Bestuursrecht overig
Besluit tot verplaatsing van eiseres naar andere opvangplek, geen procesbelang, beroep n-o.
Rechtbank Rotterdam, 27 juli 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:10006 · Rechtbank Rotterdam · 27 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbrot-2026-10006
Zaakgegevens
Op 27 juli 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 27 juli 2026
- Datum publicatie
- 12 augustus 2026
- Zaaknummer
- ROT 25/6265
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:10006
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Besluit tot verplaatsing van eiseres naar andere opvangplek, geen procesbelang, beroep n-o.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/6265
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres
(gemachtigde: mr. L.A. Fischer),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlaardingen, het college
(gemachtigden: mr. M. de Groot, mr. M. Mahmoud en mr. J. Gerritsen).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om eiseres te verplaatsen naar een andere opvangplek binnen de opvanglocatie voor ontheemde [locatie 1] . Eiseres is het niet eens met het besluit van het college. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres geen procesbelang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep. Het beroep van eiseres is dus niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Het college heeft met het besluit van 2 december 2024 besloten om eiseres tijdelijk te verplaatsen naar een andere opvangplek binnen de opvanglocatie [locatie 1] . Met het bestreden besluit van 12 augustus 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij dat besluit gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroepschrift gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 1 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Inleiding
3. Eiseres verbleef in een zelfstandige woonunit op de opvanglocatie voor ontheemde Oekraïners in [locatie 1] . Op 4 november 2024 heeft zij intern melding gemaakt van een incident met een mannelijke bewoner die een paar deuren verder verbleef. Zij heeft ook aangifte gedaan bij de politie. Uit het dossier kwam naar voren dat de man niet vervolgd werd voor het incident vanwege een gebrek aan bewijs. Het locatiemanagement van de opvanglocatie vond het in het kader van de veiligheid gewenst om zowel eiseres als de man te verplaatsen naar een andere verblijfplek. De man is vervolgens van een zelfstandige woonunit verplaatst naar een gedeelde woonunit. Het locatiemanagement wilde dat eiseres verplaatste naar een eigen slaapkamer met gedeelde voorzieningen (keuken en badkamer) in een ander gebouw, in de buurt van de beveiliging.
4. Eiseres was het niet eens met het besluit van het college om haar tijdelijk over te plaatsen naar een andere opvangplek binnen de opvanglocatie [locatie 1] . Zij heeft tegen dat besluit bezwaar ingediend. Met het bestreden besluit heeft het college, in afwijking van het advies van de algemene bezwaarschriftencommissie, het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Procesbelang
5. Uit het verweerschrift volgt dat eiseres uiteindelijk wel heeft meegewerkt en haar oorspronkelijke unit heeft verlaten om de andere opvangplek binnen [locatie 1] te betrekken. Volgens het college is het beoogde effect – namelijk het voorkomen van een nieuwe conflictsituatie waardoor de veiligheid van eiseres en haar ex-partner en de veiligheid van de andere ter plaatse opgevangen ontheemden in gevaar zou komen – daarmee bereikt. In het verweerschrift geeft het college verder aan dat eiseres na het bestreden besluit de opvanglocatie [locatie 1] heeft verlaten en naar [locatie 2] is vertrokken. Voor zover door het college bekend verblijft eiseres daar nog steeds. Eiseres heeft een aangifte van vertrek ingevuld en ondertekend op 7 november 2025.
6. De rechtbank ziet zich gelet op het voorgaande voor de vraag gesteld of eiseres nog procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep. Namens eiseres is ter zitting aangevoerd dat zij in Oekraïne verblijft en een opvangplek wil in Nederland. Het college heeft toegelicht dat eiseres geen opvangplek meer heeft in [locatie 1] , omdat zij (zelfstandig) uit de opvang is vertrokken en zich heeft uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen omdat zij naar [locatie 2] is vertrokken. Het – overigens begrijpelijke – belang van eiseres om weer een opvangplek te krijgen, is geen onderdeel van dit geschil. Eiseres heeft geen beroep ingesteld tegen een beslissing waarbij haar een gevraagde opvangplek is geweigerd. Zij kan in deze zaak niet bereiken dat zij (opnieuw) recht heeft op opvang. Omdat eiseres geen actueel belang heeft gesteld bij het wel of niet verplaatsen naar een andere opvangplek, waar het in deze zaak over gaat, is het beroep niet-ontvankelijk.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Klomp, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2026.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.