverloop en de straf dient te worden gematigd. Er kan ten hoogste een (deels) voorwaardelijke werkstraf worden opgelegd, aldus de raadsman.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.
Verdachte heeft zich samen met anderen, gedurende een aantal maanden, bezig gehouden met (bedrijfsmatige) hennepteelt op twee adressen in Hardenberg. Hierdoor heeft de verdachte een aandeel geleverd in de handel in softdrugs. Hennep is een softdrug die bij langdurig gebruik een gevaar vormt voor de gezondheid. Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat met deze handel in softdrugs aanzienlijke financiële belangen zijn gemoeid en grote winsten worden behaald en dat deze niet zelden gepaard gaan met geweld, bedreigingen en ripdeals. Aan dergelijke handel medewerking verlenen, op welke wijze dan ook, is derhalve laakbaar en kan de verdachte worden verweten.
De rechtbank heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 23 april 2021, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk strafbaar feit.
De rechtbank komt tot vrijspraak van het onder feit 2 tenlastegelegde feit en, hoewel daar niet het zwaartepunt van de verdenking lag, ziet de rechtbank in die omstandigheid en in het feit dat de redelijke termijn van artikel 6 EVRM met meer dan twee jaar is overschreden, aanleiding om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen zoals door de officier van justitie geëist, hoewel de gebruikelijk door de rechtbank gehanteerde LOVS oriëntatiepunten voor een hennepteelt van deze omvang daartoe wel aanleiding geven.
De rechtbank is van oordeel dat een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis, passend en geboden is.
8 De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 22c, 22d en 57 Sr.
9 De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder feit 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
- verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B gegeven verbod, meermalen gepleegd;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder feit 1 primair bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren;
- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen;
- beveelt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste 60 in verzekering doorgebrachte dagen, twee uren aftrek plaatsvindt.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.E. Schaap, voorzitter, mr. G.H. Meijer en mr. J. de Ruiter rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Bakker, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2021