Bestuursrecht overig
Eiseres is het niet eens met de duur van de WW-uitkering. De rechtbank oordeelt dat het UWV de duur van de…
Rechtbank Rotterdam, 28 oktober 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:14854 · Rechtbank Rotterdam · 28 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbrot-2026-14854
Zaakgegevens
Op 28 oktober 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 28 oktober 2026
- Datum publicatie
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- ROT 25/4870
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:14854
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Eiseres is het niet eens met de duur van de WW-uitkering. De rechtbank oordeelt dat het UWV de duur van de uitkering juist heeft berekend. De rechtbank volgt eiseres ook niet in het betoog dat het UWV vanwege overmacht had moeten afwijken van de wet. Geen strijd met het evenredigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Het beroep is ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/4870
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde 1]),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(gemachtigde: [gemachtigde 2]).
Procesverloop
1. Deze uitspraak gaat over de duur van de aan eiseres toegekende WW-uitkering. De uitkering is in het besluit van 30 december 2024 toegekend voor een periode van drie maanden. Eiseres vindt dat aan haar een WW-uitkering had moeten worden toegekend met een langere duur.
2. Met het besluit van 8 mei 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiseres is het UWV bij de duur van drie maanden gebleven.
3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
4. De rechtbank heeft het beroep op 24 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar echtgenoot, haar gemachtigde en de gemachtigde van het UWV.
Beoordeling door de rechtbank
Procesbelang
5. Het UWV heeft aan de orde gesteld of eiseres een procesbelang heeft. De WW-uitkering is toegekend tot 1 april 2025. Eiseres heeft zich per 25 februari 2025 ziek gemeld. De WW-uitkering wordt na een ziekmelding normaal gesproken gedurende 13 weken doorbetaald. Omdat echter op 1 april 2025 de maximale uitkeringsduur van de WW was bereikt, is aan haar per die datum een uitkering toegekend op grond van de Ziektewet (ZW). Het resultaat van deze procedure zou dus alleen maar kunnen zijn dat eiseres de volle 13 weken WW-doorbetaling krijgt en daarna een ZW-uitkering, zodat de vraag is of zij procesbelang heeft.
6. De rechtbank volgt het UWV niet in dit standpunt. Eiseres heeft een procesbelang als het resultaat dat zij met haar beroep nastreeft daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor haar feitelijke betekenis kan hebben. Het resultaat dat eiseres nastreeft is een WW-uitkering met een langere duur dan 13 weken. Dit resultaat kan voor haar feitelijke betekenis hebben in het geval dat zij zich, bijvoorbeeld, hersteld meldt voor het einde van de wachttijd van de WIA-uitkering. Weliswaar is daar nu geen sprake van, maar op dit moment kan (nog) niet worden uitgesloten dat dit alsnog gebeurt. Eiseres heeft daarom belang bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep.
Beroepsgronden
7. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het UWV de maximale uitkeringsduur onjuist heeft berekend. Bij de berekening van de duur van de WW-uitkering heeft het UWV ten onrechte geen rekening gehouden met het vrijwilligerswerk dat zij met toestemming van het UWV heeft verricht in de periode november 2019 tot en met maart 2020. Ook is ten onrechte geen rekening gehouden met haar werkzaamheden voor [bedrijf] in de maand april 2020. Verder voert eiseres aan dat het UWV de gehele coronaperiode had moeten meetellen voor de jareneis. Ondanks verwoede sollicitatiepogingen is eiseres in deze periode nimmer uitgenodigd voor een gesprek. Als de pandemie er niet was geweest had eiseres zeker werk kunnen vinden, gelet op haar lange en stabiele arbeidsverleden van maar liefst 41 jaar. Dat zij geen werk heeft gevonden is dus veroorzaakt door overmacht. Het UWV had hierin aanleiding moeten zien om af te wijken van de wet. Het UWV had zelf ook onderzoek moeten doen, bijvoorbeeld aan de hand van onderzoeksrapporten van het CBS over de gevolgen van de pandemie op de arbeidsmarkt. Door strikt vast te houden aan de wet heeft het UWV gehandeld in strijd met het evenredigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.
Heeft het UWV de duur van de WW-uitkering juist berekend?
