Bestuursrecht overig
Uit de systematiek van de wet volgt niet dat bij de beantwoording van de vraag of het ziekengeld geheel of…
Rechtbank Rotterdam, 2 september 2016
ECLI:NL:RBROT:2016:6821 · Rechtbank Rotterdam · 2 september 2016
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbrot-2016-6821
Zaakgegevens
Op 2 september 2016 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 2 september 2016
- Datum publicatie
- 1 september 2016
- Zaaknummer
- ROT 15/6269
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2016:6821
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Uit de systematiek van de wet volgt niet dat bij de beantwoording van de vraag of het ziekengeld geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend moet worden geweigerd, dient te worden meegewogen of de werkgever eigenrisicodrager is.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team Bestuursrecht 3
zaaknummer: ROT 15/6269
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 september 2016 in de zaak tussen
[eiseres], te [plaats], eiseres,
gemachtigde: mr. E.D. Breugelmans-Tanis,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,
gemachtigde: mr. H.M. van Gent.
Procesverloop
Bij besluit van 23 april 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder [naam] (ex-werkneemster) meegedeeld dat eiseres de ex-werkneemster een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) per 30 januari 2015 heeft geweigerd.
Bij besluit van 24 september 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van de ex-werkneemster gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit van 23 april 2015 herroepen en beslist dat de ex-werkneemster per 30 januari 2015 recht heeft op een ZW-uitkering, die betaald dient te worden door eiseres.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiseres en verweerder hebben over en weer op elkaars stellingen gereageerd bij brieven van 21 januari, 23 februari, 3 maart, 22 maart, 12 mei, 27 mei, 9 juni en 15 juni 2016.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2016. Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
1. De ex-werkneemster heeft zich op 5 januari 2015 ziek gemeld bij eiseres. Bij brief van 25 januari 2015 heeft de ex-werkneemster ontslag genomen, hetgeen door eiseres bij brief van 29 januari 2015 aan de ex-werkneemster is bevestigd. De ex-werkneemster heeft hierna bij brief van 6 februari 2015 een ZW-uitkering aangevraagd. Bij brief van 25 februari 2015 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat zij eigenrisicodrager is voor de ZW en eiseres verzocht de aanvraag van eiseres in behandeling te nemen. Eiseres heeft verweerder vervolgens bij brief van 16 maart 2015 meegedeeld dat de ex-werkneemster op eigen verzoek ontslag heeft genomen en dat gelet hierop de ZW-uitkering dient te worden geweigerd.
2. Bij het primaire besluit heeft verweerder de ex-werkneemster meegedeeld dat eiseres haar uitkering volledig heeft geweigerd ten gevolge van een maatregel, die is opgelegd omdat sprake is van verwijtbare werkloosheid en benadeling van de fondsen. De ex-werkneemster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.
3. Op 19 augustus 2015 heeft verweerder het voornemen kenbaar gemaakt het primaire besluit te herzien, omdat geen sprake is van benadeling van de fondsen, nu bij een eigenrisicodrager de ZW-uitkering niet ten laste komt van de fondsen, maar van de eigen middelen van de eigenrisicodrager. In de zienswijze heeft eiseres gesteld dat wel degelijk sprake is van een benadelingshandeling, nu de ex-werkneemster op eigen verzoek ontslag heeft genomen, en dat daarom aanleiding bestaat voor een maatregel. In de ZW is niet bepaald dat artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW niet op de eigenrisicodrager van toepassing is, aldus eiseres.
4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van de ex-werkneemster gegrond verklaard, het primaire besluit van 23 april 2015 herroepen en beslist dat de ex-werkneemster per 30 januari 2015 recht heeft op een ZW-uitkering, die betaald dient te worden door eiseres. Verweerder heeft hieraan het hiervoor onder 3 vermelde standpunt in het voornemen ten grondslag gelegd.
