Strafrecht overig
De rechtbank legt veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 11.556,78 aan de Staat ter ontneming van…
Rechtbank Overijssel, 27 januari 2025
ECLI:NL:RBOVE:2025:406 · Rechtbank Overijssel · 27 januari 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-overijssel/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbove-2025-406
Zaakgegevens
Op 27 januari 2025 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank OverijsselRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Datum uitspraak
- 27 januari 2025
- Datum publicatie
- 27 januari 2025
- Zaaknummer
- 08.072414-22
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOVE:2025:406
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De rechtbank legt veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 11.556,78 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.072414-22
Datum vonnis: 27 januari 2025
Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie ten aanzien van veroordeelde:
[veroordeelde],
geboren op [geboortedatum] 1984 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres 1] .
1 De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel.
2 De procedure
De rechtbank heeft kennis genomen van het met deze schriftelijke vordering samenhangende strafdossier en de schriftelijke conclusiewisseling die tussen de officier van justitie en de verdediging heeft plaatsgevonden. De vordering is vervolgens gelijktijdig met de inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen veroordeelde, op 4, 9, 11 en 17 december 2024, behandeld. Veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. A. Çimen, advocaat in Amsterdam, is op die terechtzittingen verschenen en op de vordering gehoord.
Het onderzoek is op 13 januari 2025 gesloten en de uitspraak is bepaald op 27 januari 2025.
De officier van justitie heeft onder verwijzing naar de conclusie van repliek ter terechtzitting gevorderd dat de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vaststelt op € 110.329,84 en veroordeelde ter hoogte van dit bedrag de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel. Mocht de rechtbank in plaats van de startdatum 6 november 2020 uitgaan van 30 september 2021, dan betreft het bedrag € 11.866,87.
De verdediging heeft onder verwijzing naar de conclusie van antwoord primair gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden vastgesteld op nihil. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat het door veroordeelde te betalen bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden vastgesteld op € 8.550,--.
3 De beoordeling van de vordering
Veroordeling
Veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 27 januari 2025 veroordeeld, voor zover van belang, voor de strafbare feiten:
feit 1
het misdrijf: deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, en 11, derde, vierde en vijfde lid van de Opiumwet;
feit 2
het misdrijf: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A en B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 3
het misdrijf: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder A en B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 4
het misdrijf: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 5
het misdrijf: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank acht het op basis van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, de bewijsmiddelen zoals omschreven in voornoemd vonnis en het opgemaakte rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 11 juli 2022, aannemelijk dat veroordeelde een bedrag van € 11.556,78 aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten en ontleent aan de inhoud van deze bewijsmiddelen ook de schatting van dat voordeel.
In voornoemd vonnis van de rechtbank is bewezen verklaard dat veroordeelde heeft deelgenomen aan een criminele organisatie in de periode van 30 september 2021 tot en met 17 november 2021. Deze periode is korter dan de ten laste gelegde periode en de periode die ten grondslag ligt aan de berekening in het ontnemingsrapport. Uit het Geerings-arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de daarop gebaseerde rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat artikel 6 lid 2 van het EVRM zich verzet tegen het ontnemen van voordeel verkregen door feiten waarvan een veroordeelde (gedeeltelijk) is vrijgesproken. De rechtbank zal daarom het wederrechtelijk verkregen voordeel schatten op basis van de bewezen verklaarde periode.
Aangetroffen administratie
Op 15 november 2021 zijn verbalisanten het bedrijfspand aan de [adres 2] binnengetreden. In dit bedrijfspand is onder meer handgeschreven administratie van de criminele organisatie, waaraan veroordeelde heeft deelgenomen, aangetroffen. In die administratie zijn onder meer de uitgevoerde transporten van drugs, de daaraan verbonden kosten en opbrengsten en de winstverdeling beschreven. Instructies, tijdstippen en afleverlocaties hebben leden van de criminele organisatie in WhatsApp-groepen met onder meer de namen ‘ [groepsnaam 1] ’ en ‘ [groepsnaam 2] ’ met elkaar gedeeld. Veroordeelde was een van de leden van deze appgroepen en heeft net als zijn mededaders in die appgroepen gebruikgemaakt van een schuilnaam.
De rechtbank neemt als uitgangspunt de ontnemingsberekening zoals als scenario B in het opgemaakte rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel is beschreven. Hiermee wordt onder meer aan de hand van voornoemde aangetroffen administratie en chats voldoende inzichtelijk gemaakt op welke manier het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel tot stand is gekomen. De winst van de criminele organisatie is in de periode van 30 september 2021 tot en met 12 november 2021 als volgt opgebouwd:
|
De totale bruto-omzet van de criminele organisatie |
€ 535.615,-- |
|
De kosten van transporten |
€ 144.660,-- |
|
Niet nader gespecificeerde kosten |
€ 197.142,-- |
|
Het bedrag dat wegens in de winstopstelling aanwezige rekenfouten in mindering moet worden gebracht |
€ 1.200,-- |
|
De winst over de periode van 30 september 2021 tot en met 12 november 2021 |
€ 192.613,-- |
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat veroordeelde onder meer gebruik heeft gemaakt van de bijnaam ‘ [alias] ’. Uit de administratie van de criminele organisatie volgt dat ‘ [alias] ’ 6% van de te verdelen winst kreeg uitgekeerd. Dit betreft € 11.556,78.
Naar het oordeel van de rechtbank is de berekening gegrond op de bewezen verklaarde feiten en de daaraan ten grondslag gelegde bewijsmiddelen. Verder is daarin op inzichtelijke en aannemelijke wijze het aandeel van veroordeelde verwerkt. Dit betekent dat de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel schat en zal vaststellen op € 11.556,78.
De vaststelling van de betalingsverplichting
De rechtbank is van oordeel dat aan veroordeelde de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 11.556,78.
4 De wettelijke voorschriften
De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
5 De beslissing
De rechtbank:
-
stelt het bedrag waarop het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 11.556,78;
-
legt veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 11.556,78 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
-
bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 231 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.T.C. Jordaans, voorzitter, mr. D. ten Boer en
mr. J. de Ruiter, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Klunder en mr. M.G. Drent, griffiers, en is in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2025.