8. De uitkeringsduur van een WW-uitkering is ten minste drie maanden en ten hoogste 24 maanden. Recht op een uitkeringsduur van drie maanden ontstaat indien aan de ‘wekeneis’ is voldaan. Dit houdt in dat de werknemer in de 36 kalenderweken onmiddellijk voorafgaand aan de eerste dag van werkloosheid in ten minste 26 kalenderweken ten minste één arbeidsuur per kalenderweek gewerkt moet hebben. Aan deze wekeneis is in de situatie van eiseres voldaan.
9. De uitkeringsduur van drie maanden wordt pas verlengd indien voldaan wordt aan de ‘jareneis’. Indien de werknemer in de vijf kalenderjaren onmiddellijk voorafgaand aan het jaar waarin zijn eerste werkloosheidsdag is gelegen, in ten minste vier kalenderjaren over 52 of meer dagen per kalenderjaar loon heeft ontvangen, wordt de uitkeringsduur verlengd met een maand voor ieder kalenderjaar arbeidsverleden voor de eerste tien jaren arbeidsverleden en voor ieder extra jaar arbeidsverleden met een maand (voor jaren na 2015) dan wel halve maand (voor jaren voor 2016). Dit wordt de vier-uit-vijf-eis genoemd. Aan deze jareneis wordt volgens het UWV niet voldaan. Alleen de jaren 2022 en 2023 zijn loonvormende jaren. In de jaren 2023 en 2024 heeft eiseres arbeidsverleden opgebouwd. In de jaren 2020, 2021 en 2022 niet.
10. De rechtbank volgt eiseres niet in het standpunt dat het UWV haar vrijwilligerswerk en het werk bij [bedrijf] mee had moeten nemen voor de berekening van het arbeidsverleden. Het UWV heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat uit de wet volgt dat alleen dagen waarop loon wordt ontvangen meegeteld kunnen worden. Voor het vrijwilligerswerk ontving eiseres geen loon, zodat het UWV die periode terecht niet heeft meegenomen in de berekening. Ook het werk bij [bedrijf] in de maand april 2020 heeft het UWV terecht niet meegeteld, omdat uit de wet volgt dat een jaar pas kan meetellen als de werknemer in dat jaar op zijn minst op 52 dagen loon heeft ontvangen. De periode bij [bedrijf] was dus te kort om mee te nemen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het UWV de wettelijke regels voor de berekening van de duur van de WW-uitkering juist heeft toegepast.
Had het UWV moeten afwijken van de wet?
11. De rechtbank volgt eiseres niet in het betoog dat het UWV had moeten afwijken van de wet. Artikel 42 van de WW is een dwingendrechtelijke bepaling in een wet in formele zin. Uit vaste rechtspraak volgt dat slechts indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, dit aanleiding kan geven tot een andere uitkomst dan waartoe strikte toepassing van de wet leidt. Dit is het geval indien niet-verdisconteerde omstandigheden die strikte toepassing zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. Deze bijzondere omstandigheden kunnen slechts bij hoge uitzondering worden aangenomen.
12. Weliswaar heeft de wetgever niet kunnen voorzien dat er een pandemie zou uitbreken. In die zin sprake van een omstandigheid die niet is verdisconteerd in de afweging van de wetgever, zoals het UWV ter zitting ook heeft erkend. Ondanks dat aannemelijk is dat de pandemie invloed heeft gehad op de arbeidsmarkt, stonden er tijdens de pandemie echter wel vacatures open en wisselden mensen nog steeds van baan. Dit blijkt ook uit de omstandigheid dat eiseres in die periode veel heeft gesolliciteerd. Dat het eiseres ondanks haar vele inspanningen niet is gelukt om aan werk te komen zal mogelijk wel beïnvloed zijn door de pandemie, maar daar kunnen ook andere aspecten aan hebben bijgedragen, zoals het soort werk dat eiseres zocht, haar werkervaring en haar leeftijd. De rechtbank is om die reden van oordeel dat het niet vinden werk, ondanks uitgebreide sollicitatiepogingen in de coronaperiode, geen bijzondere niet-verdisconteerde omstandigheid is die maakt dat het UWV in dit geval had moeten afwijken van de wet. Door vast te houden aan de jareneis in artikel 42 van de WW wet heeft het UWV niet gehandeld in strijd met het evenredigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Het betoog slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.N. Foppen, rechter, in aanwezigheid van G.I. Heijblom, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2026.
|
de griffier is verhinderd de uitspraak te tekenen |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen (https://mijn.rechtspraak.nl/keuze)” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.