5. Eiseres heeft zich in beroep - kort samengevat - op het standpunt gesteld dat uit artikel 63a van de ZW volgt dat de eigenrisicodrager in de rechten en verplichtingen van verweerder treedt, zodat de verplichting om het fonds niet te benadelen ook geldt voor de ex-werkneemster jegens eiseres. Eiseres meent dat zij door de ex-werkneemster is benadeeld nu de ex-werkneemster op eigen verzoek ontslag heeft genomen. Indien de ex-werkneemster had meegewerkt aan re-integratie en niet zonder deugdelijke reden de arbeidsovereenkomst had opgezegd, dan was re-integratie en loondoorbetaling voortgezet. Door op eigen verzoek ontslag te nemen heeft de ex-werkneemster zelf het verzekerd risico laten ontstaan. Eiseres meent dat het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden, indien artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW niet voor haar als eigenrisicodrager zou gelden. Eiseres heeft er daarnaast op gewezen dat de ex-werkneemster de bepalingen in artikel 45, eerste lid, aanhef en onder m, van de ZW en artikel 45, zevende lid, van de ZW heeft geschonden. Eiseres meent voorts dat verweerder door de toekenning van ZW-uitkering aan de ex-werkneemster wel degelijk kan worden benadeeld, nu bij een faillissement van eiseres verweerder de ZW-uitkering van de ex-werkneemster dient over te nemen en verweerder voorts gehouden blijft de medische beoordelingen van de ex-werkneemster te verrichten. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres nog gewezen op Kamerstukken II 2000/01, 27 873, nr. 3.
6. Verweerder heeft zich - kort samengevat - nogmaals op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding is om een maatregel op te leggen omdat er, gelet op de tekst van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW, geen sprake kan zijn van een benadelingshandeling. De uitbetaling van het ziekengeld geschiedt immers door eiseres als eigenrisicodrager. Van benadeling van het Algemeen Werkloosheidsfonds, het sectorfonds of het Uitvoeringsfonds voor de overheid is dan ook geen sprake. Voorts is volgens verweerder geen sprake van een feitelijke benadeling van de ex-werkgever door het ontslag. Door de verplichting om een uitkering op grond van de ZW te moeten betalen, lijdt de ex-werkgever geen schade ten opzichte van de situatie waarin deze verplicht was loon (door) te betalen. Voor het geval wel sprake zou zijn van benadeling van de werkgever, ontbreekt in de ZW een soortgelijke bepaling wegens benadeling van de eigenrisicodrager, aldus verweerder. Verweerder meent voorts dat geen sprake is van gelijke gevallen.
7. Bij de beoordeling van de zaak is in het bijzonder het volgende wettelijk kader van belang.
Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, van de ZW, bezien in samenhang met artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet financiering sociale verzekeringen, moet onder eigenrisicodrager worden verstaan de werkgever die zelf het risico draagt van de betaling van de ZW aan de verzekerde.
Artikel 29 van de ZW bevat de bepalingen omtrent het recht op, de duur van en de hoogte van het ziekengeld.
Op grond van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW weigert het Uwv het ziekengeld geheel of gedeeltelijk, indien de verzekerde door zijn doen en laten het Algemeen Werkloosheidsfonds, het sectorfonds of het Uitvoeringsfonds voor de overheid benadeelt of zou kunnen benadelen.
Op grond van artikel 63a, eerste lid, van de ZW verricht de eigenrisicodrager met betrekking tot de personen, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b en c, die laatstelijk tot hem in dienstbetrekking stonden, de werkzaamheden ter zake van de voorbereiding van besluiten op grond van deze wet inzake uitkeringen, met uitzondering van besluiten op grond van artikel 45a en besluiten op grond van bezwaar of beroep. De eigenrisicodrager begeleidt de personen, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b en c, die laatstelijk tot hem in dienstbetrekking stonden, bij gebleken ongeschiktheid als zou hij in een privaatrechtelijke dienstbetrekking tot de eigenrisicodrager staan, met toepassing van artikel 26, tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen dan wel artikel 71b, derde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
In het tweede lid van artikel 63a van de ZW is bepaald dat de eigenrisicodrager bij de uitvoering van het eerste lid voor de toepassing van de artikelen 28, eerste lid, 29g, tweede lid, 30, derde lid, 37, eerste lid, en 39, eerste en tweede lid, in de plaats treedt van het Uwv.
