Strafrecht overig

De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van het…

Rechtbank Overijssel, 2 juli 2024

Zaakgegevens

Op 2 juli 2024 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Overijssel
Zittingsplaats
Zwolle
Datum uitspraak
2 juli 2024
Datum publicatie
2 juli 2024
Zaaknummer
08.132038.22
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2024:3486
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08.132038.22

Datum vonnis: 2 juli 2024

Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie ten aanzien van verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1957 in [geboorteplaats],

BRP-adres: [adres].

1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op 8 mei 2024 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en verdachte de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 145.872,00.

2 De procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van het met deze schriftelijke ontnemingsvordering samenhangende strafdossier. De vordering is vervolgens gelijktijdig met de inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen verdachte, op 18 juni 2024, aan de orde gesteld. Verdachte is niet op die terechtzitting verschenen. Zijn gemachtigd raadsman

mr. J. Vlug, advocaat in Deventer, is wel op de genoemde terechtzitting verschenen en hij is op de vordering gehoord.

Op de terechtzitting van 18 juni 2024 heeft de officier van justitie de schriftelijke vordering gehandhaafd.

De raadsman heeft betoogd dat de ontnemingsvordering moet worden afgewezen.

3 De beoordeling van de vordering

Artikel 36e lid 1 van het Wetboek van Strafrecht houdt in dat op vordering van het Openbaar Ministerie bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting kan worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Verdachte is bij vonnis van deze rechtbank van 2 juli 2024 in de strafzaak vrijgesproken van de aan hem ten laste gelegde feiten, zodat de grondslag aan de ontnemingsvordering is komen te vervallen. De rechtbank zal het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de ontnemingsvordering.

4. De beslissing

De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.J. de Jong, voorzitter, mr. A. van Holten en

mr. L. Kesteloo, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.G. Drent, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2024.

Buiten staat

mr. A. van Holten is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

mr. L. Kesteloo is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.