Bestuursrecht overig

Bestuursdwang. Wegslepen voertuig wegens overtreding van artikel 5:4 van APV Rotterdam. Eiser betwist dat…

Rechtbank Rotterdam, 30 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 30 oktober 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
30 oktober 2026
Datum publicatie
29 oktober 2026
Zaaknummer
ROT 25/8055
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:14932
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Bestuursdwang. Wegslepen voertuig wegens overtreding van artikel 5:4 van APV Rotterdam. Eiser betwist dat sprake is van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken. De rechtbank oordeelt dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een overtreding. Beroep gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/8055


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 oktober 2026 in de zaak tussen

[naam eiser] , uit [plaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college

(gemachtigde: mr. C.M. de Jong).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aan eiser, onder aanzegging van bestuursdwang, opgelegde last om zijn voertuig te herstellen, dan wel van de openbare weg te verwijderen. Aan die last heeft het college ten grondslag gelegd dat met het voertuig niet meer mocht of kon worden gereden. Eiser is het met de last en de uitgeoefende bestuursdwang niet eens en voert een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.

Procesverloop

2. Bij besluit van 30 april 2024 (het primaire besluit) heeft het college eiser, onder aanzegging van bestuursdwang, gelast om binnen zeven dagen zijn voertuig te herstellen of weg te halen. Bij besluit van 17 september 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

2.1.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 19 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college.

2.3.

Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst.

2.4.

Het college heeft de rechtbank bij brief van 9 september 2026 geïnformeerd dat partijen niet tot een minnelijke oplossing zijn gekomen.

2.5.

Geen van de partijen heeft, nadat zij zijn gewezen op hun recht op een nadere zitting te worden gehoord, verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek bij brief van 29 september 2026 gesloten.

Voorgeschiedenis en totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiser is eigenaar van een circa vijftig jaar oude bedrijfsauto van het merk Hanomag en type F45/35 (het voertuig). Eiser beschikt niet over een eigen oprit of garage en parkeert het voertuig op de openbare weg in Hoek van Holland. Eiser en het college verschillen al geruime tijd van mening over de vraag of het voertuig op de weg geparkeerd mag staan. In juli 2023 heeft het college eiser een waarschuwing gestuurd, omdat het voertuig “een mogelijk defect voertuig” is dat in strijd met artikel 5:4 van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012 (APV) geparkeerd zou staan. Op basis van dat artikel mogen voertuigen niet langer dan zeven dagen achtereen op de weg geparkeerd staan als, voor zover voor deze zaak relevant, niet met het voertuig kan of mag worden gereden als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken. Eiser heeft destijds betwist dat sprake is van een defect voertuig in de zin van de APV. Het college heeft afgezien van handhaving.

3.1.

Uit een rapportage van 9 april 2024 van de gemeente Rotterdam, cluster Stadsbeheer, blijkt dat controlerende ambtenaren op dinsdag 9 april 2024 om 14.38 uur hebben geconstateerd dat het voertuig geparkeerd stond aan de [adres] in Hoek van Holland, terwijl het voertuig defect en verwaarloosd leek. Met een brief van 11 april 2024 heeft de manager Stadsbeheer eiser opgedragen een overtreding van de APV te beëindigen door het voertuig binnen zeven dagen te herstellen of te verplaatsen. De brief vermeldt verder dat als eiser dit nalaat, het voertuig zal worden weggehaald op kosten van eiser.

3.2.

Met het primaire besluit heeft het college eiser, onder aanzegging van bestuursdwang, gelast het voertuig binnen zeven dagen te herstellen of weg te halen. In het besluit staat verder dat als eiser niet aan de last voldoet, het voertuig na 7 mei 2024 zal worden verwijderd op kosten van eiser.

3.3.

Uit rapportages van 19 februari 2025 en 26 februari 2025 van de gemeente Rotterdam, cluster Stadsbeheer, blijkt dat controlerende ambtenaren op genoemde datums opnieuw de locatie aan de [adres] te Hoek van Holland hebben bezocht en het voertuig daar op een parkeerplaats hebben aangetroffen. Op 27 februari 2025 heeft het college de bestuursdwang feitelijk toegepast en is het voertuig van de openbare weg verwijderd en opgeslagen.

