Bestuursrecht overig

Wet hersteloperatie toeslagen (Wht), brede ondersteuning. De rechtbank beoordeelt in deze einduitspraak of…

Rechtbank Rotterdam, 30 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 30 oktober 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
30 oktober 2026
Datum publicatie
28 oktober 2026
Zaaknummer
ROT 24/677
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:14851
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Wet hersteloperatie toeslagen (Wht), brede ondersteuning. De rechtbank beoordeelt in deze einduitspraak of het college erin is geslaagd het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek te herstellen. Het college heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak een nieuw besluit genomen en de gevraagde ondersteuning alsnog toegekend. De rechtbank concludeert dat het gebrek is hersteld.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 24/677


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 oktober 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. M.B. Visser),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barendrecht, het college

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Samenvatting

1. Eiseres heeft een aanvraag gedaan om brede ondersteuning door de gemeente op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). In de tussenuitspraak van 20 maart 2026 heeft de rechtbank geoordeeld dat het college de aanvraag niet had mogen afwijzen op de grond dat de inboedel was aangeschaft vóórdat eiseres zich bij de gemeente had aangemeld. Eiseres had zich namelijk al eerder aangemeld bij de gemeente Rotterdam. De rechtbank beoordeelt in deze einduitspraak of het college erin is geslaagd het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek te herstellen. Het college heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak een nieuw besluit genomen en de gevraagde ondersteuning alsnog toegekend. De rechtbank concludeert dat het gebrek is hersteld. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. De rechtbank verwijst naar het procesverloop in de tussenuitspraak van 20 maart 2026 (de tussenuitspraak).

2.1.

In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit 1 te herstellen.

2.2.

Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak een nieuw besluit genomen van 8 april 2026 (het bestreden besluit 2). Daarbij heeft het college het bezwaar van eiseres alsnog gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en beslist dat aan eiseres brede ondersteuning wordt verleend op het leefgebied wonen voor een bedrag van € 17.462,16. Hierbij heeft het college het bestreden besluit 1 ingetrokken. Eiseres heeft desgevraagd niet meer op bestreden besluit 2 gereageerd.

2.3.

De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

3. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.

4. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het college het moment van de aanmelding van eiseres bij de gemeente Rotterdam in 2021 had moeten aanmerken als het startmoment van de aanmelding voor brede ondersteuning. Het college mocht de in januari 2022 aangeschafte inboedel daarom niet aanmerken als een vergoeding die met terugwerkende kracht wordt verzocht. Ook had het college moeten beoordelen of de gevraagde voorzieningen noodzakelijk waren op het moment waarop eiseres de inboedel heeft aangeschaft.

5. Het college heeft in het bestreden besluit 2 alsnog de gevraagde vergoeding voor de aanschaf van een inboedel toegekend en het bestreden besluit 1 ingetrokken. Eiseres heeft niet gesteld schade te hebben geleden ten gevolge van het bestreden besluit 1. Het college heeft in het bestreden besluit 2 aan eiseres alsnog een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend. Gelet hierop heeft eiseres geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit 1. De rechtbank verklaart daarom het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit 1, wegens het ontvallen van procesbelang niet-ontvankelijk.

6. Het beroep heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege mede betrekking op het bestreden besluit 2, nu partijen daarbij voldoende belang hebben.

6.1.

De rechtbank is van oordeel dat het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek is hersteld in het bestreden besluit 2. Aan eiseres is de gevraagde vergoeding alsnog toegekend, zelfs voor een iets hoger bedrag dan oorspronkelijk door haar was verzocht. Eiseres heeft zich kunnen uitlaten over het bestreden besluit. De rechtbank verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit 2 dan ook ongegrond.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep tegen het bestreden besluit 1 is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het bestreden besluit 2 is ongegrond. Het college moet wel het griffierecht aan eiseres vergoeden. Ook krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet die vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,-, bij een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit 2 ongegrond;

- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Spengen, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Joosse, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). ABRvS 24 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR5704 en ABRvS 15 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4694.