Strafrecht overig
De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van het…
Rechtbank Overijssel, 15 januari 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:144 · Rechtbank Overijssel · 15 januari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-overijssel/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbove-2026-144
Zaakgegevens
Op 15 januari 2026 heeft de Rechtbank Overijssel in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank OverijsselRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Datum uitspraak
- 15 januari 2026
- Datum publicatie
- 15 januari 2026
- Zaaknummer
- 84.085139.22
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBOVE:2026:144
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gelet op de partiële nietigheid van de dagvaarding en vrijspraak in de strafzaak.
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 84.085139.22
Datum vonnis: 15 januari 2026
Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1984 in [geboorteplaats],
wonende aan het [woonplaats].
1 De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 255.509,80.
2 De procedure
De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 15 december 2025 en 15 januari 2026. De verdachte, bijgestaan door haar raadsvrouw mr. E.G. Engwirda, advocaat in Amsterdam, is op die terechtzitting verschenen en op de vordering gehoord.
Op die terechtzitting heeft de officier van justitie de vordering gehandhaafd.
De raadsvrouw heeft primair gesteld dat er geen sprake is van enig wederrechtelijk verkregen voordeel. Subsidiair is aangevoerd dat het berekende verkregen voordeel naar beneden dient te worden bijgesteld.
3 De beoordeling van de vordering
Nu de rechtbank bij vonnis van 15 januari 2016 terzake feit 1 heeft vastgesteld dat de dagvaarding nietig is en verdachte is vrijgesproken van het feit 2 , dient het Openbaar Ministerie in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.
4 De beslissing
De rechtbank:
verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van het
wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. van Campen, voorzitter, mr. D. ten Boer en mr. F.M.A. ‘t Hart, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Broeks, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2026.
Buiten staat
Mr. F.M.A. ‘t Hart is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.