3.4.

Omdat het college op 16 mei 2025 is gebleken dat het voertuig na ruim elf weken nog steeds in de opslag stond, heeft het college aan eiser medegedeeld dat het college voornemens was het voertuig te verkopen, of, indien verkoop niet mogelijk zou blijken, te laten demonteren. Per e-mail van 26 mei 2025 heeft eiser op dit voornemen gereageerd en zich hiertegen verzet. Het college heeft deze reactie als bezwaarschrift tegen het primaire besluit aangemerkt en geoordeeld dat het bezwaar verschoonbaar buiten de bezwaartermijn is ingediend.

3.5.

In het bestreden besluit licht het college toe dat het voertuig is aan te merken als een kennelijk defect voertuig als bedoeld in artikel 5:4 van de APV, omdat sprake is van niet eenvoudig te verhelpen gebreken. Dit blijkt volgens het college uit de foto’s die onderdeel uitmaken van de bestuurlijke rapportages. Op deze foto’s is te zien dat zowel een rechterbuitenspiegel als een binnenspiegel ontbreekt. Ook blijkt uit de rapportages dat de ruitenwisserinstallatie niet naar behoren functioneert. De spiegels en de ruitenwisserinstallatie zijn vereisten voor een algemene periodieke keuring (apk). Het college zoekt hierbij aansluiting bij artikel 5.1.1 van de Regeling voertuigen, dat kort gezegd bepaalt dat het de bestuurder of eigenaar van een voertuig verboden is daarmee te rijden indien het voertuig gebreken kent die op de lijst staan voor afkeuring bij de apk. Daarom staat voor het college vast dat het voertuig onveilig was en er vanwege die gebreken niet met het voertuig gereden mocht worden, als bedoeld in artikel 5:4, aanhef en onder a, van de APV. De omstandigheid dat op het voertuig vanwege het bouwjaar geen apk-verplichting meer rust, zoals eiser in bezwaar heeft aangevoerd, doet daar volgens het college niet aan af.

Beoordeling door de rechtbank

4. De relevante bepalingen staan in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Was er sprake van een overtreding?

5. De rechtbank begrijpt dat eiser aanvoert dat het college ten onrechte heeft overwogen dat sprake is van een overtreding van artikel 5:4 van de APV. Zijn voertuig heeft mogelijk gebreken, maar deze zijn juist wel eenvoudig te verhelpen. Volgens eiser is geen sprake van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken als gevolg waarvan hij niet met het voertuig kan of zou mogen rijden.

5.1.

De rechtbank stelt voor de volledigheid voorop dat het college het bestreden besluit heeft gebaseerd op artikel 5:4 van de APV (‘Defecte voertuigen’) en niet op artikel 5:5 van de APV (‘Voertuigwrakken’). In deze zaak staat dus de vraag centraal of met het voertuig als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken, niet kan of mag worden gereden. Bij de beantwoording van die vraag is het volgende van belang. Het college heeft in het bestreden besluit toegelicht dat bepaalde geconstateerde uiterlijke kenmerken (stofafzetting op de ruiten, grasgroei rond de banden en een doffe lak met roestsporen) op zichzelf onvoldoende zijn om het voertuig als een defect voertuig te kwalificeren als bedoeld in artikel 5:4 van de APV. Daarentegen zijn volgens het college – zoals voor het eerst in het bestreden besluit geconcretiseerd – de volgende gebreken beslissend: een ondeugdelijke ruitenwisinstallatie, een ontbrekende binnenspiegel en een ontbrekende buitenspiegel. De rechtbank zal dan ook beoordelen of deze gebreken de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van een defect voertuig.

5.2.