In het derde lid van artikel 63a van de ZW is ten slotte geregeld dat de eigenrisicodrager het door het Uwv toegekende ziekengeld namens het Uwv aan de verzekerde betaalt.
8. Uit de definitie van de eigenrisicodrager en de omschrijving van diens werkzaamheden, alsmede uit de systematiek van de wet, leidt de rechtbank af dat de eigenrisicodrager belast is met de voorbereiding van besluiten en dat het aan verweerder is om bij besluit het recht op, de duur en de hoogte van het ziekengeld overeenkomstig het bepaalde in artikel 29 van de ZW vast te stellen en de uitkering wel of niet toe te kennen. Verweerder zal zich daarbij tevens een oordeel moeten vormen over het wel of niet opleggen van een maatregel als bedoeld in artikel 45 van de ZW. Nadat verweerder heeft besloten het ziekengeld toe te kennen, wordt bepaald voor wiens rekening de uitbetaling van de uitkering komt: voor het Uwv, of, indien de werkgever heeft gekozen voor het eigenrisicodragerschap, voor de werkgever als eigenrisicodrager.
9. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de systematiek van de wet niet dat bij de beantwoording van de vraag of het ziekengeld geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend moet worden geweigerd, dient te worden meegewogen of de werkgever eigenrisicodrager is. Dit kan immers, zoals thans in het onderhavige geval, tot de situatie leiden dat een verzekerde die verwijtbaar werkloos is geworden, wel een uitkering krijgt als zijn werkgever eigenrisicodrager is, terwijl diezelfde verzekerde geen uitkering zou ontvangen indien het Uwv deze dient te betalen. Voor deze onwenselijke situatie, waarin gelijke gevallen ongelijk worden behandeld, bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen rechtvaardiging. Het sluit bovendien niet aan bij de bedoeling die de wetgever blijkens de memorie van toelichting bij de Wet eigenrisicodragen Ziektewet (Tweede Kamer, vergaderjaar 2000-2001, 27 873, nr. 3, p. 3) aan het eigenrisicodragerschap en de positie van de verzekerde heeft gegeven: “De eigenrisicodrager neemt de betaling van het ziekengeld over van het UWV. Dit impliceert dat de rechten en de plichten van de betrokkene gebaseerd blijven op de bepalingen van de ZW.”
10. De rechtbank wijst er nog op dat, zelfs als bij de beantwoording van de vraag of aan de verzekerde een maatregel moet worden opgelegd, zou worden betrokken dat de werkgever eigenrisicodrager is, er op grond van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW, ook sprake is van een benadelingshandeling indien de verzekerde door zijn doen en laten de in de bepaling genoemde fondsen zou kunnen benadelen. In het voorliggende geval is van een dergelijke potentiële benadeling sprake aangezien zich de situatie zou kunnen voordoen dat het uiteindelijk toch het Uwv is dat het ziekengeld aan de verzekerde dient te betalen indien de eigenrisicodrager daar, bijvoorbeeld vanwege een faillissement, niet toe in staat blijkt.
11. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden. Hetgeen overigens is aangevoerd, behoeft geen nadere bespreking.
12. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. In een situatie als de onderhavige, waarbij verweerder tevens opnieuw onderzoek zal dienen te verrichten naar de mogelijke verwijtbaarheid van de ex-werkneemster, ziet de rechtbank geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.
13. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
14. De rechtbank veroordeelt verweerder voorts in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496,- en wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep gegrond;
-
vernietigt het bestreden besluit;
-
draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
-
bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 331,- vergoedt;
-
veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 992,-, te betalen aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.W.J. Rijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 september 2016.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.