De beroepsgrond slaagt. De rechtbank is van oordeel dat het college met het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een overtreding van artikel 5:4 van de APV. Voor zover er al sprake is van gebreken, heeft het college namelijk onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van andere dan eenvoudig te helpen gebreken. Zoals hiervoor al opgemerkt heeft het college drie gebreken aan het voertuig opgemerkt: een verroeste ruitenwisinstallatie, een ontbrekende binnenspiegel en een ontbrekende buitenspiegel. De rechtbank begrijpt de redenering van het college zo, dat deze gebreken niet eenvoudig zijn te verhelpen, omdat de gebreken bij een apk zouden leiden tot afkeuring. Deze motivering overtuigt niet. Dat een gebrek strijd oplevert met de apk-eisen, zegt niet noodzakelijkerwijs iets over hoe moeilijk het is om het gebrek te herstellen. De stelling dat het om niet eenvoudig te verhelpen gebreken gaat, laat zich bovendien lastig rijmen met de omstandigheid dat het college bij het primaire besluit aan eiser een termijn van (slechts) zeven dagen heeft geboden om het voertuig te herstellen. Als eiser de gebreken kennelijk binnen zeven dagen kon herstellen, is dat een contra-indicatie voor de stelling dat sprake is van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken. Ook op de zitting is het college er niet in geslaagd om overtuigend toe te lichten waar volgens het college de grens licht tussen eenvoudig te verhelpen en niet eenvoudig te verhelpen gebreken en waarom die grens in dit geval is overschreden. Overigens heeft het college verder onvoldoende gemotiveerd dat de ruitenwisinstallatie daadwerkelijk gebrekkig is. In het bestreden besluit staat dat op de foto’s die zijn gemaakt op 9 april 2024 te zien is dat de ruitenwissers zijn verkleurd/uitgeslagen en verroest, wat er volgens het college op wijst dat de ruitenwisinstallatie niet naar behoren functioneert. De rechtbank kan, zonder een nadere toelichting die ontbreekt, niet vaststellen of verkleuring dan wel verroesting van een ruitenwisinstallatie noodzakelijkerwijs tot de conclusie moet leiden dat die installatie niet goed functioneert. Tot slot merkt de rechtbank op dat het college in het bestreden besluit eiser geen (nieuwe) termijn heeft geboden als bedoeld in artikel 5:24, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Ook dat levert een gebrek op aan het bestreden besluit.

5.3.

Omdat deze beroepsgrond slaagt, behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen omdat het in strijd met artikel 7:12, eerste lid, en artikel 5:24, tweede lid, van de Awb is genomen. De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak voorzien, in die zin dat het primaire besluit wordt herroepen en deze uitspraak in de plaats van het vernietigde bestreden besluit treedt.

7. De vernietiging van het bestreden besluit en herroeping van het besluit van 30 april 2024, heeft tot gevolg dat de grondslag voor het wegslepen van het voertuig is komen te vervallen. Ter zitting heeft het college verklaard dat het voertuig nog niet is verkocht of gedemonteerd. De rechtbank gaat ervan uit dat het college het voertuig weer aan eiser ter beschikking zal stellen.

8. Omdat het beroep gegrond is, moet het college het door eiser betaalde griffierecht vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, omdat eiser geen kosten heeft gemaakt.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;

  • vernietigt het bestreden besluit;

  • herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • bepaalt dat het college aan eiser het betaalde griffierecht van € 194,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B. Plomp, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Haasnoot, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage

Regeling voertuigen

Artikel 5.1.1

1. Het is de bestuurder van een voertuig verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien het voertuig:

(…)

c. niet voldoet aan de in de afdelingen 2 tot en met 17 van dit hoofdstuk ten aanzien van de bouw of inrichting van voertuigen van de categorie waartoe het voertuig behoort, gestelde eisen; of

(…)

Algemene plaatselijke verordening Rotterdam 2012 (APV)

Artikel 5:4 Defecte voertuigen

Het is verboden een voertuig:

a. waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, of

b. dat niet is voorzien van een voor het rijden met een zodanig voertuig wettelijk verplicht kenteken,

langer dan op zeven achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.

Artikel 5:5 Voertuigwrakken

1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert, op de weg te parkeren.

2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op basis van artikel 5.2.45, eerste lid, Regeling voertuigen.